Aurelius Augsutinus – De stad van God

Het enorme werk bestaande uit 22 ‘boeken’ lijkt geschreven te zijn om weerstand te bieden tegen het verwijt dat Rome als gevolg van de overgang tot het Christelijke geloof ten onder is gegaan. Hieronder volgt een korte weergave van wat ik ben tegengekomen in de verschillende boeken. Ik voeg per boek mijn bespiegeling toe zodat dit een groeiend document zal worden.
Overigens lees ik de vertaling van Gerard Wijdeveld, de vierde druk uit 2002 uitgegeven door Ambo/Anthos in Amsterdam.

I. Hier gaat het om Christelijk gedrag en het vereren van andere goden in relatie tot de ondergang van de stad. A. gaat uitgebreid in op het thema zelfmoord omdat aangerande vrouwen hiervoor zouden hebben gekozen. Hij betoogt dan dat de waardigheid/kuisheid met een aanranding niet teniet is gedaan. Zoiets zit in je. Zo kan verkrachting geen reden zijn voor zelfmoord. Overigens lijkt A. tegen alle soorten van zelfmoord te zijn.
Dan kijkt hij naar het verleden van Rome wat leidt tot morele bespiegelingen waarbij Scipio als voorbeeld dient. Deze was tegen de vernietiging van Cartago omdat – zegt A – de voortgaande strijd met Cartago de Romeinen in moreel opzicht scherp zou houden. Enfin, Cartago werd wél verwoest en Rome zakte af in liederlijkheid met voorkeur voor theater en zo (!). Tot slot worden Rome en de stad of de gemeenschap Gods tegenover elkaar gezet en stelt A. dat het pas in het laatste oordeel duidelijk wordt wie waartoe behoorde. Wat meteen opvalt is de grondigheid waarmee A. te werk gaat. Een argument wordt van alle kanten bekeken. Is er nog een tegenargument mogelijk dan wordt dat opgepakt en uitgewerkt.

II. In dit boek gaat het heel uitgebreid over het feit dat de Romeinen in navolging van de Grieken wel goden hadden, maar dat die goden niet hebben voorzien in een morele basis voor de staat. Met enorm veel voorbeelden probeert A. aan te tonen dat de goden en de leiders zelfs allerlei soorten van immoraliteit en wreedheid stimuleerden. Daarbij maakt hij gebruik van Livius en een aantal andere schrijvers. Leuk is dat; Augustinus had voor een deel dezelfde boeken in de ‘boekenkast’ als wij!
Het boek sluit af met een oproep om te kiezen voor die andere stad, de Stad Gods…

III. Na een korte inleiding neemt Augustinus de lezer mee door de Romeinse geschiedenis beginnend met de verhalen van Vergilius, de tijd van de koningen, de Republiek en het einde ervan. Het gaat hem erom aan te tonen dat ondanks al die goden die ze hadden de stad en het rijk steeds maar weer verwikkeld raakten in de ergst denkbare wreedheden. Ze brachten die wreedheden niet in verband met hun goden – door A. soms ook demonen genoemd terwijl het einde van het rijk wel in verband werd gebracht met het Christelijk geloof. Of om het in Augustinus’ eigen woorden te zeggen: ‘Wat is het dus een brutaliteit, een driestheid, een onbeschaamdheid, wat is het een onwijsheid of liever een verdwazing, dat zij die vroegere gebeurtenissen niet aan hun eigen goden toeschrijven maar het nu voorgevallene wel aan Christus!’ (blz. 178).

IV. In dit boek wordt er met name heel kritisch gekeken naar die hele godenclub van de Romeinen. Wat hij daarbij nog helemaal kwalijk vindt is dat ze poëzie en toneel hebben toegestaan waardoor het volk helemaal tot verderfelijkheden wordt aangezet. A. vraagt zich af waarom ze niet genoeg hebben gehad aan Felicitas…
Tussendoor ook kritiek op grote staten met de neiging tot expansie en geweld. Het boek eindigt met de melige zin:’Dit vierde boek is zo uitvoerig geworden dan we er een eind aan moeten maken.’

V. In dit boek wordt al snel aangekondigd dat we meer te weten zullen komen over de vraag waarom het Romeinse rijk zo groot kon worden en waarom het zo lang kon voortduren. Die vraag wordt in mijn beleving niet zo helder beantwoord als dat-ie is gesteld. In ieder geval bestrijdt Augustinus om te beginnen het argument dat het iets met de sterren of met het lot (fatum) te maken zou hebben. Augustinus spreekt liever van Gods voorkennis en vrije wil. Hij ziet wel het streven naar roem als een van de pijlers van het rijk en noemt dit zelf een ziekte, een onreinheid. Op het eind van het boek gaat hij in op reacties op de eerste boeken die blijkbaar al uitgegeven waren.

VI. Opnieuw moeten de heidense goden het ontgelden. Je hebt er niets aan met het oog op een eeuwig leven, en daar gaat het nu juist om, vindt Augustinus. Hij haalt twee grote namen van stal. Om te beginnen Varro, waar hij veel respect voor heeft, maar die wel voorstander blijft van de verering van de goden. Hij maakt een indeling tussen mythische, fysische en politieke ‘theologie’. Augustinus vindt dat die mythische en politieke – de voorschriften van de staat – erg in elkaars verlengde liggen. Seneca neemt wat meer afstand zonder zich helemaal uit te spreken…

VII. Het geluk van het eeuwig leven, daar gaat het volgens Augustinus om en hij is ervan overtuigd dat dit geluk niet via de godenwereld, ook niet die van Varro, te bereiken is. Een goed deel van dit boek stelt deze theologie aan de kaak en af en toe wordt er de spot mee gedreven. Hij vindt het een inconsequente en absurde, soms zelfs obscene boel. Daar stelt hij dan tegenover zijn eigen wereldbeeld met een God die schepper is.
Losgeweekt uit de context even een citaat waar we iets mee kunnen: ‘Rijkdom is namelijk iets anders dan geld. Wij noemen toch ook wijze, rechtvaardige en goede mensen rijk, terwijl ze geen of weinig geld hebben; zij zijn veeleer rijk door hun deugden, waardoor ze ook op het punt van hun materiële behoeften voldoende hebben aan wat er voorhanden is. Arm echter noemen wij de hebzuchtigen, die altijd begerig zijn en altijd te kort komen.’ blz 327, VII/12.

VIII. Een weerlegging van de ‘natuurlijke theologie’ wordt ons aan het begin van dit boek beloofd. Hiervoor gaan we naar de filosofen, met name platonici en en passant krijgen we een korte filosofiegeschiedenis vanaf Thales. Overigens kan Augustinus – en dat is begrijpelijk – wel waardering voor Plato opbrengen. Het laatste deel van dit boek gaat uitputtend over de demonen die volgens Apuleius tussen de goden in de hemel en de mensen op aarde staan. Zich steeds maar herhalend en het net weer anders zeggend wordt dit idee dus in alle stelligheid weerlegd. Als ik de laatste zinnen lees hebben we het daarmee nog niet gehad. Augustinus belooft in het volgende boek in te gaan op het fenomeen van de ‘goede demonen’…

[Even tussendoor; waar ben ik nu toch in terecht gekomen? die gedachte bekruipt me meermalen. Aan de andere kant is het juist wel boeiend om deze wat Asperger- achtige Augustinus te volgen op zijn route door een woud van vermeende denkfouten en weerleggingen…]

IX. Dit negende boek gaat vooral over demonen, goede en slechte. Platonici zien ze graag als een soort middelaar waar Augustinus natuurlijk niets van moet hebben. In het volgende boek belooft hij hierop door te gaan; ik verwacht dat dan ook die goede tussenpersonen, onsterfelijk, maar ook gelukzalig, besproken zullen worden…

X. Inderdaad, in dit boek veel over engelen en de verwantschap met platonici. Voor de lezer en Augustinus komt de onsterfelijkheid toch niet door die engelen en zeker niet door magie, maar door dienst aan en verering van God. In dit boek wordt met name Porphyrus geknipt en geschoren. Aan het eind van het boek kijkt de schrijver terug op de eerste tien boeken en zegt daarover het volgende:” De eerste vijf van deze tien boeken zijn geschreven tegen hen die de verering van de goden noodzakelijk achten met het oog op de goederen van dit aardse leven. De volgende vijf richten zich tegen hen die de verering van de goden gehandhaafd willen zien met het oog op het leven na de dood.” Zonderling, dat had ik er zo niet uit gehaald omdat de wegen die Augustinus bewandelt zo kronkelig zijn met zoveel uitzichten naar veel onverwachte kanten dat het einddoel soms niet helemaal duidelijk was. Misschien was dat zijn eigen conclusie ook en voegt hij daarom nog maar even deze korte samenvatting toe… Overigens eindigt het boek met de belofte dat het vizier weer wat meer richting die steden gaat.

XI. Terug naar die steden. Dat was tenminste het voornemen. Het gaat meer over de soorten engelen die de steden vertegenwoordigen en verder over tijd en eeuwigheid, over de schepping en vervolgens over meer theologische en filosofische zaken als de drie-eenheid, eingenlijke theologie, zijn en weten. Hier een daar best taai. En dan duikt er in XI, 30 in de context van de schepping het getal zes op. Er waren immers zes scheppingsdagen. Augustinus toont dan de volmaaktheid van het getal zes aan: ‘Zes is namelijk het eerste getal dat vol wordt gemaakt door zijn eigen delen, dat wil zeggen door zijn zesde deel, zijn derde deel en zijn helft, respectievelijk één, twee en drie, die bij elkaar opgeteld zes geven’. Daar was ik nou nooit op gekomen.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s