J’accuse! Émile Zola et l’affaire Dreyfus

En dan volgt nog de ondertitel: Une anthologie présentée par Philippe Oriol. Dit boekje is onderdeel van een serie Texte intégral van Librio. Misschien is het iets wat wij kennen als de ‘Lijsters’ of de Bulkboeken van vroeger. Het is in ieder geval een heel bijzonder boekje met een hele verzameling aan teksten rond de Dreyfus affaire. Belangrijkste document is natuurlijk ‘J’accuse! Lettre à M. Félix Faure Président de la République’, die eindigt met een aantal beschuldigingen die het retorisch hoogtepunt vormen van de brief.

Hoe zat dat ook al weer? De Joodse officier Dreyfus was eind 19e eeuw opgepakt en veroordeeld voor spionage om vervolgens ver van huis zijn straf te moeten uitzitten. Al gauw was het duidelijk dat hij volstrekt onschuldig was en iemand anders schuldig. Zola gaat zich gaandeweg met de zaak bemoeiden omdat hij verontwaardigd is over het anitsemitisme, het onrecht en het feit dat de Franse Republiek, gevestigd op de moeizaam bevochten waarden van de revolutie dreigt weg te glijden in barbarij.

Wat me is opgevallen en wat me destijds op school nooit zo duidelijk is geworden:
Het was echt een nationale kwestie.
Het ging niet alleen om antisemitisme; het ging net zo om het juridische apparaat; het ging om het nationale geweten.
De rol van Zola ging niet alleen over dát hij zei wat hij zei, maar zeker ook hoe. Hij gooit zoveel retoriek in de strijd dat men wel beschaamd de courant ter zijde moet hebben gelegd.

Het boek eindigt met een hele reeks krantenartikelen van voor en tegenstanders. Ook leuk.

Advertenties

Chrétien de Troyes – Le chevalier au Lion (Yvain)

 Dit is een deeltje uit de Traductions des classiques Francais du Moyen Age, een vertaling door Claude Buridant en Jean Trotin. Vertaling? Ja, een vertaling vanuit Middeleeuws Frans naar het Frans van 1982, toen het boek in Parijs is uitgegeven door de Librairie Honoré Champion.

Het tweede ridderverhaal dat ik nu van Chrétien heb gelezen. Eerder las ik Parceval en dat vond ik eigenlijk een rommeliger verhaal. Dit heeft naar mijn idee meer kop en staart. De korte versie gaat zo: Yvain wordt na een wonderlijk incident aangevallen door een ridder. Hij weet de ridder dodelijk te verwonden, achtervolgt hem tot in zijn kasteel en dan valt er izo’n spannend hek naar beneden en zit hij vast. Hij wordt gered door een dame en een onzichtbaar makende ring. Uiteindelijk wordt hij de heer van de dame die door zijn toedoen weduwe was geworden. Vervolgens gaat hij erop uit om ridderlijke avonturen te beleven. Hij heeft moeten beloven binnen een jaar terug te zijn. Dat lukt dus niet. Vele verhaallijnen en avonturen verder komt hij toch terug en weet hij de dame uiteindelijk tot vergeving en herstel van de relatie te bewegen. Voor de uitgebreide versie kijke men hier.

Wat is er nu aardig aan deze oude koek? Het is toch een kijkje in de 12e eeuw op een veel grondiger manier dan wanneer je een paar middeleeuwse illustraties bekijkt of door een oude kerk wandelt. Je krijgt iets mee van de sitz im Leben, het rare hoofse gedoe, de gelovigheid  – heel erg aanwezig maar ook oppervlakkig naar mijn idee. Bovendien komen dilemma’s rond trouw en broederschap mooi aan bod. Juist op dit punt staat deze roman ineens helemaal niet ver van deze tijd.

Hoe zat het nu met die leeuw. Yvain had tijdens een van zijn avonturen de leeuw gered uit een benarde situatie en sindsdien werden ze onafscheidelijk. Ook hier speelt trouw een grote rol.

 

Albert Camus – La chute

Een heel zonderling boekje, uitgegeven in 1956 bij Gallimard, dat bestaat uit louter monologen. Er is wel steeds sprake van een gesprekspartner, maar deze komt niet aan het woord. Deze spreker, ene Jean Baptiste, was advocaat in Parijs en maakte mee dat een vrouw van de brug sprong zonder dat hij iets deed. In de periode daarna verlaat hij zijn bezigheid als advocaat. Hij komt in de oorlog terecht, leeft met vrouwen zonder echte relaties aan te gaan en belandt ten slotte in Amsterdam waar hij een soort officier van justitie lijkt te zijn. Pas tegen het eind werd mij duidelijk dat hij wel aanklager is van zichzelf en de mensheid, maar niet in de formele entourage die je je daarbij voorstelt maar in een café. Het verhaal is de beschrijving van de val van Jean Baptiste, overigens een groot liefhebber van jenever. Zijn levensfilosofie komt zo voorbij en en passant ook die van Camus. Uiteindelijk een intrigerend boekje maar minder makkelijk leesbaar dan L’Etranger.

Elie Wiesel – Célébration hassidique

Een zonderling boek over de Chassidische beweging met als ondertitel ‘ portraits et légendes’. Het is een boek uit 1972 uitgegeven bij editions du Sueil.Het is geen historische studie; Wiesel vertelt van de Baal Sjem Tov tot en met Menahem-Mendel uit Kotzk over de hoofdpersonen van deze joodse beweging die in de 18e begon als radicale tegenbeweging waarin verschillende spirituele accenten werden gelegd. De belangrijkste bron voor Wiesel bestond uit de verhalen van zijn opa die zelf een fervent Chassied was geweest en blijkbaar vol zat met vertellingen over al die illustere lieden. Als lezer ga je zo op een bijzondere manier door de geschiedenis van de beweging tot in de loop van de 19e eeuw. Je maakt kennis met kleurrijke lieden; de een zweerde bij armoede, de ander bij rijkdom; de een was een verhalenverteller, de andere een ontregelende profeet. Dat betrof dan de genoemde Menahem-Mendel die wordt vergeleken met Kirkegard.

De stijl van Wiesel is soms een beetje zonderling. Hij gebruikt dan wat korte werkwoordloze zinnen achter elkaar om een situatie te schetsen. Enfin, daar valt ook wel weer overheen te komen.

Je kunt je nog afvragen of dit een betere kennismaking is met het Chassidisme dan de lezing van het oeuvre van Chaim Potok. Het is natuurlijk heel anders. Wiesel weet wel het leven van dat oost-Europese Chassidisch jodendom van binnenuit door al die verhalen levend te maken. Bij Potok maak je kennis met wat daarvan over is gebleven in het Amerikaans Chassidisme en van daaruit passeren en dan ook wel flarden van verhalen uit Europa.

Martin Buber heeft ook een boek met Chassidische vertellingen uitgegeven wat ik te zijner tijd nog ga lezen. Kijken of hierin de sfeer van Wiesels vertellingen herkenbaar is. Zo gaat dit boek nog een staartje krijgen.

Overigens is dit boek sinds 1983 in het Nederlands verkrijgbaar onder de titel: ‘Vuur in de duisternis: chassidische portretten en legenden’, uitgegeven door Servire.

Franse literatuur in een notendop

Een leuk boekje dat ik van de biep heb geleend. Het is in 2007 uitgegeven door Bert Bakker en geschreven door Franc Schuerewegen en Marc Smeets.
Het boek doet precies wat het belooft en begint bij de middeleeuwen, bij Villon en de Roman de la Rose; eigenlijk nog iets eerder. Met Rabelais en Montaigne gaan we door de Renaissance en zo arriveren we dan bij ‘le grand siècle’, de eeuw van Lodewijk XIV, de tijd van Racine en Molière. Via de verlichting – natuurlijk, Voltaire en Rousseua, maar ook Diderot – komen we dan bij die andere grote eeuw, die van Hugo, Flaubert, Balzac en Zola. Met een paar grote stappen (Proust, Sartre en Houellebecq om er maar een paar te noemen) zijn we in de huidige tijd beland.
Het is een aardig en zeer toegankelijk boekje dat uitnodigt tot lezen en dat zou ook best de bedoeling kunnen zijn geweest…

Albert Camus – l’Étranger

Opnieuw l’étranger gelezen. De vorige keer is toch wel even geleden; ik moet zo’n 16 of 17 jaar oud zijn geweest. De sfeer rond het eerste deel van het boek herkende ik nog wel. De ik- persoon moet op stap om z’n moeder te begraven en hangt verder wat rond, heeft een vriendin, werkt, gaat naar het strand.
Op een zondag gaan ze met zijn vriendin, en een flatgenoot, Raymond, naar vrienden van deze man die een huisje bij het strand hebben. Deze Raymond heeft ruzie met wat arabieren, er was iets met zijn vriendin aan de hand geweest. Deze arabieren blijken ook op het strand te zijn en gedragen zich bedreigend. Later komt de ik-persoon alleen op de plek terug en zonder grote aanleiding schiet hij een man dood met het pistool van Raymond.

Het tweede deel van het boek beschrijft het hierop volgende proces dat leidt tot de ter dood veroordeling. Tijdens het proces wordt er van alles bijgehaald; het kan alle kanten opgaan en loopt dus verkeerd af. In de cel na de veroordeling nemen de bespiegelingen toe. Zo begint het boek heel eenvoudig en helder met veel korte zinnen. Die zinnen worden op het eind dus langer en ingewikkelder.

Het gaat in dit boek over het toeval en de keus van de ik-persoon en de schrijver naar we mogen aannemen om de wereld niet te zien vanuit een godsdienstig perspectief. Hij is niet zondig, maar schuldig bevonden… Het boek wordt in verband gebracht met Camus’ kijk op het leven: het absurdisme. Deze term komt overigens niet letterlijk voor in het boek.

De titel slaat op de hoofdpersoon, een wereldvreemde man die nogal teruggetrokken leeft en vreemd reageert op situaties. Zo houdt hij niet van Marie, zijn vriendin, maar hij wil best met haar trouwen.

Overigens eindigde het boek bovenaan de ‘le Monde’-lijst uit 1999 van beste boek van de afgelopen eeuw…

Philipe Claudel – Le petite fille de Monsieur Linh

Een klein, fijn, teer en ontroerend boekje. De oude meneer Linh is net in het land aangekomen. Hij is met zijn jonge kleinkind gevlucht na oorlogsgeweld in zijn eigen land. Ik moest denken aan Cambodja of Vietman, maar er wordt geen land genoemd. Hij wordt opgevangen in de opvangcentrum van de havenstad waar nog een paar mensen uit zijn land zitten. Ze maken eten voor hem en laten hem verder links liggen. Af en toe gaat hij een ommetje maken en zo ontmoet hij zittend op een bankje een grote man, monsieur Bark, die daar ook zit. Er ontstaat een bijzondere vriendschap tussen twee droevige mannen. De grote man is weduwe. Verderop blijkt dat hij in het land van meneer Linh heeft gevochten toen hij jong was; iets waar hij enorm spijt van heeft.
Op zekere dag wordt dhr. Linh naar een soort instelling gebracht; het blijkt al gauw een gesloten instelling te zijn waar allemaal nogal apathische mensen verblijven. Na een mislukte poging ontsnapt hij met zijn baby en zwerft hij in ochtendjas de hele stad door. Opeens, na een enorme tocht, blijkt hij in de buurt van zijn oude verblijf te zijn. Hij ziet zijn vriend aan de overkant van de weg, steekt pardoes over en wordt aangereden. Ze ontmoeten elkaar weer, want hij is niet doodgereden. Over die ontmoeting zijn ze beiden ontroerd. Als lezer kom je er dan pas achter dat de baby een pop is en dat monsieur Linh van de weeromstuit niet helemaal goed meer is en daarom in die instelling zat.
Als gezegd, heel ontroerend. Een boek over vriendschap en menselijkheid wat mij betreft.