Augustinus – Stad Gods vanaf boek XII

XII. Zo ongeveer op de helft van dit enorme betoog ging het in dit boek erom dat de lezer een juist idee zou krijgen van de schepping van de mensen. Daarbij werd de oude griekse idee van een kringloop van de zielen en de geschiedenis uitvoerig en uitbundig weerlegd.

Even een echt Augustinus-citaat over het gelukzalige schepsel: ‘ Het wordt gelukzalig door de verwerving van datgene door welks verlies het ongelukkig wordt’ (542)…

XIII. In dit boek staat de schepping van de mens centraal. Het bijbelse scheppingsverhaal wordt van alle kanten bekeken en vergeleken met wat filosofen er wel niet van dachten. Verder gaat het hier erg over zonde en dood. De mens is vanaf zijn geboorte bezig dood te gaan… Er wordt ook een onderscheid gemaakt tussen de eerste mensen voordat ze ‘ongehoorzaam’ werden en de mens die zich door het geloof mag verheugen in eeuwige gelukzaligheid, zoals Augustinus dat zou zeggen.

XIV. Opnieuw gaat het over die twee steden; de ene waarin mensen volgens de geest heten te leven en die andere waar mensen dan het vlees navolgen, om een beetje in de taal van Augustinus te blijven. Al gauw gaat Augustinus dat vlees verder fileren; het gaat over toorn en lust. Dat leidt tot negatieve berichten over sexualiteit en bespiegelingen over sexualiteit voor de zondeval,  een term die Augustinus hier overigens niet gebruikte; hij spreekt meer van ongehoorzaamheid. Om zijn punten te maken put hij ook in dit boek uitbundig uit het boek genesis.

XV. In dit boek is de ontwikkeling van het menselijk geslacht van het paradijs tot de zondvloed aan de orde met oog voor de beide steden. Daarbij komt A. wonderlijke problemen tegen die uiteraard verhelderd moeten worden. Het lijkt erop dat hij op deze manier de bijbelse geschiedenis gaat voortzetten in het volgende boek…

XVI. Op zoek naar de twee steden in de bijbelse geschiedenis van na de zondvloed tot David. Tussendoor komen er wel wat opmerkelijke dingen voorbij. In het achtste boek bijvoorbeeld de opsomming van wonderlijke mensen die Plinius in zijn anthropologie ook noemde. En dan op blz. 746 het vermoeden van een ronde aarde. In 17 wat geografie en dan wat minder vrolijk op blz 782; sprekend over Jacob en Ezou zegt hij: ‘De woorden: ” De oudste zal de jongste dienen” zijn door nagenoeg al de onzen zo begrepen, dat het oudste volk, de Joden, dienstbaar zou zijn aan het jongere volk, de christenen.’  Een bron voor theologisch semitisme?

XVII. Met een hink-stap-sprong gaat het verder door het OT en dat dan met grote aandacht voor christologische profetie en een hoop allegorie. Augustinus doet dat op een manier die nu door de kritische bijbellezer niet geaccepteerd zou worden. Hier en daar heeft zijn uitleg wat anti-semitische trekjes. Overigens klinkt er met betrekking tot de uitleg van psalmen een goede opmerking: Geen hap-snap werk maar graag een uitleg van de hele psalm…

XVIII. Nu is er zo ongeveer vanaf Abraham aandacht voor die andere stad. We doorwandelen de geschiedenis van Assyrië, Griekenland en Rome met parallellen naar de bijbelse tijd. Dit gaat door tot na de Romeinse koningen en vervolgens gaat Augustinus verder met het OT, met de profeten. In deze boeken is hij naarstig op zoek naar Christologische verwijzingen en weet hij er ook heel veel te vinden. Hij weet ook een wonderlijke verwijzing naar Christus op te dissen uit de Eritrese Sybillen uit de Trojaanse tijd…[ Op blz. 857 over de achterstelling van vrouwen in de Atheense samenleving]. Na die profeten komen de griekse filosofen nog aan de beurt. Daarna gaat het in het NT verder tot na de tijd van de apostelen en vernemen we nog het nodige over het ontstaan van de LXX (boeken 42 en 43).

XIX. In dit boeken zitten we meer in de filosofie en de theologie. Augustinus onderzoekt het filosofisch leven, het leven van die andere stad, scheert daarbij niet alles over één kam, maar concludeert uiteraard dat dat toch beperkt is. De samenleving komt meer in beeld en daarmee ook thema’s als oorlog – zelfs de rechtvaardige oorlog wordt genoemd (blz. 952) – en vrede. Het recht en de staat komen aan bod en tussendoor het bisschopsambt.

XX. In dit boek heeft Augustinus Oude- en Nieuwe Testament uitgemest om wat te kunnen zeggen over het laatste oordeel. En passant wordt de optie van de chiliasten afgewezen. Opmerkelijk voor mij was de identificering van satan gebonden tijdens het duizenjarig rijk met het binden van de sterke in Mc. 3:27 en parallelle teksten. Verder dus een enorme waterval aan teksten over dat laatste oordeel en Augustinus’ bespiegelingen daarover.

XXI. Eeuwige straf voor de duivel en zijn aanhangers. Je zou zeggen; daar kan je kort over zijn, maar Augustinus dacht daar duidelijk anders over, want er valt gelukkig weer van alles te weerleggen. Wat te denken van het volgende probleem: Hoe kan iemand eeuwig in een vuur zijn zonder helemaal te verbranden en te verdwijnen? Een netelige kwestie waar hij zich goed uit denkt te redden door met allerlei voorbeelden uit de natuurwetenschap te komen. Ook hier is Plinius, naast andere bronnen, als serieuze bron gebruikt. In het 17e hoofdstuk wordt de alverzoening van Origenes weersproken net als verderop andere dwalingen…

XXII. Dan de eeuwige gelukzaligheid. Een voorproefje daarvan brengt het idee alleen al dat dit werkelijk het laatste boek is van dit werk dat echt schandalig lang is. Had Augustinus asperger!? Bovendien; bestonden er geen redacteuren die een schrijver liefdevol konden helpen om grote en overbodige delen van hun werk in de prullenbak te doen belanden? Bah, het lijk internet wel… In dit boek trekt Augustinus opnieuw flink apologetisch van leer. Om het ongelofelijke van een lichamelijke opstanding te weerleggen komt hij met een hele reeks aan wonderverhalen. Dan volgt er nog een lofzang op de schepping als vooruitblik van de toekomende wereld. Tot slot gaat hij in op de vraag hoe het  zal zijn.

Of hij het humoristisch bedoelde weet ik niet, maar hier volgt een deel van zijn slotwoorden: ‘Hiermee meen ik wel met Gods hulp de op mij genomen taak, dit enorme werk, ten einde heb gebracht. Wie het te kort of te lang vinden, mogen het mij vergeven’. Ik bedoel maar…

Mijn mening hierover is duidelijk en daarmee is een deel van de lol wel vervlogen. Een deel, want het blijft de moeite waard om kennis te maken met deze wonderlijke figuur, die zich zo kan vastbijten in een letterlijke bijbeltekst die wij nooit zo letterlijk zouden lezen. Andere accenten zijn heel herkenbaar, juist omdat hij zo’n grote invloed heeft gehad. Echo’s blijven doorklinken. Voor een deel zijn dat ook bijbelse echo’s want hij wil de bijbel hoog houden want dit is voor hem wel onfeilbaar woord, ook al zegt zegt hij het niet zo protestants.

Hoe dan ook, het is volbracht, om bij de tijd van het jaar te blijven.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s