Nir Baram – Aan het einde van de nacht

Een roman verteld door een alwetende verteller die het meest vanuit de hoofdpersoon, Jonathan, vertelt. Ik vond het trouwens een wat taai boek met soms prachtige passages en ook momenten die vroegen om even stug door te bijten. Het is ook een treurig boek. Het treurigste is misschien wel dat het einde van de nacht nog niet heel overtuigend in beeld komt.

De roman begint als Jonathan en Israëlische schrijver getrouwd met Sjira, ergens in de derdig en vader van de nog jonge Itamar in Mexico-Stad is voor een soort schrijverscongres. De roman gaat ook over schrijven. Gaandeweg het verhaal keren we nog een aantal keer terug naar Mexico waar het congres allang is afgelopen en waar Jonathan wat blijft hangen; hij wil nog niet naar huis, probeert wat te schrijven en maakt er eigenlijk een zooitje van.

De roman gaat over de relatie tussen Jonathan en Joël. Ze zijn vanaf de kindertijd onafscheidelijk en leven samen in een enorm verhaal dat ze hebben verzonnen. Er is ook iets met de wadi nabij de flats waar ze wonen. Daar hebben ze hele graafprojecten voltooid, maar daar heeft in de mist ook een raar incident plaatsgevonden met Joël. Vanaf de tienertijd komt de vriendschap regelmatig onder druk te staan en nadat ze hebben gestudeerd blijkt Joël depressief te zijn.

Wat ook nog speelt is de moeizame relatie tussen Jonathan en zijn moeder die kanker heeft en op zeker moment daaraan overlijdt. Tegen het einde van de roman, als Jonathan nog in Mexico is pleegt Joël zelfmoord. Is dat het einde van de tunnel? Voor hem wel misschien en ook voor deze vriendschap waar een weeffout in lijkt te zitten.

Het is een wat weerbarstige roman die speelt in de huidige tijd. Echt sympathieke personages kom je niet tegen of worden weinig uitgewerkt. De kracht van het boek zit ‘m naar mijn smaak in de vele open ruimtes die er zijn.

Multatuli – Max Havelaar

Het moet rond mijn zestiende of zeventiende verjaardag zijn geweest dat ik het boek heb gelezen. Ergens in die tijd kreeg ik het cadeau en heb ik het daadwerkelijk gelezen. En het maakte indruk.

Nu is het boek me integraal voorgelezen nadat ik de biografie van Douwes Dekker had gelezen én terwijl ik de brieven heb gelezen uit 1859, 1860, de brieven dus die geschreven zijn rond het schrijven en uitgeven van de roman.

Hoezo roman, zou Multatuli zeggen. En inderdaad, delen van het boek lezen als een roman en sommige delen niet en het slot zeker niet. Het boek is bedoeld als aanklacht en juist niet als roman om voor je plezier te lezen en vervolgens in de hoek te gooien. Multatuli wilde door het boek de publieke opinie beïnvloeden. Mensen moesten horen over de onderdrukking van de Javaan en hoe het hem niet lukte er iets aan te doen.

Het is nog steeds een listig verpakt verhaal dat koddig begint in Amsterdam waar ene Droogstoppel, makelaar in koffie de arme Sjaalman ontmoet van wie hij een pak papier krijgt, in feite de inhoud van de roman. Zijn stagiair organiseert onder anderen met zijn zoon een soort voorleeshappenings waarin dus het Indische deel van het verhaal wordt verteld. Deze Amsterdamse delen van de roman lezen nog steeds prima. Eigenlijk geldt dat voor de hele roman, maar als het gaat om verwikkelingen in het bestuur van Lebak wordt het soms wat taai.

Pas tegen het einde komt de schrijver zelf aan het woord met zijn aanklacht tegen de koning. Ik wist dat het ging komen en kon me ook nog herinneren hoe ik destijds onder de indruk was geweest van het slot. En ik was opnieuw gegrepen. Het blijft een bijzonder boek met veel kleuren en nog steeds met een boodschap.

Afgelopen week las ik dat het boek nu net als Woutertje Pieterse als strip is uitgebracht opdat wij niet vergeten

Het belangrijkste werk uit de Nederlandse literatuur is ter gelegenheid van het Multatuli jaar bewerkt tot een graphic novel door Jos van Waterschoot (oud conservator van het Multatuli huis) en Eric Heuvel, gevierd auteur van De ontdekking en Quaco – leven in slavernij. Hierdoor bereikt de Max Havelaar een nieuw (jong) publiek maar is het voor iedereen die bekend is met het werk tevens een unieke ervaring om de Max Havelaar nu als graphic novel te beleven (gekopieerd van Strips & zo).

Drie maal van Lennep

Jaren geleden verwierf ik het ietwat beduimelde boek Nederland in den goeden ouden tijd over de rondreis door Nederland van twee jonge net afgestudeerde lieden, Jacob van Lennep en van Hogendorp. Ik had het boek nog niet gelezen, maar trof ondertussen De zomer van 1823, Lopen met van Lennep; dagboek van zijn voetreis door Nederland bezorgd door Geert Mak en Marita Mathijsen (Waanders, Zwolle 2001). Ook dat is nu ook alweer jaren geleden, maar ik ben de boeken nu aan het lezen; vooral de nieuwe versie. En toen ontdekte ik dat dat mijn oude versie een eerste druk is. van Lennep en Hogendorp hebben in 1823 in plaats van een Grande Tour een voetreis door Nederland gemaakt en daar beiden aantekeningen van gemaakt. Heel vaak eindigt een hoofdstuk met de opmerking dat ze in een herberg vertoeven, lekker hebben gegeten, hebben geschreven en naar bed zijn gegaan. Vervolgens stonden ze deksels vroeg op. De aantekeningen zijn bewaard gebleven en in 1942 uitgegeven door W. de Haan te Utrecht volgens het nagelaten manuscript van Mr. Jacob van Lennep verzorgd door M. Elisabeth Kluit. En dat is de editie die ik dus al jaren heb.

Het is een koddig niet al te diepgravend boek dat wel een blik gunt op het Nederland van bijna 200 jaar geleden. Een land dat wat stilstond en vaak in verval was. Een land waar men te voet reisde of anders per trekschuit of koets. Er was geen spoor, er was geen fiets er was geen auto er was geen telefoon. Lemmer lag aan zee en de Zeeuwse eilanden erin. Het was een totaal andere wereld en toch keek van Lennep heel herkenbaar rond met oog voor vervallen huizen, vruchtbare grond en mooie vrouwen (en minder mooie). Het is dus leuk om te lezen, maar geen echte kennismaking met de schrijver van vaak historische romans die van Lennep zou worden.

In 1836 kwam De roos van Dekama uit, de tweede roman geschreven door van Lennep. Allerlei schrijvers waren in navolging van Walter Scott historische romans gaan schrijven en dat gold dus ook voor van Lennep. Het is een soort raamvertelling die begint met een voetreis van twee jonge lieden, de een econoom, de ander historicus. Hier gebruikt hij zijn eigen rondreis als basis voor het ‘raam’. Als ze in Friesland zijn komen ze in aanraking met een manuscript met recepten dat uiteindelijk een geschiedenis blijkt te bevatten.

En terstond verder lezende, ontdekte hij dat het volgende een Latijnsch verhal bevatte van den slag bij Sint Odulfs klooster in den jare 1345 gestreden, maar doorvlochten met zoodanige omstandigheden, bijzondere personen en gebeurtenissen betreffende, als welke onzen kronijkschrijvers onbekend zijn gebleven althands niet door hen vermeld worden.

En zo belanden we dan als lezer in de 14e eeuw en in verwikkelingen tussen Holland en Friesland en wat niet al. Ik heb de roman verder (nog) niet gelezen, wel een belangrijk deel van het nawoord van Joke van der Wiel waarmee deze editie (Atheneum – Polak & van Gennep, Amsterdam 2003) wel heel erg de moeite waard is.

Deel 10 van het verzameld werk van Multatuli, verzorgd door Garmt Stuiveling voor van Oorschot (Amsterdam 1959), bevat brieven en documenten uit de jaren 1858-1862. Douwes Dekker is dan nog maar net terug uit Indië en worstelt om aan geld te komen en om zijn zaak te bepleiten. In de herfst van 1859 vertoeft hij in Brussel terwijl zijn Tine met de kinderen in Nederland is. Veel van de brieven zijn dan ook aan haar gericht. En dan, in drie weken tijd, schrijft hij zijn Max Havelaar waar de correspondentie dus ook over gaat. Maar ja, een boek schrijven is één ding, een boek uitgeven is nog wat anders. En daar komt van Lennep, ondertussen gevierd schrijver, om de hoek kijken. Dekker en hij hebben contact gekregen en de eerste laat van Lennep zijn manuscript lezen en de oude schrijver is enthousiast. van Lennep zal het boek uitgeven, maar wil er nog wel wat aan veranderen. Op 10 januari 1860 schrijft Dekker aan van Lennep: Moet Max H. zijn staart missen? ’t Is er meê als de paradijsvogel. Het hele dier is om dien staart (het appèl aan de koning!) geschapen. Ja, morgen kom ik bij U maar eigenlijk ben ik verdrietig, want ik vrees dat gij mij niet verder zult helpen. Juist, het weglaten der data maakt M.H. tot een roman. – maar het is geen roman. ’t Is eene geschiedenis. ’t Is eene memorie van grieven, ’t Is eene aanklacht, ’t Is eene sommatie!

Op 14 mei 1860 stond de volgende advertentie in het Algemeen Handelsblad:

Bij J. de Ruyter, Boekverkoper, op den Dam bij de Kalverstraat, is heden uitgegeven: MAX HAVELAAR of de Koffy-veilingender Nederlandsche Handel-Maatschappy, door Multatuli, 2 Deelen à f 4.

Dave Eggers – The Circle

De roman van Eggers uit 2013 over een Google-achtig bedrijf, The Circle. Mae had na haar studie eerst een ander baantje gehad, maar is via haar studievriendin Annie bij de Circle komen werken, aanvankelijk bij het klantencontact, of eigenlijk cliënt experience. Zoals vaker bij bedrijven hebben we met een taalspel te maken en zo is het bedrijf ook ingericht: als een geweldige plek om te zijn voor alle medewerkers. Aan alles is gedacht. Er zijn feesten, lezingen, presentaties en dat in een super prettige omgeving. Wie wil daar niet werken?

Op haar eerste werkdag wordt Mae rondgeleid door Annie, die een belangrijke positie heeft verworven in het bedrijf, en ze valt van de ene in de volgende verbazing. Het is een bedrijf van controle. Alle scores in het klantcontact worden bijgehouden. Bovendien wordt Mae gestimuleerd om op sociale media – onderdeel van het bedrijf – heel actief te zijn. Wat ze dan ook doet. Er komen reacties en volgers en zo wordt ze erin gezogen. Ze gaat zelfs als een van de eerste met een camera lopen zodat iedereen alles van haar kan volgen en dat gebeurt dan ook .

Maar er komt tegengas. Haar ouders zijn aanvankelijk trots en blij, later niet meer en haar vroegere partner is heel kritisch. En dan is er de mysterieuze Kalden. Hij lijkt een soort collega te zijn, maar niemand lijkt hem te kennen en hij is meestal onvindbaar.

Gaandeweg wordt de wereldwijde invloed van het bedrijf steeds groter en gaat Mae steeds onvoorwaardelijker mee. En dan blijkt deze Kalden de oprichter van het bedrijf te zijn, de nerd die ondertussen is overvleugeld door zijn kompanen. Hij heeft oog voor de grote gevaren van The Circle en probeert Mae hiervan te overtuigen zodat ze een proclamatie kan voorlezen en ze samen de benen kunnen nemen. Dat zou een prachtige apotheose zijn. Alleen, ze doet het niet.

Een roman met een boodschap; dat kan geen goede roman zijn. L’ art pour l’art. Er valt iets voor de stelling te zeggen, maar hier hebben we misschien met een uitzondering te maken. Eggers had het met What is the What eerder gedaan en ook toen heb ik me laten meenemen. Dat gebeurde nu dus ook.

Olf Praamstra – Busken Huet; een biografie

Een verhaal over de in 2007 door SUN uitgegeven biografie van Busken Huet. Die naam was ik wel eens tegengekomen als schrijver van ‘Het land van Rembrandt‘ en recent terwijl ik de biografie van Multatuli las. En toch, ik was bij aanvang van de lezing van dit boek een volslagen onbeschreven blad.

Conrad Busken Huet (Den Haag 1826-1886, Parijs) komt uit een familie van Waalse predikanten. Zijn vader was dan wel een soort ambtenaar; theologiestudie was in de familie iets normaals. Het was ook voordelig want er kon een beurs van de Waalse kerk aan vastzitten. Zo is de jonge Huet in Leiden theologie gaan studeren. Dat deed hij met bijzondere belangstelling voor de ontluikende moderne theologie (Tübingen) die werd gedoceerd door hoogleraar J.H. Scholten. Zo kreeg Huet ook werk van Baur en Strausz onder ogen waar hij van smulde. Overigens had hij als student ook belangstelling voor het Saint-Simonisme, een soort proto-socialisme.

Busken Huet was welbespraakt, vaak geestig en heel geregeld onhandig in zijn uitspraken. Zo stond hij dikwijls op andermans tenen zonder dat zo goed door te hebben, maar vaak ook uit volle overtuiging. Dit maakte dat zijn aanstelling als predikant vertraging opliep. In 1850 werd hij eerst hulppredikant in Utrecht en een jaar later predikant in de Waalse kerk van Haarlem waar hij ik contact kwam met de uitgever Kruseman. Hij werd lid van de Haarlemse debatclub en leerde Anne vd Tholl kennen, met wie hij in 1859 trouwde. Voor die tijd schreef hij Brieven over de Bijbel, brieven aan Anne waarin hij de moderne theologie uiteen zette. Doordeweeks hield hij hierover ook avonden in zijn kerk. Het doel van het boek en de lezingen was om gewone kerkgangers bekend te maken met dit nieuwe denken en zo een soort nieuwe reformatie te ontketenen. Het boek werd door Kruseman uitgegeven terwijl hij voor hem ook bezig was met de correctie van het verzamelde werk van Bilderdijk.

In 1860 deed Huet samen met Vosmaer mee aan De Nederlandse Spectator. Hij onderging nu grote invloed van Sainte-Beuve en wilde kritieken leveren door een intensieve inleving in auteur en onverbloemd zeggen waar het op staat. Zo ontwikkelde hij zich steeds meer richting de literatuurkritiek en weg van de kerk waar zijn boek slecht was ontvangen. Hij verliet de kerk in 1862 en ging door de betrokkenheid van zijn vriend Potgieter aan de slag bij De Gids én bij de Opregte Haarlemsche Courant. Ondertussen bleef hij nog tot in 1864 maandelijks preken verzorgen, leerde hij Sarphatie, een soort Amsterdamse sociaal werker kennen en waarderen en werd hij eindredacteur van De Gisds. Nu kon hij helemaal los in zijn denken over literatuur en begon hij zoals hij in de kerk had huisgehouden nu ook in het literatuurbedrijf vooral af te breken. Zo moest veel poëzie (huiselijke rijmelarij) en ontgelden. Hij was eerder al van leer gegaan tegen het werk van de zeer vereerde Bilderdijk naar aanleiding van het verschijnen van diens biografie. Ook de eigentijdse romans waren beneden niveau in vergelijking met zijn standaard, het werk van George Eliot.

Schrijvend over die Nederlandse romans zegt hij dat hij niet begrijpt hoe iemand de betrekkelijk zeldzame gaven bezitten kan, noodig om zulke boeken te schrijven, en te gelijkertijd verstoken kan zijn van de uiterst gericht hoeveelheid doorzigt die mij toeschijnt gevorderd te worden om ze ongeschreven te laten (blz 333).

Als criticus heeft Huet een taak te vervullen. Hij wil door middel van zijn kritieken het niveau van de literatuur omhoog brengen. De auteur die een doel heeft buiten de kust ‘pleegt geweld aan de kunst’. Die opvatting verkondigt Huet keer op keer: of het nu gaat om godsdienstige, economische, vrijdenkers- of sociale ideeën (334).

Ondertussen is Huet met Potgieter als twee handen op een buik en beiden hebben ze geen gevoeligheid voor de gevolgen van sommige artikelen. Huet was bezig met het uitroeien wat de ontwikkeling van de literatuur in de weg stond. Dit leidde tot het einde van de samenwerking met Kruseman en uiteindelijk tot weerstand binnen de redactie van de Gids en het opstappen van Potgieter en Huet.

Huet stortte zich nu volledig op zijn werk voor de Haarlemse Courant, maar werd daar niet gelukkig van. Hij schreef een roman, Lidewijde, volgens zijn eigen principes. Realistisch en naturalistisch als Zola terwijl deze nog bekend moest worden. Briljant zou je zeggen, maar het zou duidelijk worden dat Huet vooral een heel goed criticus was en geen romanschrijver.

Ondertussen had Huet het geloof helemaal verlaten en dat gold ook voor zijn vriend Allard Pierson. Het moet eene wet in Nederland worden, dat geenerlei kerkelijke belijdenis de waarde van iemands karakter bepaalt; of laat mij liever zeggen, want ook die formule is nog voor tweederlei uitlegging vatbaar, onkerkelijkheid moet in Nederland eene aanbeveling worden even goed als kerkelijkheid en, bij voorkeur, meer dan deze (uit Ongevraagd advies p. 404).

Er verscheen een felle afkeurende recencie van Klaasje Sevenster, een roman van van Lennep, er was gedoe over een mogelijke terugkeer naar de Gids en de relatie met Potgieter kwam onder druk te staan.

En toen, in 1868 ging Busken Huet met Anne en Gideon naar Indië om voor de Java bode te gaan werken. De overtocht was door de regering betaald op voorwaarde dat hij van de bode een meer conservatieve krant zou maken. Eigenlijk had niemand hier een goed woord voor over, ook Potgieter niet.

Huet heeft tot 31 januari 1873 voor de Javabode gewerkt die ondertussen was overgenomen. Na gedoe begint hij een eigen courant; Algemeen Dagblad van Nederlands Indië. Onderhand was de Atjee-oorlog begonnen en de verslagen in het AD leken op die van het regeringsorgaan. Wat betreft politieke ideeën was Huet in ieder geval geen meeloper. Hij was onder de indruk van Napoleon III en van Bismarck, voor de sterke man dus, en tegelijkertijd voor algemeen kiesrecht. Voor Nederland zag hij wel een staatsgreep onder leiding van Willem III zitten om vervolgens het land goed te organiseren. Hierover ging het o.a. in zijn Nationale vertogen. Latere aanhaners van het Nationaal Socialisme in Nederland zagen in Huet een waardige voorloper (p. 563). En toch had hij ook sympathie voor Domela Nieuwenhuis.

Het contact met Nederland bestond voornamelijk uit een enorme correspondentie met Potgieter, ondanks het feit dat de relatie een deuk had opgelopen. Naast het AD gaf hij ook De Reisbibliotheek uit en keerde hij meer en meer terug tot waar hij goed in was: de literaire kritiek. Over George Eliot was hij heel enthousiast, de Nederlandse literatuur stond er volgens Huet treurig voor met Majoor Frans van Bosboom Toussaint als lichtpuntje. Met haar schreef hij ook regelmatig. Huet deed met Robert Bruces leerjaren nog een poging om zelf een roman te schrijver. Het boek is niet af en de conclusie helder: Huet is geen romanschrijver

Het AD van Nederlands Indië werd geen zakelijk succes ondanks het feit dat hij weer meer over literatuur schreef. Huet keert terug naar Europa, mede met het oog op Gideon die naar een degelijke school moet. Zijn neef wordt redacteur van het AD en zelf blijft hij betrokken bij dit bedrijf waar nog steeds schulden op drukken. Huet geniet een best inkomen, maar leeft chronisch op te grote voet en dus altijd in schulden.

Ze keren dus terug naar Europa, bezoeken Nederland weer, maar vestigen zich in Parijs, waar Gideon naar school gaat. Vanuit Parijs gaat Huet door met waar hij mee bezig was. Kritieken schrijven voor het AD en ook voor het tijdschrift Nederland. Hij gaat ook door met het op tenen staan waar hij maar tenen treft, ook al wordt hij gaandeweg wel iets milder. Over de staat van de Nederlandse literatuur blijft hij droevig gestemd terwijl hij meer en meer oog krijgt voor het talent van Zola hoewel deze naar de smaak van Huet regelmatig te expliciet is in zijn naturalisme. En dan verschijnen er artikelen over oude en nieuwe klassiekers met als topper Byron. Enthousiasmerende wegwijzers. Huet komt in 1880 terug bij de Gids onder anderen met een artikel over P.C. Hooft. En hij publiceert nu ook bij de Amsterdammer (die nog niet groen was). Ondertussen is Huet kritisch over de jonge generatie die bekend zou worden als die van ’80. De club van Perk, Kloos, van Eeden, Verweij en van Deijssel.

Huet wordt naast criticus steeds meer cultuurhistoricus en is zich erg bewust van de breedte en diepte van de Franse en de Duitse cultuur. Eigenlijk is hij een voorstander van aansluiten bij de de Franse taal en cultuur met Renan en Taine als grote voorbeelden. Dit is weer een voorbeeld van de driest plan waar hij geen handen voor op elkaar krijgt.

En toen begon hij aan een project waarmee hij nog steeds bekend is: Het land van Rembrandt (Nadat hij eerder Het land van Rubens schreef), een cultuurhistorische studie over Nederland in de 17e eeuw. Deel 1. was in 1882 af en deel twee in 1884. Het boek wordt redelijk goed ontvangen waar Huet heel blij mee is want het was ook wel een monsterklus.

Daarna keert hij terug naar zijn oude stil. Het schrijven van kritieken, in ieder geval voor de Indische krant, maar daarnaast voor andere kranten en bladen. Voor het eerst was er enthousiaste aandacht voor Tolstoi en Dostojevski en er ontstond meer waardering voor Zola. In 1885 verschijnt het eerste nummer van de Nieuwe Gids, het clubblad van 80. Hij vindt er niet veel aan. Op 1 mei 1886 sterft Huet plotseling terwijl hij aan het doen was wat hij altijd deed. Lezen en schrijven. Het leverde veel Nederlandse reacties op, waaronder een zure van Multatuli.

Een prachtige biografie waarmee veel inzicht ontstaat -bij mij dan- in het Nederlandse literaire leven van de 19e eeuw.

Jan Willem Studje – Ferdinant Domela Nieuwenuis

En dan hoort er nog een ondertitel bij: Een romantische revolutionair. Een biografie (Atlas-Contact 2012) waarvan blz. 371 tot 551 bestaan uit bronnen en noten. Ik was dus verbaasd toen het boek ineens uit was.

Ferdinant (1846-1919) kwam uit een Luthrs nest, zijn vader was predikant en professor in Amsterdam. Zelf heeft hij ook theologie gestudeerd, maar toen hij in Harlingen predikant werd had hij al meer belangstelling van onrecht en dus ook voor de brief van Jacobus, dan voor het evangelie. Hij stopte dus al gauw met deze tak van sport hoewel hij wel een religieuze inslag bleef houden en zich graag door de persoon van Jezus liet inspireren.

Tot driemaal toe trouwde hij een vrouw die Johanna heette en al deze vrouwen zijn gestorven. In ieder geval twee na de bevalling. Jaren later trouwde hij met Berthe, maar dat leidde niet echt tot een tof huwelijk.

Domela raakt steeds meer betrokken bij de sociale beweging en wordt zo’n beetje de voorman van de Sociaal Democratische Bond. Daarnaast was hij voor jaren betrokken bij Recht voor allen, de krant van de beweging.

Nieuwenhuis was een indrukwekkende verschijning met baard die goed kon spreken voor groepen. Dat deed hij dus ook en zo ontstond er een enorme aanhang. Tegelijk was hij ook niet makkelijk voor andere leiders uit de ontluikende wereld van socialisten en communisten. Zo zijn er heel wat relaties stukgelopen.

In 1894 was er zo’n conflict met Willem Vliegen met als gevolg dat de SDB verder ging als SDAP en Domela Nieuwenhuis verder ging met de Socialistenbond, een club die nooit enorm tot wasdom is gekomen. De strijd was gegaan over de vraag of revolutionairen hun doelen via het parlement moesten bereiken of juist niet. Nieuwenhuis vond van niet, ook al had hij wel – heel eenzaam – in het parlement gezeten.

De SDAP zag de socialistische toekomst ook ontstaan vanuit een sterk organisatie en een sterke staat. Nieuwenhuis vond dit steeds lastiger en ontwikkelde meer en meer richting het anarchisme. Zo ontstond er ook een breuk met de internationale beweging met Bebel, Liebknecht en Engels als voormannen. Hij kwam in contact met een internationale stoet aan veelkleurige anarchisten: Bakoenin, Merlino, Max Nettlau, Bernard Lazare, Johann Most, Augustin Hamon, Landauer, Tcherkesof, Kampffmeyer, F.S. Paul, Zimmerling.

Ondertussen begon de advocaat Troelstra – ook een vurig spreker – aan invloed te winnen onder de Nederlandse sociaal democraten.

In 1897 stapte Nieuwenhuis uit de socialistenbond en stopte hij na jaren met Recht voor allen. Daarvoor in de plaats begon hij De vrije socialist. In 1899 – een curiositeit tussendoor – opende geestverwant het eerste vegetarische restaurant van Nederland aan de Warmoestraat.

Naast vele artikelen en brochures schreef Nieuwenhuis de Geschiedenis van het Socialisme en Gedenkschriften.

In 1903 is er de grote staking, iets waar Nieuwenhuis erg naar uit had gezien. Hij was hier niet de echte voorman, maar speelde eerder een soort opportunistische rol.

Tijdens de hieropvolgende periode was Nieuwenhuis betrokken bij de antimilitaristische beweging. Hij kwam ook tijdelijk in contact met Gorter en Frederik van Eeden en hun alternatieve beweging.

Tijdens de eerste wereldoorlog werd Nieuwenhuis een oude man. Op zeker moment, ze woonden ondertussen in Villa Annie aan de Schooklaan in Hilversum, kreeg hij Parkinsonachtige klachten. Uiteindelijk zijn ze naar een etage in Amsterdam verhuisd waar Nieuwenhuis in 1919 overleed wat hele volksstammen op de been bracht want hij was nog steeds heel populair.

Zo, dat is een zeer vluchtige navertelling van deze biografie. Een prima leesbaar boek dat een fijn inkijkje geeft in deze wereld van linkse ideeënvorming met alle verschillen van mening die daarbij horen

Michael Sandel – De tirannie van de verdienste; over de toekomst van de democratie

Deze politieke wetenschapper uit Harvard schreef dus dit boek over meritocratie. Dat wil zeggen, als we iedereen de kans geven om te studeren, hoger op te komen dan bestrijden we ongelijkheid en is dat een goede zaak.

Het boek gaat over de keerzijden van deze gedachte die juist door Democratische presidenten breed is uitgemeten. Het lijkt erop dat Obama er in toespraken e.d. het meest op terugkwam en natuurlijk is hij zelf zo ver gekomen door zich enorm in te zetten en zijn talenten goed te gebruiken.

Het boek gaat vooral over de Amerikaanse context (VS) en levert soms opmerkingen op die hier minder van toepassing zijn, maar toch was het erg de moeite waard naar mijn idee. Het bezwaar tegen de meritocratie zoals Sandel dat aangaf zit ‘m in het feit dat de start toch ongelijk blijft. Niet iedereen is even slim of komt uit een gezin dat ontwikkeling kan steunen, zowel intellectueel als financieel. Het leidt dus tot een samenleving van winnaars en verliezers. De winnaars zitten dan ook nog vaak in de hoek van de mondialen, de deregulering, enz. De winnaars gaan welvoldaan neerkijken en de verliezers voelen zich mislukt en weggezet.

En die weggezette mensen, traditioneel de mensen van de productie zijn zeer gevoelig gebleken voor populisten als Trump en Johnson. En zo is een traditioneel linkse achterban rechts uitgekomen.

Sandel gaat uitgebreid in op het toelatingssysteem tot Amerikaanse (top)universiteiten. Vroeger was de aristocratie daar vanzelfsprekend welkom, daarna werden het bolwerken van meritocratie.

Nog vrij aan het begin van het boek legt de schrijver de link met de theologie van de Reformatie. De tegenstelling tussen genade en werken der wet, om het even zo te noemen. Eigenlijk zegt hij, bedenk nou dat het puur mazzel is dat je wat slimmer bent en dat je ouders toevallig wat geld hadden liggen. Dat neemt meritocratische hoogmoed wat weg. Tegelijkertijd gaat hij ook in op de waardering voor de eerlijke beroepen waar een samenleving niet zonder kan. Hij probeert wegen te vinden om de meritocratie te temperen.

Dik van der Meulen – Multatuli; leven en dood van Eduard Douwes Dekker

Een redelijk omvangrijke biografie. Ik heb de goedkopere AKO- versie in twee delen gelezen met als grote nadeel de kleine letters en het feit dat men voor het register, lezend in het eerste boek, altijd het tweede bij de hand moet hebben. Hieronder een aantal opmerkelijke zaken zonder het hele leven van Dek, zoals hij zowel door zijn eerste vrouw Tine als zijn tweede Mimi, werd genoemd, na te vertellen. Dat is op Wikipedia ook te lezen.

  • Eduard Douwes Dekker ging zich Multatuli noemen toen hij zich werkelijk als schrijver wilde presenteren, dus rond het verschijnen van Max Havelaar in de herfst van 1859.
  • Hij schreef de Max Havelaar in zo’n drie weken, dus na zijn functies in Indië, na zijn problemen met het bestuur omdat hij opkwam voor de Javaan (en omdat hij een spoor van niet kloppende boekhoudingen achterliet).
  • De vraag hoe biografisch het Indische deel van de Max Havelaar is wordt grondig besproken en het lijkt behoorlijk biografisch te zijn, ook al zijn er wel wat namen veranderd
  • Overigens was hij in Indië met Tine, die voorname familie had, getrouwd. Ze kregen twee kinderen, Edu en Nonni, maar hadden eenmaal terug in Nederland nauwelijks een gezamenlijk familieleven. Multatuli woonde in hotels en logeerde veel. Tine woonde ook her en der, een tijdje bij Multatuli’s broer Jan, met wie de relatie sterk op en neer ging. De relatie tussen de broers dus. Tine woonde veel in Brussel en uiteindelijk in Italië waar de kinderen ook groot zouden worden. Multatuli leerde ondertussen ook Mimi kennen met wie hij is getrouwd toen Tine was overleden.
  • Omdat Dekker voor zijn 40e levensjaar heeft aangestuurd op ontslag kreeg hij geen pensioen en hebben geldzorgen bijna zijn hele leven een rol gespeeld. Hij had altijd schulden en moest altijd weer om geld vragen.
  • Het hielp niet dat hij een periode aan het gokken is geweest, vooral in Duitsland, waar dit op zeker moment werd afgeschaft wat Multatuli gered heeft van een gokafgrond.
  • Multatuli kon de Havelaar publiceren dankzij hulp van van Lennep. Later werd de verhouding lastiger tot vijandig aan toe toen Multatuli er achter kwam dat van Lennep veel had zitten rommelen in het manuscript.
  • Busken Huet was bekend als criticus en had bewondering voor Multatuli. Maar had dus ook wel eens aanmerkingen. Dat maakte deze relatie ook niet makkelijk omdat Multatuli niet zo heel makkelijk was.
  • Hij had best een rol willen spelen in de politiek. Het is daar niet van gekomen en dat was ook wel ingewikkeld geweest omdat hij politiek gezien ingewikkeld in elkaar zat. Zo had hij het niet zo met de democratie en zag hij liever een grotere rol van de koning, een rol die met de grondwet van 1848 nu juist kleiner was geworden. Aan de andere kant was hij tegen de godsdienst, in feite feminist en kwam hij op voor javaan en andere nooddruftigen.
  • Multatuli is in Duitsland gaan wonen – misschien ook vanwege de schuldeisers. Op het einde van zijn leven woonden ze in Nieder Ingelheim waar ze dankzij een goede gift een fors huis bewoonden. Dit na een leven van hotelkamers, logeeradressen en zoldertjes.
  • Hier adopteerden ze een jongetje dat heel toepasselijk Wouter werd genoemd en waar Multatuli schik van had. Een nieuwe rechtvaardiging voor zijn hobby: vliegeren.
  • De Max Havelaar is het meest beroemde werk van Multatuli, maar zijn meest omvangrijke werk bestaat uit de Ideeën. Verhandelingen over van alles en nog wat met gaandeweg er doorheen geweven de onvoltooide roman van Wouter Pieterse, die na zijn dood apart is uitgegeven door Mimi.
  • Multatuli schreef naast ander werk waaronder ook poëzie en toneel een enorme berg aan brieven. Heel veel daarvan is uitgegeven in het Volledig Werk, de klus die is volbracht door Garmt Stuiveling en uitgegeven door van Oorschot (Amsterdam 1960).
  • De laatste tien jaar van zijn leven lukte het Multatuli niet om een volgende Ideeënbundel te schrijven. Hij schreef eigenlijk alleen nog brieven. Overigens was het schrijven voor hem altijd een kwestie van hollen of stilstaan geweest. Wat hij wel deed die laatste periode was lezingen geven. Hij reisde daarvoor het hele land – Nederland dus – door. Aanvankelijk deed hij dit met wat aantekeningen, maar uiteindelijk gewoon uit zijn hoofd. Dat moeten indrukwekkende gebeurtenissen zijn geweest die volle zalen trokken en dus ook weer wat geld opleverden.

Zsuza Bánk – De lichte dagen

Een roman die in het Duits is uitgekomen (2011) en is geschreven door een auteur die zich komend uit Hongarije in Duitsland heeft gevestigd. De roman is een jaar later vertaald en uitgegeven bij de Bezige Bij.

Op mij kwam het ergens sprookjesachtig over misschien wel doordat er net als in sprookjes geen erotiek of enige verwijzing in die richting voorkomt. Wel heel veel herhalingen die gaandeweg betoverend gingen werken.

De sfeer in dit boek vriendelijk en gaandeweg weemoedig. Het is een boek over een soort driehoeksverhoudingen. Om te beginnen – en hier komen we als lezer veel en veel later achter – zijn daar Évi en Zigi, jonge mensen die bij een rondtrekkend circus werken als acrobaten. Maar er is ook andere kleine vrouw en bij die vrouw krijgt Zigi een kind, Aja. Toch wordt het het kind van Évi en Zigi en ze verlaten met het jonge kind het circus. Ze zwerven rond tot dit niet meer houdbaar is en dan bouwt Zigi en huis of hut aan de rand van het stadje Kirckblut op een boerenlandje. Dit is het huis waar Aja opgroeit.

Zo komen we bij het volgende en belangrijkste trio. De ik-persoon, een vriendinnetje en Karl, een jongetje dat ook eens aankwam. Centrum van handeling is heel lang het huisje en de tuin van Evi. Ja, alleen Évi want Zigi is er een paar maanden en verder op pad als circusartiest. De kinderen groeien samen op met Evi.

En dan is er nog het trio van de moeders, die trouwens allen hun verdriet hebben.

Als de kinderen jongvolwassen zijn, ze studeren nog, trekken ze naar Rome waar ze een tijdje werken en studeren en leven. Na verwikkelingen keren Aja – ondertussen bezig arts te worden – en de ik-persoon terug om te ontdekken dat Évi wat aan het dementeren is geslagen. Dan wordt toch het huisje weer epicentrum. Zigi komt er wonen (op aandringen van Aja) en dan eindigt het boek op het moment dat de kinderen zich als volwassenen hebben gevestigd.

Een prachtig en wonderlijk boek. Het gaat niet om de plot, het gaat in dit boek om de sfeer, om het decor. Zelfs de taal is niet heel bijzonder. Het geheel wel.

M.L. Rijneveld – De avond is ongemak

Marieke Lucas Rijneveld heeft een paar weken geleden een internationale literaire prijs voor vertaald werk gekregen samen met de vertaalster. Heel stoer natuurlijk. Toevallig hadden we de roman recent verworven en dit was de aanleiding het boek maar meteen te lezen.

De roman begint met de eenvoudige zin: Ik was tien jaar en deed mijn jas niet meer uit. De roman speelt in een boerengezin waarvan een zoon, Matthies, door het ijs zakt en verdrinkt. De kinderen die overblijven, de ik-persoon, het zusje Hanna en Obbe, de grotere broer, zijn ontredderd en de ouders net zo goed, zodanig dat er geen echte aandacht is voor deze kinderen.

En dan breekt ook nog de MKZ- crisis uit; de koeien moeten geruimd worden wat natuurlijk ook een drama is. Het hele gezin begint langzaamaan te ontsporen en dat gaat van kwaad tot erger.

Het is een erg kerkelijk gezin en zo wordt de taal in deze roman aan de ene kant gelardeerd met tale Kanaäns en complete bijbelteksten en aan de andere kant gebruikt de schrijfster het boerenleven en het boerenerf als bron voor vergelijkingen.

Ik vond het een heftig boek dat ook heftig eindigt. Het lukte me niet om achter elkaar door te lezen en dat overkomt.