Johan de Witt – Hoofdstuk 2

Ter vertroosting der aanklevers van het stadhouderlijk huis, met reden in zulk een bittere rouw gedompeld, bracht acht dagen na de dood van Willem II deszelfs diep bedroefde weduwe, Maria Stuart, dochter van wijlen de ongelukkige Karel I, koning van Engeland, een zoon ter wereld. Openbare blijken van vreugde kondigden de geboorte aan, en het gelui der klokken verspreidde die blijde mare door het gehele vaderland. Nu beijverden zich liefde, vleierij en staatkunde, om het pasgeboren wicht, wiens betrekkingen zo bealngrijk konden worden, op de plechtigste wijze met pillegiften te beschenken, bij gelegenheid, dat hij door de doop aan het christendom werd toegeheiligd. De afgevaardigden der algemene staten en staten van Holland, gemachtigden uit de steden Amsterdam, Delft en Leiden, stonden als gevaders over de doop van de voerstelijke telg, die de naam van Willem Hendrik ontving. Veel twist viel er over de voogdijschap, en alles kentekende de belangrijkheid van de persoon, die, schoon nog als een onnozel en weerloos wicht daar nederliggende, door het lot der geboorte bestemd was voor aanzienlijke verwachtingen. – Geen wonder dus, dat bij het algemeen, en vooral bij de zodanigen, die, of door gunsten aan zijn stamhuis verknocht waren, of door verre hope zich vleiden, om eenmaal langs glibberige trappen des stadhouderlijke hof tot voordelige eerambten op te stijgen, of ook bij edeler harten, die zonder ambtbejag, op de verdiensten en daden der voorouderen met dankbare liefde starende, en het heil des vaderands aan de luister van het Huis van Oranje onafscheidelijk verbonden achtende, de pasgeborenen in die erkentenis en hartelijke genegenheid deden delen; geen wonder, dat bij die allen spoedig zich een neiging openbaarde om het nog onmachtig kind met de aanzienlijkste staats- en krijgsambten te bekleden. Niet vreemd, dat bij de min beschaafde en altijd op iets blinkends gestelde smalle gemeente deze neiging min regelmatig werkte – en dat de tegenkantingen, die de uitwerksels van deze ijver, liefde en voorkeur ontmoetten, woeste volksbewegingen verwekten, die zich met de meeste kracht in Zeeland bespeuren deden. Zelfs stonden de staten van dat gewest gereed de pas tweejarige prins het kapitein en admiraal-generaalschap van de staat optedragen. De staatsleden van Holland, geheel anders gezind, begonnen te duchten dat Zeeland wel spoedig tot een nadere stap komen zou; zij zonden dus enige afgevaardigden uit hun midden naar dat gewest om hetzelve af te raden tot het doen van een verdere stap, naar hun gevoelens voorbarig en verderfelijk voor het algemeen welzijn. –  De staten van Holland plaatsten aan het hoofd dezer bezending niemand anders dat de schrandere welsprekende en onversaagde Johan de Witt, vergezeld van Johan Huidekoper, burgermeester van Amsterdam, Jacob van Nieuwstad, schepen van Alkmaar en Francois Riccen, pensionaris van Purmerend.
Middelburg, de hoofdstad van Zeeland, op het eiland Walcheren, waar de abdij tot een hoge vergaderplaats der staten van dat gesest verstrekte, was blootgesteld aan de ongeregeldste uitspattingen van onkundige en onbezonnen mensen, op geliefde klanken azende. Het gerucht verspreidde zich door alle deszelfs straten, dat de bezending uit Holland, die te Veere aan wal gestapt, terwijl de leden der Zeeuwse staatsvergadering buitengewoon beschreven werden, Vlissingen, de wieg en bakermat van de Witts diebare vriend, de zeeheld de Ruiter, een bezoek gaf, met gaan ander oogmerk gekomen was, dan om de staten van Zeeland in hun besluiten gunstig voor het gezag van de vorstelijke afstammeling te doen aarzelen.
Gejoel van groot en klein vermengt zich onder een. – Allen heffen een kreet aan ten voordele van het stamhuis van Oranje, – de forse Zeeuwse matrozen hebben het oranje om en aan hun ronde hoeden gestrikt en onder het wuiven en hoezeën zwieren de lange afhangende linten door de lucht, – hun geschreeuw wordt opgevolgd door dat van honderden arbeidsgezellen; allen met die schitterende schone en afstekende kleur, de leus des oproers geworden, opgepronkt. – Vrouwen en kinderen, oud en jong, alles, allen versierd met linten en strikken, wemelen door een. – Zij ontmoeten een trommelslager, volk wervende in de naam der Staten. Voor enige ogenblikken luistert de anders zo woelige hoop, maar bemerkende, dat hij de naam van de prins van Oranje niet gebruikt, verdooft het hees gekrijt welras het geluid van de trommel; welras grijpen de tamboer enigen uit het grauw bij de kraag en snijden hem de trommel van het lijf. Zo oefent de opgeruide hoop een kinderachtige wraak op een onnozele uitvoerder van de bevelen zijner officieren. – Zo vertoont zich de onbeschaafde en ruw opgevoede menigte, in het lichaam ener geregelde burgermaatschappij als een tussensoort van wezens; het verstand in de staat der kindsheid – en het lichaam in die der volwassenheid – losbandig in het aanwenden van hun krachten, – en aan de gang gebracht, de woestheid van wilde volkeren vertonende. – Veel neemt de staatkundige, van welke partij ook, voor zijn rekening, die in een maatschappij dat lichaam, welks krachten zo onberekenbaar zijn, in werking brengt tot het bereiken zijner oogmerken.
Welk lot staat de afgevaardigden van Holland te wachten, die nu de Vlissingse poort van Middelburg weer naderen. De wachthebbende officier aan dezelve treedt hen nader, daar zij hun rijtuig verlaten. Johan de Witt, van een gestalte die zelfs op de eerste aanblik eerbied inboezemt, in deftige raadsheerlijke kleding gedost, stapt aan het hooft der bezending. –
Welk een vreemd gedruis, zegt hij (zich tot zijn mede-afgevaardigden wendende), welk een gedruis schijnt er binnen de muren van Middelburg plaats te hebben.

Johan Huidekoper

Ik  hoor duidelijk het geschreeuw van een woeste menigte. – Hoor, hoor die kreet…

Johan de Witt

Wel beantwoordt die aan de versiersels, waarmee sommigen, die ons met dreigende aangezichten toegrimden, ons op de weg van Vlissingen reeds ontmoet zijn… Maar de officier der bezetting, die ons nadert, zal ons daaromtrent in het zekere kunnen onderrichten. –

De officier

Mijne heren! Ik kan niet nalaten om, eer gij de stad binnentreedt, u kennis te geven van haar inwendige toestand. Ik behoef u niet te melden dat er iets bijzonders binnen dezelve gaande is, – daar het gejuich en gejoel hier u duidelijk overtuigt dat de smalle gemeente  op de been is… Ongaarne…

Johan de Witt

Ga voort, mijn heer! – Schroom niet uw mening rondborstig open te leggen…

De officier

Ongaarne zouden de Staten van Zeeland uw plechtige bezending gehoond zien… en echter kunnen zij u, zo min als ik, vreeze daarvoor ontveinzen. Het gemeen is op het bericht van de terugkomst der Hollandse afgevaardigden op de been geraakt. – Het heeft zich reeds aan enige baldadigheden schuldig gemaakt.- Het woelt, het schreeuwt, als onzinnig onder elkander. – Ja, het doet mij leed zulks te moeten zeggen, maar men ontziet zich niet van bedreigingen tegen de Hollandse bezending uit te slaan…

Johan de Witt

En dus mijn heer! zoudt gij ons aanraden terug te keren?

De officier

Althans ik heb last van de Staten u voor te slaan, of het niet beter geraden zijn zou, uw voorstel in geschrift te doen, en uw personen niet aan de verbolgen baldadigheden van het gemeen te wagen. De wethouders van Middelburg hebben mij gelast u aan te bieden, of de bezending zou verkiezen, dat zij de prekikanten bewogen, om het grauw te beteugelen.

Jacob de Witt

’t Zou ver moeten gekomen zijn, indien van de zijdelingse invloed der geestelijken de veiligheid van een bezending van de vergadering van Holland zou moeten afhangen.

Jacob van Nieuwstad

In ons echter zou de eer en hoogheid van Holland geschonden worden. Zou het ons wel geoorloofd zijn die bloot te stellen? Zouden wij in een schriftelijk vertoog…

Johan de Witt

Een bezending van de Staten van Holland zou niet veilig de Hoge Vergadering van die oner Zeeuwse naburen kunnen naderen. – Zij zou genoodzaakt zijn, om, vreesachtig en lafhartig, in plaats van zich te vertonen, een schriftelijk vertoog in te zenden. Het zou ons hier aan bescherming ontbreken…

Jacob van Nieuwstad

Indien echter de moedwil van het gepeupel eens zo verre zich uitstrekte, dat het ons geledigde, en…

Francois Riccen

Indien men zich niet ontzag, om ons te mishandelen, om (want waarvoor staat de menigte, eens aan het hollen gebracht, stil) de handen aan ons leven te slaan.

Johan de Witt (met een fiere houding, en een moedige blik zijn mede-afgevaardigden aan ziende en op een vaste toon)

Onze last, mijne heren! is van mond tot mond te handelen met de Staten van dit gewest. – De Staten van Holland, onze lastgevers, zouden zich met recht wegens ons beklagen, indien wij door een slchts mogelijk gevaar weerhouden, van de last afwijkende, onze bezending in het overbrengen van een schriftelijk voorstel deden bestaan… ’t Is hun, het is ons bekend, hoeveel in vele gevallen een mondelinge voordracht in vermogen en nadruk vooruit heeft, boven een schriftelijk vertoog. Dode letteren halen niet in kracht van overtuiging bij levendige woorden. Behalve dat wij, in de vergadering tegenwoordig, elk woord door ons gesproken, ogenblikkelijk kunnen ophelderen – en het misverstand geen vat heeft op gesproken woorden, die wij ogenblikkelijk kunnen verklaren, terwijl het zich vasthecht aan letteren, en dikwerf onuitroeibare wortelen van wrokkende vijandschap schiet. – En wat de oproerige bewegingen aangaat –  het gepeupel is meestal verslagen op het gezicht van mannen, met aanzien bekleed, wanner zij, met bescheiden voorzichtigheid en koene onverschrokkenheid voor het licht treden. Dan vooral, wanneer deszelfs aanvoerders en stokebranden geen onmiddelijke rugsteun vinden bij de zodanigen, die het opperste bewind in handen hebben. En daaromtrent het een ogenblik te twijfelen, zou de goede trouw van de Staten van dit gewest met een honend vermoeden bezoedelen.

Francois Riccen

Indien echter…

Johan de Witt

Indien echter… de menigte baldadig voorsloeg. Laten wij het ergste onderstellen. Dat het volk zover opgehitst ware, dat het ons drufde beledigen, dat het zelfs een onzer, of ons allen het leven benam. Welnu! De staatsman die een last op zich neemt, staat in vele opzichten gelijk met de krijgsman… Immers, zo onze officier als een man van eer op zich genomen heeft om de  toegang van deze poort met zijn manschappen te beschermen, kan hij zonder last, om af te trekken, niet nalaten, welke gevaren hem bedreigen, aan dat bevel te voldoen – of hij verzaakt zijn plicht…zijn eer…zijn eed.

Jacob van Nieuwstad

Er komen echter omstandigheden, waarin onze lastgevers zich niet konden voorstellen, dat hun afgevaardigden zouden geraken – Tijden waarin men soldaat- en zeemanschap gebruiken mag. – Hoor, hoor het woest getier in de stad zich verheffen… Ik houd mij verzekerd, dat de Staten van holland, hiervan kennis dragende, hun achtbaarheid in onze personen niet zouden willen blootgesteld zien…

Johan de Witt

Wat mij betreft, mijne heren! ik verlaat mij zoals ik reeds aanvoerde, op de trouw en bescherming van de Staten van dit gewest – op een klein geleide van krijgslieden, genoegzaam om ons de weg te banen –  ik verlaat mij op de deugdelijkheid onzer zake – in wie uwer met mij mee gaat – of dat gij allen achterblijft – ik ga, gerust op het betrachten van mijn plicht, des noods, wanner gij terug keert naar Vlissingen, alleen, naar de vergaderzaal van de Staten van dit gewest – en voel mij gehartigd om, er kome van wat het wil, de last mij opgelegd te volvoeren…. (tegen de officier) Mijn heer! doe ons met enige  manschappen, zoras wij de poort binnen zijn, naar de vergadering der Staten geleiden.

Zo sprekende treed hij zonder verdere redenwisseling mij zijn ambtgenoot Johan Huidekoper en de officier vooruit; en de twee andere zijner mede-afgevaardigden, half bemoedigd door zijn mannelijke taal, half zich schamende, om verder blijken van vreesachtigheid aan de dag leggen volgden hem op een kleinde afstand. – Enige weinige manschappen der bezetting aan de poort gaan, zoras zij dezelve ingetreden zijn vooraf, en Johan de Witt in het midden zijner ambtgenoten. – Met een onbeschroomde blik, daar zich op zijn rustig en achtbaar gelaat een fiere en kalme ziel vertoont, gereed, om alles af te wachten wat hem, onder de toelating der voorzienigheid, bij het uitvoeren van zijn last, en het betrachten van zijn plicht, mocht beschoren zijn, ziet hem het saamgeschoold gemeen met ontzetting naderen. – Het legt zijn geest van wilden af – en gedraagt zich, als bandeloze kinderen, die, in de afwezendheid van hun Vader zich baldadigheden veroorloven, maar zoras zij hem zien verschijnen, hun moedwil ontveinzen, of zich uit vrees voor straf verschuilen. De gehele achtbaarheid van Hollands Staatsbestuur in zijn gelaat verenigd met een strenge fierheid, gereed om de moedwil te straffen, schiet bliksemende stralen op de terugdeinzende menigte, terwijl hij, sprekende met zijn ambtgenoten, met een glimlachvan vriendelijkheid, de bestraffende opslag tempert, die tevens een inschikkelijke medogendhied met de uitzinnigheden van het spoorbijster gemeen kentekent. Zo wandelt hij, onbeledigd, onbeschadigd, door de woelige straten van Middelburg, aan beide zijden, aan alle hoeken, met allerlei soorten van volk  opgepropt; allen voorzien van de leuzen met welke het oproer zich had opgetooid. – Waar de Witt zijn voeten zet, zwijgt de bulderende zee van het oproer… Voor hem heen hoort hij zelfs de golven der oproerkreten in een dof gemompel wegrollen: even eens, als na een felle storm, na het eindigen van een hoge vloed, de tegen een steile witte zeeduin aan de Walcherse kust opgeruide baren nog sneller wegvlieden, dan zij bij het opsteken des stormwinds kwamen aanstuiven. – De reeds gedeeltelijk ontledigde markt treedt de Witt in veiligheid over, en verlustigt, als of geen oproerig gemeen aanwezig was, in het voorbijgaan zijn ogene in het sierlijk stadhuis, wijzende zijn mede-afgevaardigden de meer dan levensgrote beelden der graven en gravinnen van Zeeland, welke, tussen de bovenste vensters, dat treffelijk gebouw versieren. –

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s