Aurelius Augustinus – Belijdenissen

De bij Ambo/Olympus uitgegeven en  door Gerard Wijdeveld vertaalde versie; een uitgave uit 1997. Die had ik al wel eens eerder gelezen maar daar was me niet veel meer van bijgebleven dan dat het niet overal even toegankelijk was. Die mening hoef ik na herlezing niet bij te stellen. Het grootse deel van het boek is een soort geestelijke autobiografie of een heel uitgebreid bekeringsverhaal. Hij doet dat in een heel eigenaardige stijl want hij richt zich direct tot God waardoor het ook in die zin letterlijk een belijdenis wordt. Wat ook bijzonder is, is de grondige en zeer persoonlijke manier waarop hij zijn eigen wezen bloot legt, zijn denken en doen van voordat hij (weer) toetrad tot de Katholieke Kerk die hij overigens ook zo noemde. Na zijn bekering gaat het verhaal niet verder maar komt er nog een aantal onderwerpen in zekere wanorde aan bod. Eigenlijk gaat het op een erg zonderlinge manier over de schepping van de hemel en de aarde. Hij komt dan op thema’s als tijd en eeuwigheid en het willen. Hier ging ik wel begrijpen dat hij ook als filosoof bekend is want hij gaat hier ronduit filosofisch te keer. Toch vond ik de laatste hoofdstukken – boeken eigenlijk – taai.

Advertenties

Augustinus – Stad Gods vanaf boek XII

XII. Zo ongeveer op de helft van dit enorme betoog ging het in dit boek erom dat de lezer een juist idee zou krijgen van de schepping van de mensen. Daarbij werd de oude griekse idee van een kringloop van de zielen en de geschiedenis uitvoerig en uitbundig weerlegd.

Even een echt Augustinus-citaat over het gelukzalige schepsel: ‘ Het wordt gelukzalig door de verwerving van datgene door welks verlies het ongelukkig wordt’ (542)…

XIII. In dit boek staat de schepping van de mens centraal. Het bijbelse scheppingsverhaal wordt van alle kanten bekeken en vergeleken met wat filosofen er wel niet van dachten. Verder gaat het hier erg over zonde en dood. De mens is vanaf zijn geboorte bezig dood te gaan… Er wordt ook een onderscheid gemaakt tussen de eerste mensen voordat ze ‘ongehoorzaam’ werden en de mens die zich door het geloof mag verheugen in eeuwige gelukzaligheid, zoals Augustinus dat zou zeggen.

XIV. Opnieuw gaat het over die twee steden; de ene waarin mensen volgens de geest heten te leven en die andere waar mensen dan het vlees navolgen, om een beetje in de taal van Augustinus te blijven. Al gauw gaat Augustinus dat vlees verder fileren; het gaat over toorn en lust. Dat leidt tot negatieve berichten over sexualiteit en bespiegelingen over sexualiteit voor de zondeval,  een term die Augustinus hier overigens niet gebruikte; hij spreekt meer van ongehoorzaamheid. Om zijn punten te maken put hij ook in dit boek uitbundig uit het boek genesis.

XV. In dit boek is de ontwikkeling van het menselijk geslacht van het paradijs tot de zondvloed aan de orde met oog voor de beide steden. Daarbij komt A. wonderlijke problemen tegen die uiteraard verhelderd moeten worden. Het lijkt erop dat hij op deze manier de bijbelse geschiedenis gaat voortzetten in het volgende boek…

XVI. Op zoek naar de twee steden in de bijbelse geschiedenis van na de zondvloed tot David. Tussendoor komen er wel wat opmerkelijke dingen voorbij. In het achtste boek bijvoorbeeld de opsomming van wonderlijke mensen die Plinius in zijn anthropologie ook noemde. En dan op blz. 746 het vermoeden van een ronde aarde. In 17 wat geografie en dan wat minder vrolijk op blz 782; sprekend over Jacob en Ezou zegt hij: ‘De woorden: ” De oudste zal de jongste dienen” zijn door nagenoeg al de onzen zo begrepen, dat het oudste volk, de Joden, dienstbaar zou zijn aan het jongere volk, de christenen.’  Een bron voor theologisch semitisme?

XVII. Met een hink-stap-sprong gaat het verder door het OT en dat dan met grote aandacht voor christologische profetie en een hoop allegorie. Augustinus doet dat op een manier die nu door de kritische bijbellezer niet geaccepteerd zou worden. Hier en daar heeft zijn uitleg wat anti-semitische trekjes. Overigens klinkt er met betrekking tot de uitleg van psalmen een goede opmerking: Geen hap-snap werk maar graag een uitleg van de hele psalm…

XVIII. Nu is er zo ongeveer vanaf Abraham aandacht voor die andere stad. We doorwandelen de geschiedenis van Assyrië, Griekenland en Rome met parallellen naar de bijbelse tijd. Dit gaat door tot na de Romeinse koningen en vervolgens gaat Augustinus verder met het OT, met de profeten. In deze boeken is hij naarstig op zoek naar Christologische verwijzingen en weet hij er ook heel veel te vinden. Hij weet ook een wonderlijke verwijzing naar Christus op te dissen uit de Eritrese Sybillen uit de Trojaanse tijd…[ Op blz. 857 over de achterstelling van vrouwen in de Atheense samenleving]. Na die profeten komen de griekse filosofen nog aan de beurt. Daarna gaat het in het NT verder tot na de tijd van de apostelen en vernemen we nog het nodige over het ontstaan van de LXX (boeken 42 en 43).

XIX. In dit boeken zitten we meer in de filosofie en de theologie. Augustinus onderzoekt het filosofisch leven, het leven van die andere stad, scheert daarbij niet alles over één kam, maar concludeert uiteraard dat dat toch beperkt is. De samenleving komt meer in beeld en daarmee ook thema’s als oorlog – zelfs de rechtvaardige oorlog wordt genoemd (blz. 952) – en vrede. Het recht en de staat komen aan bod en tussendoor het bisschopsambt.

XX. In dit boek heeft Augustinus Oude- en Nieuwe Testament uitgemest om wat te kunnen zeggen over het laatste oordeel. En passant wordt de optie van de chiliasten afgewezen. Opmerkelijk voor mij was de identificering van satan gebonden tijdens het duizenjarig rijk met het binden van de sterke in Mc. 3:27 en parallelle teksten. Verder dus een enorme waterval aan teksten over dat laatste oordeel en Augustinus’ bespiegelingen daarover.

XXI. Eeuwige straf voor de duivel en zijn aanhangers. Je zou zeggen; daar kan je kort over zijn, maar Augustinus dacht daar duidelijk anders over, want er valt gelukkig weer van alles te weerleggen. Wat te denken van het volgende probleem: Hoe kan iemand eeuwig in een vuur zijn zonder helemaal te verbranden en te verdwijnen? Een netelige kwestie waar hij zich goed uit denkt te redden door met allerlei voorbeelden uit de natuurwetenschap te komen. Ook hier is Plinius, naast andere bronnen, als serieuze bron gebruikt. In het 17e hoofdstuk wordt de alverzoening van Origenes weersproken net als verderop andere dwalingen…

XXII. Dan de eeuwige gelukzaligheid. Een voorproefje daarvan brengt het idee alleen al dat dit werkelijk het laatste boek is van dit werk dat echt schandalig lang is. Had Augustinus asperger!? Bovendien; bestonden er geen redacteuren die een schrijver liefdevol konden helpen om grote en overbodige delen van hun werk in de prullenbak te doen belanden? Bah, het lijk internet wel… In dit boek trekt Augustinus opnieuw flink apologetisch van leer. Om het ongelofelijke van een lichamelijke opstanding te weerleggen komt hij met een hele reeks aan wonderverhalen. Dan volgt er nog een lofzang op de schepping als vooruitblik van de toekomende wereld. Tot slot gaat hij in op de vraag hoe het  zal zijn.

Of hij het humoristisch bedoelde weet ik niet, maar hier volgt een deel van zijn slotwoorden: ‘Hiermee meen ik wel met Gods hulp de op mij genomen taak, dit enorme werk, ten einde heb gebracht. Wie het te kort of te lang vinden, mogen het mij vergeven’. Ik bedoel maar…

Mijn mening hierover is duidelijk en daarmee is een deel van de lol wel vervlogen. Een deel, want het blijft de moeite waard om kennis te maken met deze wonderlijke figuur, die zich zo kan vastbijten in een letterlijke bijbeltekst die wij nooit zo letterlijk zouden lezen. Andere accenten zijn heel herkenbaar, juist omdat hij zo’n grote invloed heeft gehad. Echo’s blijven doorklinken. Voor een deel zijn dat ook bijbelse echo’s want hij wil de bijbel hoog houden want dit is voor hem wel onfeilbaar woord, ook al zegt zegt hij het niet zo protestants.

Hoe dan ook, het is volbracht, om bij de tijd van het jaar te blijven.

Augustinus – twee biografiën

James J. O’Donnell – Augustine (HarperCollins 2005)
Een boeiende biografie waarin de schrijver probeert kritisch door te dringen tot achter de coulissen van Augustinus’ leven. Het is ook geen chronologisch verteld verhaal dat begint met het grondig bespreken van de achtergronden van ouders om je vervolgens door kinderjaren te moeten slepen. Nee, hij pakt het fris en thematisch aan. Wel degelijk met respect en met bewondering zelfs, maar ook kritisch en dat zeker als het gaat om de strijd tegen de Donatisten en Pelagius. De laatste had ideeën die erg overeen kwamen met die van de jonge Augustinus toen hij nog maar net bekomen was van zijn Manicheïsche periode. Overigens denkt O’ Donnell dat het Manicheeëndenken altijd wel een beetje aanwezig is geweest.
Het aangename van Augustinus voor ons is dat er heel veel bewaard is gebleven, dat hij niet alleen voor eigen parochie schreef, dat hij onderhoudend schreef. Als persoon is hij niet zozeer de held van de vroege kerk maar zeker ook wat treurig; een beetje chagrijnig en gelijkhebberig. Met de idee van de erfzonde, de uitverkiezing en het katholieke, het algemene van die kerk heeft hij natuurlijk enorme invloed gehad. Ik ben overigens door dit boek een beetje genezen van het verstaan van Augustinus door de bril van de Reformatie, wat in onze cultuur toch een beetje ingebakken zit…

Peter Brown

Augsustinus van Hippo, zoals ik het begrijp de standaardbiografie uit 1967 en in het Nederlands vertaald in 1992 door Agon. Een grondige chronologische behandeling van Augustinus’ leven en denken. Voor mij worden hier een aantal zaken wat helderder dan bij O’Donnell hoewel hij door zijn aanpak juist ook wel weer verrassende dingen weet aan te dragen. Eigenlijk had ik het andersom moeten doen; eerst Brown en vervolgens O’ Donnell.

Aurelius Augsutinus – De stad van God

Het enorme werk bestaande uit 22 ‘boeken’ lijkt geschreven te zijn om weerstand te bieden tegen het verwijt dat Rome als gevolg van de overgang tot het Christelijke geloof ten onder is gegaan. Hieronder volgt een korte weergave van wat ik ben tegengekomen in de verschillende boeken. Ik voeg per boek mijn bespiegeling toe zodat dit een groeiend document zal worden.
Overigens lees ik de vertaling van Gerard Wijdeveld, de vierde druk uit 2002 uitgegeven door Ambo/Anthos in Amsterdam.

I. Hier gaat het om Christelijk gedrag en het vereren van andere goden in relatie tot de ondergang van de stad. A. gaat uitgebreid in op het thema zelfmoord omdat aangerande vrouwen hiervoor zouden hebben gekozen. Hij betoogt dan dat de waardigheid/kuisheid met een aanranding niet teniet is gedaan. Zoiets zit in je. Zo kan verkrachting geen reden zijn voor zelfmoord. Overigens lijkt A. tegen alle soorten van zelfmoord te zijn.
Dan kijkt hij naar het verleden van Rome wat leidt tot morele bespiegelingen waarbij Scipio als voorbeeld dient. Deze was tegen de vernietiging van Cartago omdat – zegt A – de voortgaande strijd met Cartago de Romeinen in moreel opzicht scherp zou houden. Enfin, Cartago werd wél verwoest en Rome zakte af in liederlijkheid met voorkeur voor theater en zo (!). Tot slot worden Rome en de stad of de gemeenschap Gods tegenover elkaar gezet en stelt A. dat het pas in het laatste oordeel duidelijk wordt wie waartoe behoorde. Wat meteen opvalt is de grondigheid waarmee A. te werk gaat. Een argument wordt van alle kanten bekeken. Is er nog een tegenargument mogelijk dan wordt dat opgepakt en uitgewerkt.

II. In dit boek gaat het heel uitgebreid over het feit dat de Romeinen in navolging van de Grieken wel goden hadden, maar dat die goden niet hebben voorzien in een morele basis voor de staat. Met enorm veel voorbeelden probeert A. aan te tonen dat de goden en de leiders zelfs allerlei soorten van immoraliteit en wreedheid stimuleerden. Daarbij maakt hij gebruik van Livius en een aantal andere schrijvers. Leuk is dat; Augustinus had voor een deel dezelfde boeken in de ‘boekenkast’ als wij!
Het boek sluit af met een oproep om te kiezen voor die andere stad, de Stad Gods…

III. Na een korte inleiding neemt Augustinus de lezer mee door de Romeinse geschiedenis beginnend met de verhalen van Vergilius, de tijd van de koningen, de Republiek en het einde ervan. Het gaat hem erom aan te tonen dat ondanks al die goden die ze hadden de stad en het rijk steeds maar weer verwikkeld raakten in de ergst denkbare wreedheden. Ze brachten die wreedheden niet in verband met hun goden – door A. soms ook demonen genoemd terwijl het einde van het rijk wel in verband werd gebracht met het Christelijk geloof. Of om het in Augustinus’ eigen woorden te zeggen: ‘Wat is het dus een brutaliteit, een driestheid, een onbeschaamdheid, wat is het een onwijsheid of liever een verdwazing, dat zij die vroegere gebeurtenissen niet aan hun eigen goden toeschrijven maar het nu voorgevallene wel aan Christus!’ (blz. 178).

IV. In dit boek wordt er met name heel kritisch gekeken naar die hele godenclub van de Romeinen. Wat hij daarbij nog helemaal kwalijk vindt is dat ze poëzie en toneel hebben toegestaan waardoor het volk helemaal tot verderfelijkheden wordt aangezet. A. vraagt zich af waarom ze niet genoeg hebben gehad aan Felicitas…
Tussendoor ook kritiek op grote staten met de neiging tot expansie en geweld. Het boek eindigt met de melige zin:’Dit vierde boek is zo uitvoerig geworden dan we er een eind aan moeten maken.’

V. In dit boek wordt al snel aangekondigd dat we meer te weten zullen komen over de vraag waarom het Romeinse rijk zo groot kon worden en waarom het zo lang kon voortduren. Die vraag wordt in mijn beleving niet zo helder beantwoord als dat-ie is gesteld. In ieder geval bestrijdt Augustinus om te beginnen het argument dat het iets met de sterren of met het lot (fatum) te maken zou hebben. Augustinus spreekt liever van Gods voorkennis en vrije wil. Hij ziet wel het streven naar roem als een van de pijlers van het rijk en noemt dit zelf een ziekte, een onreinheid. Op het eind van het boek gaat hij in op reacties op de eerste boeken die blijkbaar al uitgegeven waren.

VI. Opnieuw moeten de heidense goden het ontgelden. Je hebt er niets aan met het oog op een eeuwig leven, en daar gaat het nu juist om, vindt Augustinus. Hij haalt twee grote namen van stal. Om te beginnen Varro, waar hij veel respect voor heeft, maar die wel voorstander blijft van de verering van de goden. Hij maakt een indeling tussen mythische, fysische en politieke ‘theologie’. Augustinus vindt dat die mythische en politieke – de voorschriften van de staat – erg in elkaars verlengde liggen. Seneca neemt wat meer afstand zonder zich helemaal uit te spreken…

VII. Het geluk van het eeuwig leven, daar gaat het volgens Augustinus om en hij is ervan overtuigd dat dit geluk niet via de godenwereld, ook niet die van Varro, te bereiken is. Een goed deel van dit boek stelt deze theologie aan de kaak en af en toe wordt er de spot mee gedreven. Hij vindt het een inconsequente en absurde, soms zelfs obscene boel. Daar stelt hij dan tegenover zijn eigen wereldbeeld met een God die schepper is.
Losgeweekt uit de context even een citaat waar we iets mee kunnen: ‘Rijkdom is namelijk iets anders dan geld. Wij noemen toch ook wijze, rechtvaardige en goede mensen rijk, terwijl ze geen of weinig geld hebben; zij zijn veeleer rijk door hun deugden, waardoor ze ook op het punt van hun materiële behoeften voldoende hebben aan wat er voorhanden is. Arm echter noemen wij de hebzuchtigen, die altijd begerig zijn en altijd te kort komen.’ blz 327, VII/12.

VIII. Een weerlegging van de ‘natuurlijke theologie’ wordt ons aan het begin van dit boek beloofd. Hiervoor gaan we naar de filosofen, met name platonici en en passant krijgen we een korte filosofiegeschiedenis vanaf Thales. Overigens kan Augustinus – en dat is begrijpelijk – wel waardering voor Plato opbrengen. Het laatste deel van dit boek gaat uitputtend over de demonen die volgens Apuleius tussen de goden in de hemel en de mensen op aarde staan. Zich steeds maar herhalend en het net weer anders zeggend wordt dit idee dus in alle stelligheid weerlegd. Als ik de laatste zinnen lees hebben we het daarmee nog niet gehad. Augustinus belooft in het volgende boek in te gaan op het fenomeen van de ‘goede demonen’…

[Even tussendoor; waar ben ik nu toch in terecht gekomen? die gedachte bekruipt me meermalen. Aan de andere kant is het juist wel boeiend om deze wat Asperger- achtige Augustinus te volgen op zijn route door een woud van vermeende denkfouten en weerleggingen…]

IX. Dit negende boek gaat vooral over demonen, goede en slechte. Platonici zien ze graag als een soort middelaar waar Augustinus natuurlijk niets van moet hebben. In het volgende boek belooft hij hierop door te gaan; ik verwacht dat dan ook die goede tussenpersonen, onsterfelijk, maar ook gelukzalig, besproken zullen worden…

X. Inderdaad, in dit boek veel over engelen en de verwantschap met platonici. Voor de lezer en Augustinus komt de onsterfelijkheid toch niet door die engelen en zeker niet door magie, maar door dienst aan en verering van God. In dit boek wordt met name Porphyrus geknipt en geschoren. Aan het eind van het boek kijkt de schrijver terug op de eerste tien boeken en zegt daarover het volgende:” De eerste vijf van deze tien boeken zijn geschreven tegen hen die de verering van de goden noodzakelijk achten met het oog op de goederen van dit aardse leven. De volgende vijf richten zich tegen hen die de verering van de goden gehandhaafd willen zien met het oog op het leven na de dood.” Zonderling, dat had ik er zo niet uit gehaald omdat de wegen die Augustinus bewandelt zo kronkelig zijn met zoveel uitzichten naar veel onverwachte kanten dat het einddoel soms niet helemaal duidelijk was. Misschien was dat zijn eigen conclusie ook en voegt hij daarom nog maar even deze korte samenvatting toe… Overigens eindigt het boek met de belofte dat het vizier weer wat meer richting die steden gaat.

XI. Terug naar die steden. Dat was tenminste het voornemen. Het gaat meer over de soorten engelen die de steden vertegenwoordigen en verder over tijd en eeuwigheid, over de schepping en vervolgens over meer theologische en filosofische zaken als de drie-eenheid, eingenlijke theologie, zijn en weten. Hier een daar best taai. En dan duikt er in XI, 30 in de context van de schepping het getal zes op. Er waren immers zes scheppingsdagen. Augustinus toont dan de volmaaktheid van het getal zes aan: ‘Zes is namelijk het eerste getal dat vol wordt gemaakt door zijn eigen delen, dat wil zeggen door zijn zesde deel, zijn derde deel en zijn helft, respectievelijk één, twee en drie, die bij elkaar opgeteld zes geven’. Daar was ik nou nooit op gekomen.

Augustinus

De start van een half jaar Augustinus; hoe kom je erop…
Door de tijd heen, en met name tijdens de Middeleeuwen, is Augustinus een heel belangrijk figuur geweest en aangezien de Middeleeuwen ook op het programma staan is dit halfjaar voor te stellen als voorbereiding op dat project. Later volgt er ook nog een brokje filosofie, daar heeft dit natuurlijk ook mee te maken. Je zou het ook nog kunnen zien als vervolg op het halfjaar Plato van een aantal jaar geleden.

Hoe ga ik het aanpakken? In ieder geval ga ik in vertaling ‘De stad Gods’ en – opnieuw – de ‘Belijdenissen’ lezen. Bovendien mogelijk andere dingen waar ik vast nog wel tegenaan loop. Daarnaast hoop ik nog wat geschikte secundaire literatuur tegen te komen. Ik schat zo in dat dit al met al een pittige exercitie wordt…

Hieronder leg ik een lijst aan met websites over Augustinus:

Het Augustijns instituut

Recentie van het boek van Paul van Geest, “Stellig maar onzeker”.

De regel van Augustinus

De site van Stanford

De site van specialist O’ Donnell

Over de biografie door O’Donnell