Jens Christian Grondahl – Veranderend licht

Een roman die aanvankelijk lijkt te gaan over een repeterende breuk van mislukte huwlijken en relaties. Hoofdpersoon is Irene Beckman, 56 jaar oud. Ze is scheidingsadvocaat in Kopenhagen. Haar moeder is lang geleden gescheiden, haar man gaat binnenkort van haar scheiden. Thomas, de man met wie ze tien jaar eerder een korte relatie had gaat ook scheiden. Zijn vrouw belt haar om haar als advocaat in te huren. De dochter van Irene heeft om de haverklap een andere vriend en dat is ook de aanpak van Irene’s vriendin. Voorlopig is Peter, Irene’s zoon wat bestendiger, maar ja, die is nog niet zo lang getrouwd.

Het verhaal wordt niet rechtuit verteld, er zijn veel terugblikken. Zo weten we dat Irene als jonge vrouw, voor ze ging studeren, naar Parijs trok, waar ze de aandacht trok van Martin, met wie ze dus uiteindelijk heel lang samen is geweest. Ze was weggegaan, weg van haar Moeder Vivian. Later pas komen we te weten dat deze moeder wel haar moeder is, maar Martin niet haar vader. Ze heeft ook pas laat vernomen dat ze ook nog een tweelingbroer heeft gehad.

Waar zou de titel nu op slaan? Op het licht dat bij wijze van spreken verandert als een relatie ophoudt te bestaan? Ik denk dat de roman gaat over de grote politieke gebeurtenissen die kleine mensenlevens beslissend kunnen beïnvloeden. Het veranderde politieke klimaat is als een veranderd licht. En dat heeft dus invloed.

De echte vader van Irene verliet met zijn ouders de Sovjet Unie omdat het centrale gezag verzon dat ze naar de Krim moesten verhuizen. Daar pasten ze voor en dus trokken ze naar Kopenhagen.

De nazi’s zorgden ervoor dat joden het land ontvluchtten, zo ook Samuël en zijn familie nadat hij Vivian nog net zwanger had gemaakt. Hij vestigt zich later in Tel Aviv als gevierd cellist maar verlaat het land toch weer omdat het hem niet aanstaat, dit ingepikte strookje land en de strijd met de palestijnen. Hij verhuist naar Wenen, de stad van Hitler en Mozart. Daar woont hij wanneer Irene hem voor het eerst van haar leven ontmoet, ook al vindt dit plaats in Lubliana.

Trouwens, eenmaal in Israël komt toch de oorlog weer om de hoek kijken wanneer Samuel trouwt met een vrouw die de kampen heeft overleeft. Hun zoon komt om door een actie met het leger en in de periode daarna pleegt deze vrouw zelfmoord.

Als ze vervolgens op de terugweg naar Kopenhagen is pikt ze een van de Balkan afkomstige vluchteling op, die ook als gevolg van de situatie in zijn land op drift is geraakt.

En dan is er nog een zijlijn met de nieuwe vriendin van Thomas, een vrouw uit Servië die ook getekend is door de gebeurtenissen aldaar ook al krijg ik daar als lezer niet het fijne van te weten.

Natuurlijk kan de titel net zo goed gaan over het veranderde licht in het leven van deze Irene. Haar hele leven is veranderd, in een ander licht komen te staan doordat Martin weg is. Iets waar ze helemaal niet verdrietig om is. Misschien heeft ze het er wel naar gemaakt, denkt ze. Ze ziet zichzelf anders en dat wordt nog versterkt doordat ze dus te weten komt dat ergens haar vader nog kan leven…

De stijl is dan weer redelijk kort aan en feitelijk, dan weer meer poëtisch. De beeldspraak slaat wel ergens op. Zo eindigt een hoofdstuk met Boven op de berg is de muur te zien rond een burcht, gesloten en middeleeuws met zijn grof gehouwen stenen. Het volgende stuk gaat dan over de vrouw van Samuel die waarschijnlijk als gevolg van haar kamptijd en de mensen die ze heeft verloren zwijgzaam en ontoegankelijk is.

Andreas Kinneging – Geografie van goed en kwaad

Een onversneden pleidooi voor conservatisme dat zeker niet verward moet worden met liberalisme, wat gegrond is in de Verlichting en dat is waar de schrijver zich juist fel tegen keert. En dan met name de verlichting die zich afzette tegen geloof, klassieke traditie en aristocratie.

En dat is waar het boek ook over gaat en ik vond dat toch wel interessant omdat ik niet wist dat ik er ook zo naar kon kijken. Hoe dan? Kinneging betoogt dat aristocratie duidt op een gegoede elite die is opgevoed in de klassieken en het bijbelse denken en vanuit deze tradities ethisch handelt. Dat betekent niet dat het welbegrepen eigenbelang (Adam Smith) centraal staat, met het dienen van de staat in parlement of plaatselijk bestuur en de bevolking.

De schrijver gaat graag terug naar een Platoonse morele orde, een metafysische orde waarin deugden centraal staan. Met de reformatie werden de deugden meer plichten (men zag deugden als een vorm van Pelagianisme…) en met de Verlichting kwamen de rechten van de mens centraal te staan. In de Romantiek gaat het om individualiteit en subjectiviteit.

De Platoonse orde bestond uit rechtvaardigheid (geef een ieder wat hem of haar toekomt), verstandigheid, moed en matigheid. Met het Christendom kwamen liefde en aanverwante zachte deugden centraal te staan. Overigens bracht de schrijver een verschil tussen klassiek en christelijk gevoelen naar voren dat ik me goed kan voorstellen, maar nooit zo had gelezen. De klassieken hebben eer hoog in het vaandel staan en daar tegenover staat dus schaamte. In de Christelijke traditie gaat het om geweten en schuld.

Het hoofdstuk dat in de smallere zin over recht en rechtspraak ging sprak me minder aan. De gedeelten over politieke filosofie weer meer. Kinneging bespreekt Montesqieu en de Tocqville en zet daarmee kanttekeningen bij de democratie. Het ergste wat er naar zijn idee kan gebeuren is aan de ene kant anarchie, wat hij ziet als chaos, dissonantie en barbarij, en aan de andere kant onversneden dictatuur. Met een democratie is zoiets niet per definitie te vermijden.

Vandaar de voorkeur voor een monarchie of in ieder geval een staatsmacht die in toom wordt gehouden door een soort aristocratie, mensen die gevormd door klassieke deugden en wat Christelijke ethiek en niet gehinderd door zakkenvullerige neigingen.

Soms is het van dik hout zaagt men planken. Het boek bestaat uit een bundeling van artikelen of inleidingen en dit konden iets van een pamflet hebben. Eigenlijk heeft het hele boek wel iets van een pamflet. Een pamflet voor Plato, voor Christelijke ethiek, tegen Verlichtingsdenken en alles wat hieruit is voortgekomen, tegen democratie, liberalisme en socialisme en voor aristocratie, voor het leren van deugden omdat de mens geneigd is tot het kwade.

In die zin is dit boek een tegenhanger van het boek van Rutger Bregman, de meeste mensen deugen, dat juist een positief mensbeeld voorstaat.

Theun de Vries – Spinoza; beeldenstormer en wereldbouwer

Hè ja, eindelijk weer eens een boek van Theun de Vries gelezen. Ooit heb ik heus wel de bibliografie van deze veelschrijver doorgenomen, maar dat hij een biografie van Spinoza heeft geschreven was bij mijn niet blijven hangen. En toen kwam ik het boek uit 1972 tegen.

Ik heb het uit en ik moest denken aan het ketterboek dat ik ook ooit in ieder geval deels heb gelezen. Daar was ik toen niet echt enthousiast van, ik vond vooral de taal te gewichtig waardoor het boek extra ontoegankelijk werd. Dat vond ik dus.

Voor dit boek geldt dit helemaal niet. Natuurlijk is het door dezelfde man geschreven en is de taal niet opeens supersimpel. Dit is een goed geschreven heel toegankelijke biografie. De 17e eeuw komt goed aan bod. De Joodse gemeenschap in Amsterdam wordt besproken en hoe de jonge Spinoza in de leer ging bij de van den Enden die in Amsterdam een Latijnse school had geopend die een broeiplaats werd van on-orthodoxe ideeën. Jonathan Israel heeft daar natuurlijk ook uitgebreid over geschreven in Radicale Verlichting.

Nadat Spinoza uit de Synagoge was gezet vestigde hij zich aanvankelijk in Rijnsburg, later in Voorburg en toen hij stierf woonde hij in Den Haag, hij is Nota Bene in de Nieuwe Kerk begraven.

Toen hij nog in Amsterdam woonde had hij een clubje geestverwanten, leerlingen om zich heen zoals Koerbagh en Jarig Jelles. Later toen hij als lenzenslijper actief was en niet meer in Amsterdam woonde kreeg hij ook steeds meer contact met wetenschappers als Christiaan Huygens en andere onderzoekers die ook belang hadden bij zijn lenzenwerk.

De Vries veronderstelde een contact met de Witt en andere Haagse regenten die best blij moeten zijn geweest met de publicatie van het Theologisch-Politiek tractaat waarin afscheid genomen wordt van de bijbel als door een persoonlijke God geïnspireerd boek.

In het Politiek tractaat ging het meer over de samenleving en de regering ervan terwijl hij in de Ethica op een (voor mij redelijk ondoorgrondelijke) meetkundige strak logische manier schreef over een ethiek die leidde tot een stoïsche levenshouding in het besef dat God en natuur samenvallen.

Tegen het einde van zijn leven stond Spinoza in contact met wetenschappers uit omliggende landen. Voor velen was het gevaarlijk om daar over rond te vertellen. Spinozist was een scheldwoord, het drukken van zijn werk gevaarlijk (gebeurde onder een andere naam en met Hamburg als plaats van uitgave) en de Ethica werd pas jaren na zijn dood in het Nederlands uitgegeven.

Herman Melville – Moby-Dick

Het moest er een keer van komen. Ik weet niet hoe oud ik was toen ik nog dacht dat dit een kinderboek was. Op zeker moment begreep ik dat het helemaal geen kinderboek was, maar een classic die waarschijnlijk niet al te vaak wordt (uit)gelezen.

Het is een boek uit 1860 geschreven door iemand die zelf gevaren heeft en zich rondig heeft verdiept in de walvisvisserij. De roman is geschreven in de ik- vorm; het verhaal begint met call me Ismael, maar de ik raakt gaandeweg uit beeld om weer terug te keren in de epiloog.

Het verhaal begint met deze Ismael die op weg gaat naar Nantucket, het Amerikaanse walvisvaartplaatsje bij uitstek om daar met zijn zonderlinge nieuwe vriend Queequeg aan te monsteren voor een lange tocht met de Pequod.

De roman is ruim 100 pagina’s op streek wanneer de Pequod eindelijk uitvaart. In korte hoofdstukjes gaat het dan verder en dan hebben we nog steeds niet kennisgemaakt met Ahab, de zonderlinge kapitein die één kunstbeen heeft van walvisivoor.

En dan komt hij eindelijk eens uit zijn kajuit en houdt hij op zeker moment een toespraak waaruit blijkt waar de reis om gaat. Tijdens een eerdere tocht is hij op jacht geweest naar de witte potvis, Moby-Dick die tijdens het tumult zijn been eraf gehapt heeft. Immers, een potvis heeft in tegenstelling tot een gewone walvis een bek vol tanden. De Pequod gaat op reis om op zoek te gaan naar deze Moby-Dick om wraak te nemen, om hem toch eindelijk te vangen. Na deze toespraak is er één bootsman, Starbuck, die bezwaar maakt tegen het plan. Hij kan niet terug maar kan wel zeggen wat hij ervan vindt.

En dan gaat het verhaal verder. Niet recht-toe-rechtaan, want het verhaal wordt heel regelmatig onderbroken door informatieve hoofdstukken over de walvisvangst. Als je dit boek uit hebt dan heb je ook het idee dat je iets meer weet over die zonderlinge bedrijfstak en over walvissen. Hierdoor is de vaart uit het boek. Nou ja, die vaart was er al niet. In een mooie stijl, gelardeerd met voor mij veel onbekende woorden , ontwikkelt het verhaal verder en reizen we de hele wereld over terwijl heel langzaam met subtiele signalen de spanning toeneemt.

Ondertussen worden er walvissen gevangen en ontmoeten ze soms een ander walvisjagend schip. Zo horen ze van de aanwezigheid van Moby-Dick als ze in de zee ten zuiden van Japan zijn beland en dan komen we in de apotheose terecht. Er zijn al twee vergeefse pogingen gedaan om de potvis te vangen wat al een dode walvisjager en een kapotte boot heeft opgeleverd. En dan zegt Starbuck (p. 648) wat hij ervan vindt: Never, never wilt thou capture him, old man – In Jesus’ name no more of this, that’s worse than devil’s madness. Two days chased; twice stove to splinters; thy very leg once more snatched from under thee; thy evil shadow gone – all good angels mobbing thee with warnings: – what more wouldst thou have? – Shall we keep chasing this murderous fish till he swamps the last man? Shall we be dragged by him to the bottom of th sea? Shall we be towed by him to the infernal world? Oh, oh, – impiety and blasphemy to hunt him more!

Het boek gaat over Ahab die vast zit in zijn monomane haat en zijn voornemen om Moby-Dick te doden en zich te wreken. Over zijn onvermogen om los te laten, na twee mislukte pogingen zijn verlies te nemen. Dit is een lange literaire weg vol met scheepvaartjargon en andere lastig idioom, om dit thema onder de aandacht te brengen en zo hoop ik de roman ook te onthouden.

J.J. Voskuil – Binnen de huid

De roman die tussen ‘Bij nader inzien’, dat ik nog niet heb gelezen, en ‘Het Bureau’, waarvan ik deel 1 met plezier las, in zit, maar pas na de dood van de schrijver is uitgegeven (2009) terwijl het tussen 1964 en 1968 is geschreven.

Het is een eigenaardig boek en bovendien hoogst ergerlijk wat het ook wel een heel knappe roman maakt. Als iemand een roman van 427 pagina’s weet te maken die maakt dat je vanaf enkele pagina’s tot het einde je schoen wil opeten van ergernis, inhoudelijke ergernis, niet omdat het slecht is geschreven dus, dan is dat knap. En dat is hier dus aan de orde.

De roman is mij voorgelezen en dat heeft geruime tijd in beslag genomen. Niet door het aantal pagina’s, maar omdat we soms ook wel weer wat moed moesten verzamelen.

De roman gaat over Maarten – hier als ik- persoon en Nicolien die we kennen uit het bureau en over een ander stel, Paul en Rosalie, die misschien wel bekend zijn voor lezer van ‘Bij nader inzien’. Het zijn studievrienden. De studie zit er net op en beide stellen zijn getrouwd en logeren regelmatig bij elkaar. Paul is leraar geworden in Deventer waar ze net naartoe zijn verhuisd vanuit Amsterdam. Het boek begint met het eerste bezoek van Maarten en Nicolien aan de vrienden in Deventer.

Radicale bespiegelingen uit de studententijd spelen nog een rol. Zo vindt Maarten het aanvaarden van een baan als leraar verraad en wordt er het hele boek door geworsteld over de vraag wat een huwelijk eigenlijk is en of je trouw moet zijn of toch niet. Het is een roman over jonge mensen die nog heel erg de weg in het leven aan het zoeken zijn. Paul en Rosalie hebben al gekozen voor een meer burgerlijk en meer comfortabel bestaan. Maarten niet; hij doet wat vertaalwerk voor Henriëtte, een gemeenschappelijke vriendin waar ze allemaal wel een beetje jaloers op lijken te zijn. Zij heeft in ieder geval niet voor een burgerlijk leven gekozen. Ze is op haar ééntje naar Parijs gegaan.

Tot zover niets ergerlijks. Het ergerlijke zit ‘m in de relatie tussen deze vrienden die heel weinig laten merken dat ze vrienden zijn. Er wordt veel ruzie gemaakt of op zijn minst op een aanvallende toon gediscussieerd en steeds gaat het over levenskeuzen die niet vol te houden zijn, verwijten burgerlijk te zijn of niet consequent. Het wordt allemaal echt ergerlijk wanneer blijkt dat Maarten en Rosalie verliefd op elkaar zijn maar daar eigenlijk niets mee willen en niets mee kunnen. Rosalie gedraagt zich heel uitdagend waarbij je je ook geërgerd kan afvragen waarom Nicolien geen einde maakt aan deze vriendschap. Maarten blijkt en angstige weifelkont. Dan komt het ene stel naar Amsterdam en dan gaat het andere naar Deventer en steeds is het maar gedoe en komt het allemaal nauwelijks verder. Hou er mee op of doe wat!

Het wordt allemaal steeds beroerder en ingewikkelder, ongemakkelijker zeker wanneer blijkt dat Paul en Nicolien ook een verhouding hebben. Daar komen we pas laat achter omdat de roman heel consequent vanuit Maarten is geschreven en hij steeds minder aandacht heeft voor Nicolien. De verhouding tussen haar en Paul, mogelijk gefaciliteerd door Maarten en Rosalie, ontgaat hem volledig en van Nicolien en de andere zien we alleen het gedrag zoals Maarten dat ziet.

Bijna komt het zover dat Maarten en Nicolien uit elkaar gaan. Het boek eindigt fraai met de sneltrein waar Paul in zit die voorbij raast terwijl de stoptrein waar Nicolien in zit aankomt.

De rode achterlichten verdwenen schommelend in het donker. Het was opnieuw stil. De man met de bezem kwam langzaam dichterbij. Tegenover me kwamen mensen op het perron. De bomen gingen dicht. De koplampen van de trein kwamen de hoek om. Hij minderde vaart en reed het station binnen. Ik wachtte tot hij stilstond. toen draaide ik me om en liep langzaam om het gebouw heen naar de uitgang.

Over de titel dan. Iedere nederlaag was de keerzijde van zelfoverschatting en zelfbedrog. Over een dergelijke ontmaskering moest ik verheugd zijn. Bij de huid hield het op. Daarbinnen was ik onkwetsbaar (p.387). Als lezer twijfelde ik enorm over deze uitspraak. De titel gaat naar mijn idee ook over mij als lezer. Dit ergernisveroorzakende boek gaat zelf onder de huid zitten.

De stijl is, net als in het bureau, droog en met korte zinnen beschrijvend. Voskuil gebruikt veel dialoog vol vloeken en mieters.

En wat vond je er nu van? Het is een boek waarin vrijwel niets gebeurt. Dat is knap. Is het misschien te dik, had er meer gestreept moeten worden? Ik twijfel daarover. Ik ben bang dat de lengte en de traagheid wel bijdragen aan het effect. Ik ben bang dat ik dit toch ondanks of dankzij alle ergernis een knap boek moet vinden.

Jules Evans – Filosofie voor het leven en andere gevaarlijke situaties

Een toegankelijk filosofieboek dat de link legt tussen wat de schrijver noemt de Socratische traditie en tegenwoordige cognitieve gedragstherapie.

De structuur van het boek is als een dagprogramma aan een filosofische school. Het begint allemaal met een morgenappèl met Socrates en dan gaat het verder met een ochtendsessie met Epictetus. In dit boek gaat het niet om harde filosofie van Kant of Descartes. Nee, het gaat om levenskunst, het gaat om de vraag hoe we een gelukkig en vervuld leven kunnen leiden.

Zo was Socrates volgens de dialogen van Plato steeds maar bezig om gesprekken aan te knopen en lastige vragen te stellen. En zo stelden de Stoïcijnen steeds de vraag wat je nu zelf in de hand hebt en wat niet. Over dingen die je niet in de hand hebt hoef je niet van streek te raken. We moeten verantwoordelijkheid nemen juist voor die gedachten waar we wel verantwoordelijkheid voor hebben, voor de dingen die we wel in de hand hebben. Dit was kort door de bocht de denkwijze van Epictetus, Marcus Aurelius en Seneca.

Met Epicurus komen we meer bij de neiging zich terug te trekken uit de samenleving en het genot voorop te stellen. Dit betekende trouwens een heel sober genot en zeker geen enorme zwelgpartijen. ‘Waarom stellen we de vreugde steeds weer uit’? Het gaat bij hem om de kunst van het genieten.

Na de behandeling van mystici en sceptici (het cultiveren van twijfel) gaat het over Plato. Over de dialogen, maar uiteindelijk ook over de Staat en de Wetten waar Evans duidelijk minder negatief over is dan Popper. Centraal staat het verlangen naar waarheid, ‘de fundamentele gedachte van Plato is dat de delen verbonden zijn met het Geheel, met het Absolute, zo zegt en Alexander tegen de schrijver.

En dat had ik nog niet verteld. Het boek staat naast de informatie over deze klassieke filosofen vol met ontmoetingen met mensen die hun leven in lijn van een van hen hebben ingericht. Daarnaast zijn er nog de persoonlijke bespiegelingen en belevenissen van de schrijver. Dat maakt het boek heel leesbaar en dat het verkeert op de grens tussen filosofie en zelfhulp.

Plutarchus was de man van de levensbeschrijvingen, voorbeelden om na te volgen als middel in het onderwijs.

Met Aristoteles, de leerling van Plato en leraar van Alexander de Grote, komen we wat meer met de voeten op de grond en wordt ook meer verbinding gelegd met andere mensen, het ging meer over politiek, ethiek en de menselijke psyche. ‘Volgens Aristoteles zijn veel deugden sociaal, zoals een goed humeur, vriendelijkheid en geduld. Dat betekent dat we het goede alleen samen kunnen beleven’ (237). Aristoteles werd de grote held van de Middeleeuwse kerk en van Thomas.

Tegen het einde van het boek wordt de link gelegd richting het Buddhisme en zo de stelling bestreden dat het hier wel erg om westers denken gaat. En dan besluit het boek met de Dionysische denkwijze. Lichamelijkheid, dansen, leven en niet te veel somberen. Valt daar niet veel meer voor te zeggen?

Lidewijde Paris – Hoe lees ik?; met inspirerende voorbeelden uit de literatuur.

Een heel geinig boek uit 2016 dat dus gaat over het lezen van romans en korte verhalen. Het gaat over veel van wat je je kan afvragen tijdens het lezen. Over de structuur, over wie er eigenlijk aan het woord is, over de tijd en waar het verhaal eigenlijk begint. In het midden of gewoon aan het begin? En dan; zijn er vergelijkingen of metaforen? Speelt de context een rol? Is er sprake van intertextualiteit of intratextualiteit?

Wat zo aardig is, is dat deze vragen heel vriendelijk en enthousiasmerend worden besproken aan de hand van fragmenten die soms best een aantal pagina’s voortduren.

De voorkant van het boek zegt eigenlijk al veel….