Theun de Vries – Spinoza; beeldenstormer en wereldbouwer

Hè ja, eindelijk weer eens een boek van Theun de Vries gelezen. Ooit heb ik heus wel de bibliografie van deze veelschrijver doorgenomen, maar dat hij een biografie van Spinoza heeft geschreven was bij mijn niet blijven hangen. En toen kwam ik het boek uit 1972 tegen.

Ik heb het uit en ik moest denken aan het ketterboek dat ik ook ooit in ieder geval deels heb gelezen. Daar was ik toen niet echt enthousiast van, ik vond vooral de taal te gewichtig waardoor het boek extra ontoegankelijk werd. Dat vond ik dus.

Voor dit boek geldt dit helemaal niet. Natuurlijk is het door dezelfde man geschreven en is de taal niet opeens supersimpel. Dit is een goed geschreven heel toegankelijke biografie. De 17e eeuw komt goed aan bod. De Joodse gemeenschap in Amsterdam wordt besproken en hoe de jonge Spinoza in de leer ging bij de van den Enden die in Amsterdam een Latijnse school had geopend die een broeiplaats werd van on-orthodoxe ideeën. Jonathan Israel heeft daar natuurlijk ook uitgebreid over geschreven in Radicale Verlichting.

Nadat Spinoza uit de Synagoge was gezet vestigde hij zich aanvankelijk in Rijnsburg, later in Voorburg en toen hij stierf woonde hij in Den Haag, hij is Nota Bene in de Nieuwe Kerk begraven.

Toen hij nog in Amsterdam woonde had hij een clubje geestverwanten, leerlingen om zich heen zoals Koerbagh en Jarig Jelles. Later toen hij als lenzenslijper actief was en niet meer in Amsterdam woonde kreeg hij ook steeds meer contact met wetenschappers als Christiaan Huygens en andere onderzoekers die ook belang hadden bij zijn lenzenwerk.

De Vries veronderstelde een contact met de Witt en andere Haagse regenten die best blij moeten zijn geweest met de publicatie van het Theologisch-Politiek tractaat waarin afscheid genomen wordt van de bijbel als door een persoonlijke God geïnspireerd boek.

In het Politiek tractaat ging het meer over de samenleving en de regering ervan terwijl hij in de Ethica op een (voor mij redelijk ondoorgrondelijke) meetkundige strak logische manier schreef over een ethiek die leidde tot een stoïsche levenshouding in het besef dat God en natuur samenvallen.

Tegen het einde van zijn leven stond Spinoza in contact met wetenschappers uit omliggende landen. Voor velen was het gevaarlijk om daar over rond te vertellen. Spinozist was een scheldwoord, het drukken van zijn werk gevaarlijk (gebeurde onder een andere naam en met Hamburg als plaats van uitgave) en de Ethica werd pas jaren na zijn dood in het Nederlands uitgegeven.

Herman Melville – Moby-Dick

Het moest er een keer van komen. Ik weet niet hoe oud ik was toen ik nog dacht dat dit een kinderboek was. Op zeker moment begreep ik dat het helemaal geen kinderboek was, maar een classic die waarschijnlijk niet al te vaak wordt (uit)gelezen.

Het is een boek uit 1860 geschreven door iemand die zelf gevaren heeft en zich rondig heeft verdiept in de walvisvisserij. De roman is geschreven in de ik- vorm; het verhaal begint met call me Ismael, maar de ik raakt gaandeweg uit beeld om weer terug te keren in de epiloog.

Het verhaal begint met deze Ismael die op weg gaat naar Nantucket, het Amerikaanse walvisvaartplaatsje bij uitstek om daar met zijn zonderlinge nieuwe vriend Queequeg aan te monsteren voor een lange tocht met de Pequod.

De roman is ruim 100 pagina’s op streek wanneer de Pequod eindelijk uitvaart. In korte hoofdstukjes gaat het dan verder en dan hebben we nog steeds niet kennisgemaakt met Ahab, de zonderlinge kapitein die één kunstbeen heeft van walvisivoor.

En dan komt hij eindelijk eens uit zijn kajuit en houdt hij op zeker moment een toespraak waaruit blijkt waar de reis om gaat. Tijdens een eerdere tocht is hij op jacht geweest naar de witte potvis, Moby-Dick die tijdens het tumult zijn been eraf gehapt heeft. Immers, een potvis heeft in tegenstelling tot een gewone walvis een bek vol tanden. De Pequod gaat op reis om op zoek te gaan naar deze Moby-Dick om wraak te nemen, om hem toch eindelijk te vangen. Na deze toespraak is er één bootsman, Starbuck, die bezwaar maakt tegen het plan. Hij kan niet terug maar kan wel zeggen wat hij ervan vindt.

En dan gaat het verhaal verder. Niet recht-toe-rechtaan, want het verhaal wordt heel regelmatig onderbroken door informatieve hoofdstukken over de walvisvangst. Als je dit boek uit hebt dan heb je ook het idee dat je iets meer weet over die zonderlinge bedrijfstak en over walvissen. Hierdoor is de vaart uit het boek. Nou ja, die vaart was er al niet. In een mooie stijl, gelardeerd met voor mij veel onbekende woorden , ontwikkelt het verhaal verder en reizen we de hele wereld over terwijl heel langzaam met subtiele signalen de spanning toeneemt.

Ondertussen worden er walvissen gevangen en ontmoeten ze soms een ander walvisjagend schip. Zo horen ze van de aanwezigheid van Moby-Dick als ze in de zee ten zuiden van Japan zijn beland en dan komen we in de apotheose terecht. Er zijn al twee vergeefse pogingen gedaan om de potvis te vangen wat al een dode walvisjager en een kapotte boot heeft opgeleverd. En dan zegt Starbuck (p. 648) wat hij ervan vindt: Never, never wilt thou capture him, old man – In Jesus’ name no more of this, that’s worse than devil’s madness. Two days chased; twice stove to splinters; thy very leg once more snatched from under thee; thy evil shadow gone – all good angels mobbing thee with warnings: – what more wouldst thou have? – Shall we keep chasing this murderous fish till he swamps the last man? Shall we be dragged by him to the bottom of th sea? Shall we be towed by him to the infernal world? Oh, oh, – impiety and blasphemy to hunt him more!

Het boek gaat over Ahab die vast zit in zijn monomane haat en zijn voornemen om Moby-Dick te doden en zich te wreken. Over zijn onvermogen om los te laten, na twee mislukte pogingen zijn verlies te nemen. Dit is een lange literaire weg vol met scheepvaartjargon en andere lastig idioom, om dit thema onder de aandacht te brengen en zo hoop ik de roman ook te onthouden.

J.J. Voskuil – Binnen de huid

De roman die tussen ‘Bij nader inzien’, dat ik nog niet heb gelezen, en ‘Het Bureau’, waarvan ik deel 1 met plezier las, in zit, maar pas na de dood van de schrijver is uitgegeven (2009) terwijl het tussen 1964 en 1968 is geschreven.

Het is een eigenaardig boek en bovendien hoogst ergerlijk wat het ook wel een heel knappe roman maakt. Als iemand een roman van 427 pagina’s weet te maken die maakt dat je vanaf enkele pagina’s tot het einde je schoen wil opeten van ergernis, inhoudelijke ergernis, niet omdat het slecht is geschreven dus, dan is dat knap. En dat is hier dus aan de orde.

De roman is mij voorgelezen en dat heeft geruime tijd in beslag genomen. Niet door het aantal pagina’s, maar omdat we soms ook wel weer wat moed moesten verzamelen.

De roman gaat over Maarten – hier als ik- persoon en Nicolien die we kennen uit het bureau en over een ander stel, Paul en Rosalie, die misschien wel bekend zijn voor lezer van ‘Bij nader inzien’. Het zijn studievrienden. De studie zit er net op en beide stellen zijn getrouwd en logeren regelmatig bij elkaar. Paul is leraar geworden in Deventer waar ze net naartoe zijn verhuisd vanuit Amsterdam. Het boek begint met het eerste bezoek van Maarten en Nicolien aan de vrienden in Deventer.

Radicale bespiegelingen uit de studententijd spelen nog een rol. Zo vindt Maarten het aanvaarden van een baan als leraar verraad en wordt er het hele boek door geworsteld over de vraag wat een huwelijk eigenlijk is en of je trouw moet zijn of toch niet. Het is een roman over jonge mensen die nog heel erg de weg in het leven aan het zoeken zijn. Paul en Rosalie hebben al gekozen voor een meer burgerlijk en meer comfortabel bestaan. Maarten niet; hij doet wat vertaalwerk voor Henriëtte, een gemeenschappelijke vriendin waar ze allemaal wel een beetje jaloers op lijken te zijn. Zij heeft in ieder geval niet voor een burgerlijk leven gekozen. Ze is op haar ééntje naar Parijs gegaan.

Tot zover niets ergerlijks. Het ergerlijke zit ‘m in de relatie tussen deze vrienden die heel weinig laten merken dat ze vrienden zijn. Er wordt veel ruzie gemaakt of op zijn minst op een aanvallende toon gediscussieerd en steeds gaat het over levenskeuzen die niet vol te houden zijn, verwijten burgerlijk te zijn of niet consequent. Het wordt allemaal echt ergerlijk wanneer blijkt dat Maarten en Rosalie verliefd op elkaar zijn maar daar eigenlijk niets mee willen en niets mee kunnen. Rosalie gedraagt zich heel uitdagend waarbij je je ook geërgerd kan afvragen waarom Nicolien geen einde maakt aan deze vriendschap. Maarten blijkt en angstige weifelkont. Dan komt het ene stel naar Amsterdam en dan gaat het andere naar Deventer en steeds is het maar gedoe en komt het allemaal nauwelijks verder. Hou er mee op of doe wat!

Het wordt allemaal steeds beroerder en ingewikkelder, ongemakkelijker zeker wanneer blijkt dat Paul en Nicolien ook een verhouding hebben. Daar komen we pas laat achter omdat de roman heel consequent vanuit Maarten is geschreven en hij steeds minder aandacht heeft voor Nicolien. De verhouding tussen haar en Paul, mogelijk gefaciliteerd door Maarten en Rosalie, ontgaat hem volledig en van Nicolien en de andere zien we alleen het gedrag zoals Maarten dat ziet.

Bijna komt het zover dat Maarten en Nicolien uit elkaar gaan. Het boek eindigt fraai met de sneltrein waar Paul in zit die voorbij raast terwijl de stoptrein waar Nicolien in zit aankomt.

De rode achterlichten verdwenen schommelend in het donker. Het was opnieuw stil. De man met de bezem kwam langzaam dichterbij. Tegenover me kwamen mensen op het perron. De bomen gingen dicht. De koplampen van de trein kwamen de hoek om. Hij minderde vaart en reed het station binnen. Ik wachtte tot hij stilstond. toen draaide ik me om en liep langzaam om het gebouw heen naar de uitgang.

Over de titel dan. Iedere nederlaag was de keerzijde van zelfoverschatting en zelfbedrog. Over een dergelijke ontmaskering moest ik verheugd zijn. Bij de huid hield het op. Daarbinnen was ik onkwetsbaar (p.387). Als lezer twijfelde ik enorm over deze uitspraak. De titel gaat naar mijn idee ook over mij als lezer. Dit ergernisveroorzakende boek gaat zelf onder de huid zitten.

De stijl is, net als in het bureau, droog en met korte zinnen beschrijvend. Voskuil gebruikt veel dialoog vol vloeken en mieters.

En wat vond je er nu van? Het is een boek waarin vrijwel niets gebeurt. Dat is knap. Is het misschien te dik, had er meer gestreept moeten worden? Ik twijfel daarover. Ik ben bang dat de lengte en de traagheid wel bijdragen aan het effect. Ik ben bang dat ik dit toch ondanks of dankzij alle ergernis een knap boek moet vinden.

Jules Evans – Filosofie voor het leven en andere gevaarlijke situaties

Een toegankelijk filosofieboek dat de link legt tussen wat de schrijver noemt de Socratische traditie en tegenwoordige cognitieve gedragstherapie.

De structuur van het boek is als een dagprogramma aan een filosofische school. Het begint allemaal met een morgenappèl met Socrates en dan gaat het verder met een ochtendsessie met Epictetus. In dit boek gaat het niet om harde filosofie van Kant of Descartes. Nee, het gaat om levenskunst, het gaat om de vraag hoe we een gelukkig en vervuld leven kunnen leiden.

Zo was Socrates volgens de dialogen van Plato steeds maar bezig om gesprekken aan te knopen en lastige vragen te stellen. En zo stelden de Stoïcijnen steeds de vraag wat je nu zelf in de hand hebt en wat niet. Over dingen die je niet in de hand hebt hoef je niet van streek te raken. We moeten verantwoordelijkheid nemen juist voor die gedachten waar we wel verantwoordelijkheid voor hebben, voor de dingen die we wel in de hand hebben. Dit was kort door de bocht de denkwijze van Epictetus, Marcus Aurelius en Seneca.

Met Epicurus komen we meer bij de neiging zich terug te trekken uit de samenleving en het genot voorop te stellen. Dit betekende trouwens een heel sober genot en zeker geen enorme zwelgpartijen. ‘Waarom stellen we de vreugde steeds weer uit’? Het gaat bij hem om de kunst van het genieten.

Na de behandeling van mystici en sceptici (het cultiveren van twijfel) gaat het over Plato. Over de dialogen, maar uiteindelijk ook over de Staat en de Wetten waar Evans duidelijk minder negatief over is dan Popper. Centraal staat het verlangen naar waarheid, ‘de fundamentele gedachte van Plato is dat de delen verbonden zijn met het Geheel, met het Absolute, zo zegt en Alexander tegen de schrijver.

En dat had ik nog niet verteld. Het boek staat naast de informatie over deze klassieke filosofen vol met ontmoetingen met mensen die hun leven in lijn van een van hen hebben ingericht. Daarnaast zijn er nog de persoonlijke bespiegelingen en belevenissen van de schrijver. Dat maakt het boek heel leesbaar en dat het verkeert op de grens tussen filosofie en zelfhulp.

Plutarchus was de man van de levensbeschrijvingen, voorbeelden om na te volgen als middel in het onderwijs.

Met Aristoteles, de leerling van Plato en leraar van Alexander de Grote, komen we wat meer met de voeten op de grond en wordt ook meer verbinding gelegd met andere mensen, het ging meer over politiek, ethiek en de menselijke psyche. ‘Volgens Aristoteles zijn veel deugden sociaal, zoals een goed humeur, vriendelijkheid en geduld. Dat betekent dat we het goede alleen samen kunnen beleven’ (237). Aristoteles werd de grote held van de Middeleeuwse kerk en van Thomas.

Tegen het einde van het boek wordt de link gelegd richting het Buddhisme en zo de stelling bestreden dat het hier wel erg om westers denken gaat. En dan besluit het boek met de Dionysische denkwijze. Lichamelijkheid, dansen, leven en niet te veel somberen. Valt daar niet veel meer voor te zeggen?

Lidewijde Paris – Hoe lees ik?; met inspirerende voorbeelden uit de literatuur.

Een heel geinig boek uit 2016 dat dus gaat over het lezen van romans en korte verhalen. Het gaat over veel van wat je je kan afvragen tijdens het lezen. Over de structuur, over wie er eigenlijk aan het woord is, over de tijd en waar het verhaal eigenlijk begint. In het midden of gewoon aan het begin? En dan; zijn er vergelijkingen of metaforen? Speelt de context een rol? Is er sprake van intertextualiteit of intratextualiteit?

Wat zo aardig is, is dat deze vragen heel vriendelijk en enthousiasmerend worden besproken aan de hand van fragmenten die soms best een aantal pagina’s voortduren.

De voorkant van het boek zegt eigenlijk al veel….

Annet Schaap – Lampje

Huh, een kinderboek!? Jazeker, het is me op prachtige wijze voorgelezen en ik heb intens meegeleefd met het verhaal dat in 2018 de Woutertje Pieterse prijs heeft opgeleverd.

Het is een prachtig en ontroerend verhaal over de dochter van de vuurtorenwachter; een man die voorheen piraat was, maar in een gevecht om een vrouw – de latere moeder van lampje – zijn been heeft verloren om vervolgens om te scholen. En daar hebben we meteen een leuk ding aan dit boek. Hier kom je als lezer pas veel later achter. Het is dus een boek met aanvankelijk veel open ruimte, die later door effectieve flash-backs wordt ingevuld.

De taal is eigentijds en gedetailleerd. Het verhaal speelt in een onbepaald land aan zee en in een onduidelijk verleden. Je kunt concluderen dat het zo’n dikke honderd jaar geleden moet zijn geweest, maar eigenlijk doet dat er niet toe.

Wat betreft emoties komen de lezer en de luisteraar voldoen aan hun trekken. Het gaat om droefenis, angst, loyaliteit, vriendschap, boosheid, compassie en vast nog meer. En waar het boek dan verder over gaat? Nee zeg, lees het zelf maar.

Bijzonder dat iemand die bekend is geworden als illustrator zo’n fijn boek bleek te kunnen schrijven.

NL literatuur in de 17e eeuw…

Nederlandse Literatuur, een Geschiedenis, uitgegeven door Martinus Nijhof, Amsterdam (1993) is een wonderlijk boek waar ik eerder naar verwees. Zoals de voorkant zegt: Honderdvijftig evenementen en wat er literair aan vast zit. En dat dan bijeen geschreven door een keur aan specialisten. Het boek is misschien al wat gedateerd, maar dat leek mij niet zo’n ramp gezien het feit dat het mij nu om de 17e eeuw ging. Wat dit is wat ik heb gedaan, ik heb alle hoofdstukken over deze periode gelezen en dat leverde de volgende caleidoscoop op:

8 juli 1600; P.C. Hooft schrijft uit Florence een rijmbrief aan de Amsterdamse rederijkers door E.K. Grootes. Over de grande tour van Hooft en de invloed ervan op zijn werk

1613; De drukker Dirck Pietersz. Pers laat Vondel nieuwe bijschriften maken bij een reeks emblematische gravures door Hans Luijten. Een leuk artikel over het embleemboek dat razend populair was. Eigenlijk een plaatjesboek met leerzame begeleidende teksten.

24 september 1617; Inwijding van de Nederduytsche Academie door Mieke B. Smits- Veldt. Samuel Coster van de rederijkerskamer De Eglentier zette op de Keizersgracht een gebouw neer om cursussen te volgen en toneel te zien. Een soort volksuniversiteit. Eenderde van de opbrengst ging naar het Burgerweeshuis. Na de staatsgreep van Maurits was het gedaan met de colleges en in 1622 werd de boel gesloten.

9 april 1622 Cornelis Lodewijcksz. van der Plasse ontvangt een privilege van de Staten-Generaal voor het drukken van alle werken van Bredero (E.K. Grootes). Een artikel dus over het Groot lied-boek van Bredero dat ik hier in de uitgave van Tjeenk Willink/Noorduijn (Den Haag 1979) mét muzieknotatie van de al bekende deunen waar Bredero zijn liederen bij maakte.

7 en 8 november 1622; Opgraving van het lichaam van Jan van Ruusbroec (K. Porteman). Over de mystieke heropleving in de Zuidelijke Nederlanden.

6 augustus 1625; Vondel draagt De Amsterdamse Hecuba op aan Antonis de Hubert (A. van Strien). Een artikel over de worsteling om tot meer eenduidigheid te komen in het gebruik van de taal.

17 augustus 1630; Huygens stuurt Hooft twee vertalingen uit de gedichten van John Donne (A. van Strien). Over de poëzie uit die tijd en met name die van Huygens.

17 september 1637; De nieuwe bijbelvertaling wordt aangeboden aan de Staten-Generaal (H. Duits). Daar is-ie dan, de Statenvertaling als kakelnieuw resultaat van het besluit van de synode uit 1618.

3 januari 1638; De opening van de Amsterdamse Schouwburg (Lia van Gemert). Het plan was om de opening feestelijk op tweede Kerstdag 1637 te doen met het nieuwe toneelstuk van Vondel: Gysbrecht van Aemstel, het stuk dat op die dag speelt en gaat over de verwoesting van Amsterdam in 1304. Vondel gebruikte deze geschiedenis om over het meer recente verleden na de laten denken. In het stuk zaten Katholieke liederen en dat kon natuurlijk niet en zo vond de uitvoering en dus de opening pas plaats op 3 januari van het nieuwe jaar.

12 februari 1642; Huygens wijdt zijn nieuwe buitengoed Hofwijck in; poëzie van het buitenleven (Willemien B. de Vries).

16 januari 1643; Uit naam van Frederik Hendrik stuurt Huygens een zilveren kan en schotel aan Hooft als dank voor de Neerlandsche Historiën; de betekenis van de vaderlandse geschiedenis voor de literatuur (Marijke Meijer Drees). Hoofd deed mee met een trend om zich met de eigen recente geschiedenis bezig te houden om daarmee iets bij te dragen aan de identiteit van de als los zand aaneen hangende federatie. Het werd zijn levenswerk.

30 december 1645; De koningin van Polen bezoekt de Amsterdamse Schouwburg, waar te harer ere onder andere de klucht Lichte Klaarte zal worden opgevoerd. Klucht en blijspel (R. van Stipiaan). Over de ontwikkeling van de klucht naar een iets meer fatsoenlijke vorm onder invloed van het genootschap Nil volentibus arduum.

Najaar 1649; Jan Six van Chandelier overnacht in Toulouse; drie anti-idealistische dichters (M.A. Schenkeveld-van der Dussen). Over dichters die zich verzetten tegen het leerzame, verstandige en devote. Daar hoorden ook bij Matthijs van de Merwede van Clootwijk (1613-1664) en Willem Godschalk van Focquenbroch.

20 oktober 1653; Amsterdamse schilders eren Vondel met een lauwerkrans als het Hoofd der Poëten; de ontwikkeling van Vondels dichterschap (E.K. Grootes).

17 juni 1660; De zuster van de Engelse koning Karel II houdt een intocht in Amsterdam. Daarbij wekt een ‘tableau vivant’ van Jan Vos haar afschuw; over dichters als maatschappelijke en politieke commentatoren (Mieke B. Smits-veldt). Een artikel waarin vooral Jan Vos, hoofd van de Amsterdamse schouwburg en dichter, in het zonnetje wordt gezet. Hij was het die je erbij moest hebben bij feestelijke intochten en dit soort van ontvangsten.

22 februari 1667; Inwijding van de Hollandse Schouwburg in Stockhom, ofwel, De Nederlandse literatuur buiten de Lage Landen (Arie Jan Gelderblom). Een leuk artikel waarin wordt beschreven hoe men in het hele Hanze-gebied best wel wat Nederlands verstond. En zo kon het gebeuren dat helemaal in Stockholm een Nederlandse Schouwburg werd geopend. Een hoofdrol speelde Jan Baptist van Fornenbergh wiens levensverhaal een roman waard is die er misschien allang is.

26 november 1669; De optichtingsvergadering van Nil volentibus arduum, ofwel, het Frans-classisme verovert de schouwburg (Ton Harmsen). Het latijn staat voor ‘niets is moeilijk voor hen die willen‘ en de beweging stond voor een nieuwe kijk op het toneel.

Oudejaarsavond 1675; Cornelia van der Veer schaduwt Katharina Lescailje als deze van het huis van haar vriendin Sara de Canjoncle naar dat van haar zuster gaat, ofwel, het vrouwelijk aandeel (Marijke Spies). Een geheimzinnige titel voor een artikel over de vrouwen in de poëzie. De genoemde dames komen aan bod, maar ook bekendere vrouwen zoals Anna Roemers en Tesselschade.

1676; Wouter Schouten publiceert zijn Oost-Indische voyagie. Reisteksten (Marijke Barend van Haeften). Een nieuw genre, waarvan het bekendste werk is Journael ofte gedenckwaerdige beschrijvinghe van de Oost-Indische reys van Willem Ysbrandsz. Bontekoe van Hoorn.

Oktober 1678; Amsterdamse boekverkopers vragen om maatregelen tegen venters van ‘allerhande vuyle en schandaleuse Boeckjens’; over de verspreiding van populaire literatuur (P.J. Verkruijsse). Een artikel dus over de minder literaire genre zoals almanakken en pamfletten die aftrek vonden bij gewone burgers waarvan er opmerkelijk veel konden lezen, wat het gevolg was van beleid. Mensen moesten immers de bijbel kunnen lezen…

Maart – mei 1682; Joannes Vollenhove correspondeert met Geeraardt Brandt over diens Leven van Vondel. Het begin van de Nederlandse literatuurgeschiedschrijving (M.A. Schenkeveld- van der Dussen). Deze Brandt was de biograaf en vriend van Vondel en schreef ook over Hooft. Het artikel gaat ook in op de wisseling van de wacht, want met de dood van deze dichters werd er een tijdperk afgesloten.