Edna O’brien – The little red chairs

Het duurde even voordat ik het doorhad. Er arriveerde een zonderlinge man uit Servië in een Iers dorpje. Een rustige, wijze man die actief bleek in de alternatieve genezing en gedichten schreef. Hij ging als snel deel uitmaken van sociale leven van het dorp. Men had er wel lol in, zo’n onconventionele aanwinst in een dorp waar verder niet veel gebeurde. Fidelma, getrouwd met een veel oudere man, wordt heimelijk verliefd, hij huurt ruimte bij haar als praktijkruimte. Het is haar nooit gelukt om kinderen te krijgen en ze bedenkt dat ze wel een kind van hem zou willen zonder dat ze gevolgen grondig heeft overdacht. Een van de gevolgen kón ze nog niet overdenken. Het kindje, dat inderdaad in haar buik is gaan groeien had Karacic als vader gehad. Zijn naam wordt in het boek helemaal niet genoemd.

Tijdens een busreis waar het halve dorp aan deelneemt, ze zijn op weg naar een poëzie-evenement waar Vlad – zo laat hij zich noemen – zou optreden worden ze aangehouden en wordt Vlad gearresteerd. Wereldnieuws. Fidelma wordt thuis meegenomen door vrienden van Vlad en in een naargeestige omgeving wordt er op gove wijze een abortus gepleegd en als ze daar wordt achtergelaten slurpen even later de ratten haar bloed op. Haar man wist tot dat moment nog van niets.

Ze verlaat haar man, woont tijdelijk bij de nonnen en komt in Londen terecht in de wereld van vluchtelingen en asielzoekers waar ook Bosniërs bij zitten. Langzaam weet ze haar weg te vinden en gaat ze werkelijk deel uitmaken van deze groep.

En dan vindt in Den Haag het proces plaats waar ze heen gaat. Uiteindelijk gaat ze terug naar haar man die vervolgens sterft. Ze gaat zich niet opnieuw in het dorp vestigen, maar blijft meedoen in Londen tussen de vluchtelingen.

Een aangrijpend boek, zorgvuldig geschreven met veel weglatingen. En die titel slaat op stoelen die in Sarajevo werden neergezet om slachtoffers te herdenken. Daaronder waren er 643 voor kinderen…

Advertenties

Albert Martin Steffe – De Hugenoten; tragiek en lijden omwille van een eigen geloof.

Een vertaalde uitgave van Tirion (Baarn) uit 1994 van een boek dat oorspronkelijk in ’89 met deze titel uitkwam: Macht des Geistes gegen der Geist der Macht. Het is een heel informatief boek dat een beetje vanuit een geloofshoek geschreven is (De kerk moge voor enige tijd een gewillig werktuig zijn – op den duur laat God niet toe dat ze voor andermans karretje wordt gesprannen. blz. 124). Dat stoort niet en blijft behoorlijk onder te oppervlakte. De verhandeling begint met voorlopers, om te beginnen met de Katharen (waar het woord ketter van afkomstig is), die weer hun wortels hebben in Zoroastergeloof en Manicheërs, kortom in dualisme, geloof in een goede en slechte macht. Daarnaast wordt ook de beweging van de Waldenzen in Zuid-Frankrijk en Italië besproken.

Heel behulpzaam is het hoofdstuk met hoofdpersonen uit de Franse reformatie. Zo worden genoemd: Jacques Lefèvre d’ Étaple, Farel, Briconnet, Bèze en natuurlijk Calvijn. Belangrijke opmerking in verband met Étaple: Als men dus vooral leven en werken van Jacques Lefèvre beziet wordt duidelijk hoe zelfstandig de Franse reformatie ontstond en verliep; zeker niet als loot van de Duitse hervorming (blz. 128).

Heel prettig is ook het chronologische overzicht van de ontwikkelingen in de 16e eeuw en wat verder op de gedetailleerde toelichting bij het edict van Nantes. En dan is er ook nog aandacht voor de Jansenieten, de beweging uit de 17e eeuw, een stroming van terug naar het genadebegrip van Augustinus waar de Katholieke kerk heel nerveus van werd.

Wat mij opviel:

  • De beweging in Frankrijk, die veel later op gang kwam dan in Duitsland – in 1555 is er voor het eerst sprake van een protestante gemeente in Frankrijk – is veel massaler geweest dan ik me ooit had voorgesteld. Grote delen van het zuiden waren al snel overwegend protestant.
  • Frankrijk heeft geen bloedige dertigjarige oorlog gekend, maar de steeds terugkerende strijd is wel heftig en ontwrichtend geweest. Daar speelde ook buitenlandse politiek doorheen en andere belangen dan louter Godsdienstige. Bovendien speelde het onderscheid tussen stad en platte land een rol.
  • Frankrijk verkeerde bovendien in een economische crisis. Oorlog voeren – de schrijver telt 10 Godsdienstoorlogen tussen 1562 en 1629 – kost vreselijk veel geld en bovendien was er steeds sprake van stijgende kosten en inflatie door het zilver en goud dat de Spanjaarden uit Zuid-Amerika haalden.
  • De politieke situatie met de Guises die aan de kant van de Monarchie, maar vooral aan die van het eigen geslacht stonden, de Ligue, een stroming die politieke macht tegenover de monarchie vertegenwoordigde. Hervormden waren niet per sé tégen de monarchie, wel vaak voor een monarchie ten dienste van het volk. Overigens wordt ook melding gemaakt van de invloed van de democratische structuur van de gereformeerde gemeente op de samenleving.
  • De rol van Henry IV die voor de lieve vrede Katholiek werd en in 1598 met het Edict van Nantes kwam wordt heel positief beschreven. Het is ook wel indrukwekkend; een vorst die alle reden tot wraak lijkt te hebben, zeker na de Bartholomeusnacht van 1572, en juist inzet op verzoening en vreedzaam samenleven met een heel pak aan afspraken.

Hans Küng – Het Jodendom; wezen, geschiedenis en toekomst.

Hans Küng schreef een soort trilogie over Jodendom, Christendom en Islam. Dit deel verscheen in 1999 en deze vertaling pas in 2010, ik zie zelfs een nawoord uit 2011 bij de Nederlandse vertaling. Bijzonder.

Het is een fascinerend, raar en veel te dik boek.

Laat ik met het fascinerende beginnen. Deze theoloog heeft zich heel grondig verdiept in het jodendom. Het boek begint met een uiteenzetting vanaf bijbelse tijden en komt tot een indeling in paradigma’s. Het stammenparadigma, dat van de monarchale tijd, het na-exilisch jodendom, het rabbijns-synagogaal paradigma, dat van de moderniteit en ten slotte, na de holocaust dat van de na-moderniteit. Het middendeel van dit boek vond ik het meest boeiend. Hier gaat het over stromingen en ontwikkelingen in het moderne- en post-moderne jodendom. Het gaat ook over Duitsland de holocaust en de verhouding tot de joden. Küng onderzoekt aan alle kanten het begrip vergeving en onderzoekt hier ook weer de joodse geluiden. Het gaat ook over de verhouding tussen christendom en Jodendom en dus over de Jood Jezeus. Hier gaat het over de eerste joodse christelijke gemeente die via Paulus een christelijke kerk werd die zich juist ook richtte op niet-joden. Hier gaan de theologische registers wijd open. Küng schrijft met onmiskenbaar respect voor het joodse denken. Toch moet wel duidelijk worden dat hier, ondanks de voorzichtige historisch-kritische werkwijze, de wegen scheiden.

In het laatste deel van het boek gaat het over het jodendom – orthodox, conservatief en liberaal – en de staat Israël. Hier blijkt wel dat Küng zich goed kan vinden in het denken van Buber. Een denkwijze die ver af staat van de huidige Israëlitische politiek. Want Küng is kritisch over de nationalistische powerweg die Israël is ingeslagen en over het feit dat de kansen om een Palestijnse staat naast de Israëlitische te creëren niet heeft willen benutten. De politiek ten aanzien van de Palestijnen wordt uitvoerig besproken en bekritiseerd. Küng komt uit bij een pleidooi voor een ‘land voor vrede’ route.

In dit laatste deel gaat het een beetje mis. Hier is een theoloog aan het woord die ineens van alles zegt over Israël, over wereldpolitiek, over het Midden-Oosten. Ik vind het niet overtuigend overkomen en dat wordt allemaal erger doordat ik het boek veel te laat heb geleend. Het is een boek van voor 9/11, voor de tweede golfoorlog, oorlog in Afganistan, vermeende revolutie in de Arabische wereld, burgeroorlog in Syrië en opkomst van IS.

Een daarbij heeft dit boek een wonderlijke didactische stijl. Belangrijke woorden zijn vet gedrukt en regelmatig komen er opsommingen voor. Dat is eigenlijk best handig (zeker ook voor de lezer die eens wat wil overslaan…), maar komt soms ook wat schools over.

Hoe zou dit boek nu door joden zijn gelezen? Het moet duidelijk zijn dat hier niet iemand ongeïnformeerd uit zijn nek staat te zwammen. Maar ik kan me toch ook wel voorstellen dat Küng hier en daar wat pedant kan overkomen.

Joseph Roth – Joden op drift

Een mooi gemaakt boekje, in 2016 uitgegeven door Bas Lubberhuizen; een vertaling van Els Snick (wie anders?).

In 1927 had Roth het boekje Juden auf Wanderschaft uitgegeven en in 1937 is het opnieuw gereedgemaakt met de bijgevoegde nawoorden en een aanvulling wat betreft het hoofdstuk over joden in de Sovjet-Unie, waarin Roth veel te positief was geweest omdat de grote terreur van Stalin nog moest volgen. Els Snik heeft de verzie van ’27 gebruikt maar wel de nawoorden uit ’37 toegevoegd.

Hoe dan ook; het is een boekje geschreven door de door Europa rondreizende Roth over de joden uit Oost-Europa. Eerst gaat het over verschil in leefwereld tussen die van mensen in het Westen en joden in het Oosten. En dan gaan we eigenlijk mee op drift. We starten in de joodse sjetl en gaan vervolgens kijken hoe de joden leefden in Wenen, in Berlijn, in Parijs en hoe ze naar Amerika proberen te komen. Uiteindelijk gaat het ook als gezegd over de joden in de Sovjet-Unie.

Steeds heeft Roth wel oog voor de achterstelling, latente en soms openlijke discriminatie van de joodse nieuwkomers. Toch gebruikt hij de nawoorden om dit veel duidelijker te maken.

Ooit – en vast eerder dan over duizend jaar – zal in Duitsland zeker alles anders worden. Maar met de generatie die nu in de Hitlerjeugd opgroeit, zullen de joden noch de christenen, noch cultureel bewuste Europeanen aangename ervaringen kunnen opdoen. Het zijn Jasons drakentanden die daar zullen opbloeien. Om de volgende twe generaties Duitse heidenen te dopen zal een heel leger missionarissen nodig zijn. Zolang Duitsers geen christenen zijn, hebben de joden weinig van hen te verwachten.

Het is niet alleen een historisch interessant essay, het is ook een schokkend werkje omdat het de noodklok luidt over hoe gevluchte joden worden behandeld. Dat gaat over de jaren ’30. Ondertussen gedraagt Europa zich opnieuw schandalig als het over vluchtelingen gaat.

Het moge duidelijk zijn dat ‘racisme’ niet tot compromissen in staat is. Miljoenen proleten hebben dringend een paar honderdduizend joodse stakkers nodig om – zwart-op-wit – hun superioriteit te bewijzen.

Calvijn – Institutie

Het aardige van de vertaling van Sizoo (2e druk uit 1949) is de vormgeving die naar ik aanneem overgenomen is van de eerste uit 1931. Het gaat om de uiteindelijke versie uit 1559, nadat er eerdere en dunnere versies waren verschenen. Vooralsnog heb ik deel I doorgenomen waarbij ik eerlijk moet bekennen dat ik ook passages heb overgeslagen. Dit deel bestaat uit boek 1. Over de kennis van God de schepper, en boek 2. Over de kennis van God de verlosser in Christus, welke eerst aan de vaderen onder de wet, daarna ook ons in het evangelie geopenbaard is.

Het werk is gericht op de gelovige medemens uit Calvijns tijd, bewoners en studenten in Genève. Maar ja, Genève was toen een centrum voor vluchtelingen en studenten en zo verspreidde dit denken zich over Europa. Het boek wil het Christelijk geloof zoals Calvijn dat begreep stapje voor stapje uiteenzetten waarbij hij rustig ingaat op gevolgen van een verkeerd verstaan en tegenwerpingen uit heden (Osiander, Servet) en verleden (Pelagius). Tegelijkertijd weet hij regelmatig steun te vinden bij Augustinus wat ook niet verbazingwekkend is. Het bouwwerk begint, na een voorwoord en een langdradige opdracht aan Koning Frans I van Frankrijk, aldus:

Nagenoeg de ganse hoofdinhoud van onze wijsheid, die verdient voor de ware en hechte wijsheid gehouden te worden, bestaat uit twee delen, de kennis van God en de kennis van onszelf. Maar hoewel deze twee door vele banden onderling verbonden zijn, is het toch niet gemakkelijk te onderscheiden, welke van beide aan de andere voorafgaat en haar uit zichzelf voortbrengt.

Wat mij opviel was de hechtheid en grondigheid van het geheel. We kunnen schamperen over Calvijn en zijn volgelingen, maar dit is wel een dijk van een werk dat met een juridische logica voortgaat. Natuurlijk , het is dogmatisch, maar de toon is gek genoeg niet stoffig (als je even door de wat verouderde vertaling heen kijkt…), de lezer wordt aan de ene kant bij de hand genomen, maar waar nodig ook getrakteerd op exegetische toelichtingen en ingewikkelde weerleggingen.

Pratend over de zonde wordt de lezer ook gewoon in een hoek geduwd. Nadat we gezien hebben, dat de heerschappij der zonde, sinds zij de eerste mens aan zich geknecht heeft, net alleen in het ganse geslacht woedt, maar ook in haar geheel iedere ziel afzonderlijk bevangen heeft, blijft ons nu over nader te onderzoeken, of wij, sinds wij in deze slavernij geraakt zijn, van alle vrijheid beroofd zijn, en indien nog enig deeltje daarvan oer is, heover de kracht daarvan gaat (blz254). Je moet er even tegen kunnen…

Als gezegd, er wordt in dit boek heel wat weerlegd en dat maakt sommige passages ronduit polemisch. Ik heb wat heftige taal – en natuurlijk hebben we steeds te maken met de vertaling van Sizoo – bijgehouden en hier volgt een kleine bloemlezing:

Grove raaskallerijen, windbuilen, klinklare babbelarij, beuzelachtige wijsheid, ijdele verzinsels (Osiander 176), dwaze praat van krankzinnigen, vermetele bemoeizucht, duivelse inbeelding van Servet, het geblaf van die onzuivere hond, een niet minder verderfelijk monster…

Sprekend over het gebod om niet te stelen kwam ik de volgende passage tegen: Wij zullen dus naar behoren aan het gebod gehoorzamen, wanneer wij, met ons lot tevreden, geen andere winst pogen te behalen dan die betamelijk en rechtmatig is; wanneer wij niet met onrecht begeren rijk te worden en onze naaste niet van zijn vermogen zoeken te beroven, opdat het onze daardoor aangroeie; wanneer wij niet er naar streven om wrede rijkdommen, die uit het bloed van anderen geperst zijn, op te stapelen, wanneer wij niet onmatig van alle kanten, door recht en onrecht, bezittingen samenschrapen om daardoor onze hebzucht te vervullen of onze lust tot verkwisting te bevredigen. Leefden bestuurders van de VOC met dit gedeelte? Wordt het wel eens voorgedragen tijdens een CDA- congres!?

Wat een kerel, die Calvijn. Voor mij is het heel voorstelbaar geworden (ook al geloof ik niet in zijn verhaal) dat hij in die roerige 16e eeuw, een tijd waarin iedereen op de een of andere manier aan een kerk verbonden was, een enorme invloed moet hebben gehad.

En dan heb ik nog niet de passages over de uitverkiezing doorgenomen. Opmerkingen daarover gaan nog volgen…

Marcus Bull – Thinking Medieval; An introduction to the study of the Middle Ages

Een hartstikke leuk boekje uitgegeven bij Mcmillan in 2005. In het eerste hoofdstuk gaat het op een grondige wijze over de Middeleeuwen zoals we die vaak tegenkomen in de populaire cultuur, van romans, films tot architectuur. Vervolgens gaat het over de term Middel-eeuwen. Hoezo middel en waartussen dan. Natuurlijk gaat het over de visie van lieden uit de Renaissance en daarna die een duistere periode zagen volgend op de klassieke tijd en voorafgaand de (vroeg)moderne. En dan is de vraag aan de orde naar de bronnen en de ontwikkeling in de behandeling van bronnen. Er is aandacht voor microhistory, het verhaal in een dorp als Montaillou, maar dat niet alleen, in een kort bestek is er juist aandacht voor heel veel discussies en invalshoeken. Daarmee geeft dit werk een inkijkje in de de wereld van de academische historici. Maar zonder academisch over te komen.

Het is dus ergens wel een luchtig geschreven verhandeling, maar de boodschap is niet luchtig. De Middel-eeuwen is niet zomaar een periode waar eenduidig en simpel gesproken kan worden. Het boek is een uitnodiging tot grondige studie alleen al om complottheoriën en ergerlijke versimpelingen te kunnen bestrijden. En niet om simpel huidige politieke doelen en kruistochten te kunnen najagen.

Heb ik even geluk dat ik dit boekje (158 pagina’s) zomaar zag liggen…

H. Bonger – Leven en werk van Dirk Volckertz. Coornhert

Coornhert werd in het jaar 1522 geboren, zijn ouders woonden in de Warmoesstraat 111 te Amsterdam. Toen hij in 1590 overleed was zijn adres Oosthaven 51 te Gouda. Hij werd in de St. Janskerk begraven. Er zullen heel wat mensen zijn geweest die blij waren dat deze scherpe polemist er niet meer was.

Het is een naam voor schoolnamen en adressen, Coornhert. Ik wist helemaal niets van hem, maar was wel jaren geleden tegen dit boek aan gelopen, vermoedend dat het toch wel belangrijk zou zijn om kennis te nemen van deze man. En nu, in het kader van mijn onderzoek van de Reformatie, heb ik het boek gelezen. Een schot in de roos. Niet vanwege de stijl van het boek, maar wel vanwege de inhoud.

Coornhert was een kritische scherpe man die dus opgroeide in de tijd dat de reformatie de Nederlanden binnendruppelde en de tijd dat de opstand begon. Hij had contact met Willem van Oranje met wie hij wel op één lijn zat wat betreft een milde houding ten opzichte van de Katholieke kerk. Hij was zelf Katholiek, maar wel met bedenkingen en zonder diensten te bezoeken. In deze tijd heeft hij als gevolg van zijn houding kort gevangen gezeten en in afwachting van een proces is hij toen tijdelijk het land (!) ontvlucht.

Coornhert was niet een man van de opstand maar veeleer een man van Godsdienstvrijheid, een tegenstander van uitverkiezing en erfzonde (en dus van de gereformeerde schare) en een perfectist. Een nieuw woord.

Omdat Coornhert een zonniger mensebeeld had dan Calvijn en diens navolgers, hij geloofde niet in de totale verdorvenheid van de mens, geloofde hij dat het mogelijk was om (met Gods genade, dat dan weer wel) goed te leven en dat het ook belangrijk was daarnaar te streven. Zo was hij stiekem een volgeling van Pelagius en een voorloper van Arminius en later ook Wesley.

Aanvankelijk had Coornhert in Vianen gewoond, later was hij notaris in Haarlem. Hij was vooral schrijver van boeken en pamfletten. Een aantal keer raakte hij ook in debatten verzeild wat meestal niet echt fijn was. Op latere leeftijd heeft hij Latijn geleerd en is hij ook gaan vertalen. Onder anderen Boëtius. Eigenlijk wilde hij in Leiden gaan studeren, maar daar kwam het niet van. Wel van het schrijven van gedichten en toneelstukken.

Het boek bestaat uit twee delen en begint met de biografie van Coornhert. Die leest niet heel makkelijk omdat de hoofdpersoon heel regelmatig in het Nederlands van de 16e eeuw aan het woord komt. Geinig is dat wel, maar het vergt wel een extra inspanning om die teksten te lezen: Wie heeft oock van alle diemen ewangelische noemt, bewesen, dat hare kercke en de religie alleene de ware zy: Ende alle d’andere kercken ende religien valch.

Het tweede deel gaat over Coornherts denkbeelden en kent de volgende hoofdstukken: 1. Denkbeelde over de volmaakbaarheid. 2. De strijd voor de Godsdienstvrijheid. 3. Bestrijding van de dogma’s der erfzonde en predestinatie. 4. Coornherts plaats in het Godsdienstig leven van zijn tijd. De kritiek op de ‘vergodete’ profeten. 5. De maatschappij en politieke denkbeelden. 6. Het creatieve werk. Toneel en poëzie. 7. De vertalingen. 8 De Coornhertstudie.

In dat laatste en misschien wel aardigste hoofdstuk gaat het op zeker moment over Bruno Becker, een letterenstudent die geschiedenis ging studeren en via Troelssch op het spoor kwam van de ‘stiefkinderen van de reformatie. Deze Becker is Coornhert gaan lezen en heeft op die manier Nederlands geleerd. In 1913 is hij naar Nederland gekomen om naar bronnen te komen spitten en zo is hij een groot Coornhert-authoriteit geworden.

Dit boek is in 1978 in Amsterdam bij van Oorschot uitgegeven. Dat is al weer best een tijd geleden en ik vraag me af wat ondertussen het standaardwerk is over deze boeiende en belangrijke man. Daar mogen van mij best nog wat scholen, bibliotheken en straatnamen bij.

En toen vond ik de ‘Werken’ in de biep van de UVA!