Johan de Wit – Hoofdstuk 1, eerste deel

Reeds waren de aangename dagen der lachende jongelingschap van Johan de Witt,  jongste zoon van Jakob de Witt, die meermalen de burgermeesterlijke stoel in het aloude Dordrecht bekleedde, verdwenen; – reeds had hij met zijn broeder Cornelis de Leidse hoge school bezocht, en de kundigheden in alle wetenschappen, een beschaafde Nederlander tot sieraad, een  staatsman onontbeerlijk, daar verzameld, getoetst aan de ondervinding, reeds door het bezoeken van andere volkeren van Europa zijn smaak gelouterd – zijn waarnemingen uitgebreid – en landeigen vooroordelen onderdrukt. Met roem was hij de loopbaan van rechtsgeleerde ingetreden, zette hij zijn voet in het worstelperk der staatkunde , toen de jeugdige stadhouder Willem de II, die reeds bij het leven van zijn vader Frederik Hendrik, nauwelijks der kindsheid ontwassen, doorslaande proeven van heldenmoed gegeven had, nu aan het huis van Stuart door de echt verbonden, en door de prikkel der eerzucht aangespoord, om, eer het voetspoor van Maurits, dan dat van zijn vader te volgen, na de uitbreiding zijns gezags stond. Onvoorzichtig sloeg hij middelen ter hand, die een bedaarde en onpartijdige beschouwer, als strijdig met de toenmalige aard van ’s lands regering moet afkeuren, en die bij velen zijner tijdgenoten, bij welke de staatkundige stappen van Maurits zo gevoelige indrukken hadden nagelaten, het vuur van partijschap deden opblaken.
De nu reeds grijze vader van Johan de Witt, in zijn jeugd getuige van de wrede dood, Oldenbarneveld aangedaan,- getuige van de gevangenis van de eeuwige roem der Nederlandse Letterkunde Hugo de Groot – getuige van alle de buitensporige stappen van Maurits, de woeste aanvang der regering van Willem II aanschouwende, werd vervuld met die geest van Republikeinse fierheid, welke dikwerf zelve in heerszucht ontaardende,  in dit gemenebest aanhoudend worstelend met de pogingen der stadhouders ter uitbreiding van derzelver gezag. Tot zodanig een hoogte rees het geschil tussen de jonge stadhouder, Jacob de Witt, en enige andere staatsleden van Holland, dat hij, als ware het om volkomen de rol van zijn oom Maurits na te spelen, hun naar het gehate Loevenstein, die staatsgevangenis, welker sloten en grendels, onder de beminnenswaardigen Frederik Hendrik, verreost waren, met krijgsvolk onverwacht deed vervoeren en in dezelve opsluiten. –
Schoon weldra de Witt en de overige staatsleden uit de kerker, wiens naam alleen zovele geleden ellenden erinnert, geslaakt werden, had zich nu de wrok in het hart van die grijsaard vastgezet – en de gemoederen der zonen, Johan en Cornelis, in de bloei hunner jaren, vol van dezelfde republiekeinse gevoelens, werden doortrokken van een verbittering, die hun tot de jongste snik is bijgebleven.

Nog in hetzelfde jaar, waarin de jonge stadhouder zovele zijner landgenoten, en bovenal verscheidene geslachten in Holland en Amsterdam om hun afkomst, aanzien en rijkdom, altijd in dit gemenebest voor vorsten te duchten, tegen zich ontijdig in het harnas gejaagd had, overviel hem, onverhoeds, na zich op zijn lusthuis Dieren met de jacht vermaakt te hebben, die hevige, die afzichtige ziekte, welke, schoon meest op de kindse leeftijd woedende, somtijds ook hare pestsmet volwassenen in de aderen stort, en niet min gevaarlijk is voor de bloem des levens in hare volle kracht dan voor de even ontluikende knop der kindsheid. Zijn aanhangers voeren natuurlijk bekommering en angst in het hart: in de gemoederen van zijn tegenpartij werd een hoop geboren, om zich als door een slag van het voorwerp van hun afkeer en haat ontslagen te zien.

Nu bevond zich Jacob de Witt, na zijn slaking uit de Loevensteinse kerker, weer te Dordrecht in de schoot van zijn huisgezin, en begon de vruchten der verstandige en uitmuntende opvoeding aan zijn zonen Johan en Cornelis geschonken, in te oogsten. De eerste zag zich onaangezien zijn jeugdige ouderdom bekleed met het gewichtig ambt van pensionaris van Hollands oudste stad, terwijl Cornelis korts van zijn buitenlandse reis thuis gekomen en door de echt onlangs verbonden aan Maria van Berckel uit een aanzienlijk Hollands geslacht gesproten, zich mede tot de waarneming van de luisterrijkste posten in het bestuur van stad en vaderland toerustte.

Reeds hadden de gure vlagen des najaars het geboomte ontbladerd, en de stormen, der slachtmaand zo eigen in deze gewesten, loeiden door het luchtruim. De avond was reeds lang gevallen, en het licht in de woning van vader de Witt ontstoken. Zijn deugdzame vrouw, een recht vaderlandse moeder, schepte hartelijk vermaak in het gezelschap van haar bekoorlijke schoondochter Maria, terwijl haar man en twee zonen tot in de nacht afwezig waren; haar man en zoon Johan op het raadhuis, terwijl zich Cornelis aan zijn eigen woning bevond.
Hoor, zo begon haar dochter Maria, na dat het gesprek tussen haar en haar moeder voor een ogenblik afgebroken was; hoor, hoor hoe hevig loeit de wind. In der daad het schijnt mij toe, dat zich hier aan de
Merwe de wind heviger laat horen dan bij ons aan de Maas. Nooit althans heb ik te Rotterdam dezelve zo hevig opgemerkt. En mijn man vertraagt om hier te komen, zeker uit hoofde van de geweldige storm.

Anna [Anna van den Korput, huisvrouw van Jakob de Witt (noot onderaan p. 9)]

Ik twijfel zeer, mijn lieve dochter! of dit de ware reden is van zijn vertoeven. Ik zou wel twijfelen, of hij zich deswegens enigszins bekommert; ja bijna, of hij er wel enige acht op slaat.  Wanner mijn man of zonen zich aan hunne letteroefenigen overgeven, bekreunen zij zich weinig aan het geen er rondom hun in de natuur voorvalt. – Behalve dat is mijn Zoon Cornelis van een kloekmoedige inborst, en zijn buitenlandse reizen zullen hem meer en meer gehard hebben.

Maria

Gij kent hem beter dan ik, Moeder! maar mij schijnt de hevigheid van de storm zo groot, dat hij zich dezelve wel mocht aantrekken… Althans…

Anna

Althans gij bekommert u enigermate over zijn langer toeven nietwaar…? ja! lieve dochter! al beginnen mijn jaren te klimmen, ik weet mij nog klaar te erinneren, hoedanig ik in de eerste jaren mijns huwelijks gesteld was… Nog geen twee maanden zijt gij aan mijn Cornelis verbonden… en hoe teder,… hoe aandoenlijk teder zijn elkander oprecht beminnende harten, wanneer, om zo te spreken, het bruilofsgroen nog niet verdord is.- Dan… dan is men angstig, bij het minste vertoeven van de beminden, dat hem enig wezenlijk ongeval bejegend is… Is het zo niet?…ik merk aan uw stilzwijgendheid, dat gij u ongerust maakt.

Maria

Ik wil het u niet ontkennen… De Witt had mij beloofd reeds voor meer dan drie uren hier te zullen zijn.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s