Johan de Witt – Hoofdstuk 1, tweede deel

Anna

Bekommer u des niet, mijn kind! – gij zult door de tijd wel gewoon raken aan zulke toevallige misleidingen. Wanneer gij eens meer, dan dertig jaren aan uw Cornelis verbonden zijt geweest, zoals ik aan zijn vader, zullen u misschien zovele stormen reeds over het hoofd gewaaid zijn, dat geen uren onverwacht afzijn uw hart zullen ontzetten. – Bedenk, bedenk, wat ik nog in dit lopende jaar heb uitgestaan. Bedenk, hoe ik te moede was, toen ik onverwacht de tijding ontving, dat zijne hoogheid mijn man met vier andere leden van staat had doen gevangen nemen,… toen ik dezelfde avond nog vernam dat hij naar de staatsgevangenis Loevenstein gevoerd was,… toen ik mij voorstelde dat mij in mijn klimmende ouderdom misschien het lot van Maria van Reigersbergen te wachten stond, schoon ik misschien te weinig krachten zou bezitten om in een zo doorluchtig voorbeeld van huwelijkstrouw haar na te volgen… Het mogt mij echter aan krachten en list, aan liefde en moed zou het mij niet ontbreken.

Maria

Ik hoop dat God mij bewaren zal, dat ik nimmer op zulk een’ toets gebracht worde!

Anna

De vrouw van een staatsman, Maria, moet zich, even als die van een krijgsman tegen de gevaren wapenen, die om het hoofd van haar echtgenoot zweven.  Beide staan zij ten doel aan grote en ongewone onheilen. De krijgsman echter alleen voor enige weinige ogenblikken zijns levens, maar de man in staatkundige betrekkingen wordt en in vrede en in oorlog, bovenal in een gemenbest als het onze, genoegzaam alle uren bedreigd. – Verzet u dus tegen nodeloze bekommeringen over uw man, over een enkel uurtje langer afzijn dan gij u voorgesteld hadt; want, mijn dochter, door zich boven kleine bekommeringen te verheffen, verhardt men zich ook tegen grote en wezenlijke zwarigheden, die wij in dit leven niet kunnen misgaan….

Maria

Gij hebt volkomen gelijk, mijn moeder! – o als ik mij voorstel, wat niet de huisvrouw van de ongelukkige Barneveld – mde moeder van haar schuldige zonen geleden en doorstaan heeft… Maar ik hoor, ik hoor mijn man komen…

Cornelis de Witt

Ook ik meende reeds veel vroeger hier geweest te zijn.

Maria

Misschien heeft de hevige storm u langer bij huis gehouden.

Cornelis

O nee! –  geheel andere redenen… Ik heb er weinig acht op geslagen… Er zijn tijdingen van belang uit Den Haag ingelopen… Ik heb pogingen gedaan, om te vernemen wat er van ware… Doch ik heb het niet verder kunnen brengen dan het bericht, dat de toestand van de Prins geheel veranderd is, en een zeer zorgelijk aanzien heeft. Bij de raad is tijding, maar dezelve scheen, toen ik het stadhuis voorbijging nog bijeen. Men mompelt zelfs, dat de prins dood zou zijn…

Maria

Die jeugdige vorst… Hij is slechts enige jaen ouder dan ik…

Cornelis

Hij heeft nog de ouderdom van vijf en twintig jaren niet bereikt… Evenwel…De tijding is nog los,… en menis in de berichten van de herstelling en ziekte, ja van de dood van aanzienlijke personen dikwerf zeer voorbarig. Er heerste echter onder zekere lieden, die met de marktschuit uit Rotterdam kwamen een stilte, een neerslachtigheid, die mij aanduidde dat er iets van gewicht moest gebeurd zijn… Maar zacht!… ik hoor de deur openen… ’t is vader en broeder Johan… Nu zal de onderzekerheid kort duren… (Jacob en Johan de Witt binnenkomende zeide de eerste:)

Wij komen veel later van het raadhuis dan wij ons hadden voorgesteld, maar gij zult de reden gemakkelijk kunnen gissen…

Cornelis

Er loopt een gerucht, dat de Prins overleden is…

Johan

Zijn dood is zeker, mijn broeder! De raad heeft daarvan bericht ontvangen en gevolgen uit die toestand van zaken voortvloeiende hebben onze raddplegingen langer doen duren

Anna

Waarlijk ik ontroer… bij de plotselinge tijding van zijn dood, ik hield het nog voor geruchten zoals er vele zweven.

Jacob

Hij is dood, mijn vrouw! Hij is dood, die nog maar weinig maanden geleden in mij en in andere leden van Holland de opperste macht en vrijheid van Holland geschonden heeft. – Hij is dood, die weinige maanden geleden zich niet ontzag een aanslag te wagen op de stad Amsterdam, zo roekeloos ondernomen als schandelijk uitgevallen…

Anna

Met welk een verbittering spreekt gij van uw gestorvan vijand

Jacob

Ik moest geen mens zijn, om die verbittering reeds uit mijn hart te hebben kunnen weren… Vorsten en groten kunnen zich wel voor enige ogenblikken ontzaggelijk en geducht maken, door de handen aan vrije lieden te slaan – hun te doen gevangen zetten, verbannen, of hun met de dood te straffen. – Zij kunnen de steden door geweld van krijgsmacht aanvallen en doen bukken – en tegen derzelver gerechtigheden aandruisen, maar zij zullen de liefde der waardigste landzaten door het een verliezen, en door het ander een ontuitroeibare wortel van vijandschap in de harten der aanzienlijke geslachten, die beledigd zijn, planten.

Anna

Maar zeg mij, hoe hebt gij die tijding ontvangen. – Gij had mij beloofd spoedig te zullen terug keren, omdat gij alleen nog maar enige weinige overgebleven zaken bij de oudraad, waarvan gij geen lid meer uitmaakt, had af te doen.

Jacob

Juist was ik bezig met nog enige pepieren op de secretarij, betreffende enige kommissien, die ik als lik van de Oud-Raad, voor mijn gevangenneming had in orde te brengen, om dezelve aan de raad over te leveren – en dan mijn afscheid te nemen, toen ik onverwacht een briefje ontving van mijn zoon, om op het ogenblik in de Oud-Raad te verschijnen… Ga gij nu voort mijn zoon en verhaal het verder.

Nadat de vader en de broeders hadden plaatsgenomen zei Johan de Witt:

Omdat gij zlle zeer begerig zijt, hoe het zich toedroeg, zal ik het u kortelijk verhalen. De Oud-Raad was reeds enige tijd vergaderd geweest, toen an de voorzitter een brief, door een expresse uit Den Haag gebracht, ter hand werd gesteld – deze behelsde een tijding –  dat hoe gunstig zich in het eerst de omstandigheden der ziekte van zijne hoogheid hadden toegedragen, op gesteren de toestand aanmerkelijk verergerd, en hij op heden avond in de ouderdom van vier en twintig jaren en acht maanden overleden was. – Gij begrijpt –  mijn broeder! -welk een ontzettin gde tijdin gdezer gebeurtenis in de gehele raad veroorzaakte. – Op hetzelfde oogenblik grepen allen die, door de laatste stappen van de prins met geweld tot zwijgen gebracht waren, moed – anderen wel zwakker dan zij, die de opgaande zon, tegen hun gevoelen aan, hadden aanbeden, betoonden nu een stil genoegen over haar zo ontijdige ondergang – terwijl de oprechte vrienden van de prins zeer natuurlijk een dodelijke vreze om het hart sloeg… Na het wijken van de eerste verwarring begon men de zaken van het land, en de grote verwisselingen daar uit te wachten, te overwegen… Nu gevoelde ieder, zo het scheen, de harde bejegeningen, die vader de Witt ondergaan had… en men besloot, om ogenblikkelijk hem te herstellen in zijn post als Oud-Raad. De tegenwoordigheid van vader op het stadhuis was mij bekend, en ik verwittigde hem terstond wegens de dood van de vorst, en het besluit van de Raad tot zijn herstel.

Jakob

Ik verscheen in de Oud-Raad, mijn zoon! En ik nam die plaat weer in, uit welke mij de stadhouder met geweld gestoten had.

Cornelis

Ik kan nauwelijks een zo spoedige verandering van zaken geloven. Hartelijk geluk, mijn vader! Zo zegepraalt de goede zaak.

Anna

Ik weet niet of ik mij geluk moet wensen met deze uwe herstelling, dan of ik had moeten verlangen dat gij het overschot uws levens in een ambteloze staat had mogen ten einde brengen.

Jacob

Neen! mijn vrouw! – neen mijne Kinderen! Ik dank God dat ik de dag ten minste heb mogen beleven, dat ik op het geweld, aan mij gepleegd, in het openbaar mag zegepralen; dat ik de dag beleven mag waarop ik voor beide mijne zonen de weg gebaand zie, om in een vrije staatsregering, ontheven van stadhouderlijk gezag, in de eerste posten van de staat, de vruchten in te zamelen van een opvoeding met zoveel zorg aan hun besteed.

Johan

Wij hopen (hebben wij u tot dit ogenblik enig genoegen geschonken) ons altijd dankbaar te tonen voor uw liefderlijke zorgen –  en te beantwoorden aan het grote doel, dat gij ons, zoras wij voor rede vatbaar waren, inboezemde, – om door onze verkregen kundigheden het volk van Holland dienstbaar en ons oud geslacht tot eer te zijn.

Jakob

En wat mijn jaren betreft, zolang God de mens krachten geeft om te arbeiden, moet hij werkzaam blijven. Ik bespeur nog geen der gebreken van de ouderdom; en ik zou die zegen des Hemels, dat ik bij het klimmen der jaren aan mijn vermogens geen verzwakking ontdek, zo ondankbaar vergelden dat ik mij aan een vadzige rust toewijdde.

Maria

Ik begrijp duidelijk dat bij staatslieden een gebeurtenis als de dood van de prins een zodanige wending van gedachten geeft als ik op dit ogenblik ontdek, maar ik verplaats mij in de toestand van de ongelukkige vorstin, de weduwe van de Prins. Binnen weinige dagen immers, hoopte zij haar doorluchtige gemaal met het eerste kind van hun echt te verheugen… en…

Anna

En die hoop is nu uitgeblust…

Maria

O Hoe is mijn hart met haar staat bewogen!… In de grootste lotgevallen van de mens: geboren te worden en te sterven staan de vorsten met alle mensen dus gelijk. En zij hebben aanspraak op dezelfde gevoelens van medelijden, wanner zij in de algemene ellende der menselijke natuur delen

Jacob

Juist die staat van de prinses, mijn kinderen! zal nu de laatste hoop van de stadhoudersgezinden zijn…. O! indien het een mannelijke spruit is,… zijt dan op uw hoede –  zolang deze leeft, zolang zal de hoop onzer tegenpartij leven –  met die zal dezelve opgroeien.

Cornelis

’t Zou een te ver gedreven zorg zijn, zich over de mgelijkhedi van dit gevaar te bekommeren. wij zullen waakzaam en op onze hoede zijn, wanneer de kiemen van het gevaar beginnen uit te spruiten.

Johan

Vrees niet, mijn Vader! zo de liefde tot het vaderland niet genoegzaam mocht zijn, om ons aan te prikkelen, om hetzelve voor het stadhouderlijk juk te bewaren; dan zal de gedachtenis aan de hoon, u aangaande, zich onder dezelve mengen.

Jacob

Houd woord, mijn zonen, houd woord. Ik gevoel op dit ogenblik weer hetgeen ik reeds meermalen na mijn gevangenis bespeurde, hoe Hamilcar in staat is geweest om zijn Hannibal, nog een jongske zijnde, bij het standbeeld van Jupiter, eeuwige haat aan Rome deed zweren… Zo zo mijn zonen…

Maria

O vader! vader! ik beef. Met welk een hevige drift ziet gij ons allen aan…

Anna

Lieve Maria! Er is geen blakender vijandschap dan die van een gehoonde staatsman. Bloed noch dood kunnen die blussen.

Jacob

Zo, zo mijn zonen!… maar Hannibal was een kind… Gij zijt mannen… gij behoeft mij niet te zweren… Uw woord, de opslag uwer ogen is genoeg. Alleen wat er gebeure – gedenkt, zoras gij de schaal der regering naar de zijde van een stadhouder ziet overhellen – gedenkt, gedenkt dan aan mijn gevangenis op Loevestein! –

Met zulke gesprekken, met zulke overwegingen hield zich het geslacht van de de Witten bezig, na de tijding van de onverwachte dood van Willem II. – Zo scherpte de grijze staatsman zijn zonen tegen een stadhouderlijk bestuur de haat in, na de dood van een vorst, wiens jeugdige en buiten spoor gedreven eerzucht reeds daden begaan had, welke de schaduw zelfs der lauweren van Maurits’ onbetwistbare heldendeugd en zijn wezenlijke verdiensten, aan het vaderland bewezen, nooit voor het oog der onpartijdige hebben kunnen bedekken.

*

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s