Jonathan I. Israel – Radicale verlichting

Hoe radicale Nederlandse denkers het gezicht van onze cultuur voorgoed veranderden. Zo luidt de ondertitel. Ik zou liever nog kiezen voor ‘Spinoza in Europa van 1650 tot de Franse Revolutie’. Het valt niet mee om zomaar even werk van Spinoza door te nemen en de Ethica is helemaal een klus. Dat komt door de wiskundige aanpak. Het boek bestaat uit een bouwwerk van stellingen.

Dit kloeke boek van Israel vormt een mooie methode om via een historische route kennis te maken met Spinoza, maar dan wel op een andere manier dan in een biografie. De historische context, het Europa tussen 1650 en 1789, komt goed aan de orde met een nadruk op de Republiek en de ontwikkelingen aldaar.

Op nauwgezette wijze worden de basisideeën van Spinoza uit de doeken gedaan en hoe die ideeën zijn overgenomen. Eerst door mensen uit zijn omgeving en al snel door filosofen uit Duitsland, Frankrijk en andere landen. Het wordt al snel duidelijk dat die ideeën gevaarlijk waren. Zo vormden een aanval op de geopenbaarde godsdienst en op de monarchiën. Het blijkt dat stadsbesturen zich ijverig bemoeiden met het vervolgen van Spinozisten en atheïsten. Verbanning of executie kwamen regelmatig voor net als boekverbrandingen. En dat niet alleen in de Republiek of in Duitsland. Tot in Italië toe was men beducht voor wat ook maar leek op het gedachtengoed van Spinoza. ‘De Spinosisti, waarschuwde Moniglia, “beledigen schaamteloos elke  samenleving, ieder gezag, alle principes, hemel en aarde, en maken alle wetten en alle gewoonten en edicten die die wetten ondersteunen belachelijk” (Israel, 566).’

Sommige minder radicale stromingen van de vroege en latere verlichting lieten, zoals ook Descartes, ruimte voor soort godsgeloof. Bij Spinoza is het woordje god niet verdwenen, hij is echter geen persoon meer, maar valt samen met de natuur die kan worden onderzocht en begrepen. Zo kon er geen ruimte zijn voor bijgeloof, wonderen en de duivel, noch voor een belonende of straffende god. Zo vervalt ook de goddelijke grond voor de verdediging van monarchiën.

Het is een waanzinnig grondig boek en niet voor niets redelijk dik. Tal van personen worden gevolgd maar daarnaast wordt de ontwikkeling van de vroege verlichting in veel hoeken en gaten van Europa besproken. Bijkomende charme aan dit boek bestaat uit de bibliografische belangstelling. Regelmatig vernemen we hoeveel boeken iemand wel niet bezat en of dat exemplaren van de tractatus en de Ethica bij zaten. Israel heeft vaak veilinglijsten opgeduikeld waar het boekenbezit van overleden filosofen uit bleek (Hoeveel boeken heeft deze man ondertussen zelf staan!?). Wat hij ook altijd vermeldt is wie het boek gedrukt heeft  – vaak een hachelijke klus – en waar.

De boodschap van het boek: Heel veel van wat de Verlichting in Europa inhield is terug te voeren op Spinoza, terwijl we bij het woord Verlichting vaak en vooral denken aan Diderot, Voltaire en Roussau.

 

 

 

Advertenties

Johan de Witt – hoofdstuk 3

Na de dood van de Britse koning Karel I, als slachtoffer van de dwepende Cromwell gevallen, die met de mom van de godsdienst en het masker van gemenebestgezindheid zijn perkeloze heerszucht bedekte, hadden zich de gezagvoerders van het Nederlands gemenebest vruchteloos gevleid, om door bezendingen en onderhandelingen het zwaard des oorlogs in de schede verzegeld te houden, en onder de schaduw van de olijven van de vrede, de staat de voordelen der vrijheden van een onbelemmerde koophandel te doen smaken. De, tot op dit ogenblik krachthoudende, zo beruchte Acte van Cromwell, tot aanwas van scheepvaart en koophandel der engelsen, ofschoon in bewoordingen van een algemene strekking bevat, had bijzonder ten doel, de Nederlandse koophandel, dat voorwerp der blakende jaloezie van Engeland, de hartader af te steken. Vruchteloze pogingen tot derzelver intrekking; de vijandelijke ontmoetingen van de oude Tromp en de Engelse admiraal Blake; nutteloze gezantschappen, ofschoon zelfs versterkt door de raadspensionaris Paauw; algemene verbittering der landzaten…. alles maakte het behoud van de vrede onmogelijk. De ene roemrijke zeeslag volgde de ander op; met luister woei de vlag van de stengen der staatse kielen op alle zeeën, en blonk zelfs de fiere en trotse Britten op hun krijtgebergte in de ogen; soms vervangen door de beschimpende en tartende bezem, ten bewijze, hoe de Nederlandse helden de oceaan van zeerovers schoongeveegd hadden. Zwaar echter drukte de last van de roemrijke oorlog op de ingezetenen van de staat, terwijl het vuur van de partijschap, hoewel onder de as verborgen, echter niet uitgedoofd, i het midden van de ramp des oorlogs, vonken verspreidde, die bij het onweer, dat de staat van buiten begrimde, een algemene ondergang aan het vaderland dreigde.
In het midden van de krijgsroem, in het midden van deze staan van aanwakkerende verdeeldheid, werd de levensdraad van de Raadspensionaris Paauw afgesneden; die, nog zo kort geleden, alle de krachten zijner bekwaamheid vruchteloos bij de trotse Cromwell had te koste gelegd, om het vaderland voor de verderfelijke oorlog te behoeden. Staande het afzijn van dit aanzienlijk hoofd van Hollands Stateu in Londen, had Johan de Witt, als Pensionaris van de oudste stad van Holland, reeds die roemrijke en moeitevolle post bekleed. Op de doodsmare van de raadspensionaris Paauw, verenigen zich alle de stemmen der leden van staat op de persoon van Johan de Witt. Met eenparigheid wordt hem dit aanzienlijk ambt opgedragen.
Groot was de vreugde in het geslacht der de Witten over deze gebeurtenis. Vader Jacob de Witt was bij de aanstelling tegenwoordig. In het verblijf der Dortse staatsleden, na het scheiden der vergadering eerst teruggekeerd kondigde deze aan zijn zoon Cornelis, daar toevallig zich bevindend, de bevordering van zijn zoon Johan aan, daar hij met verhaaste tred het vertrek binnenkwam, waar deze gezeten was:
‘Zie daar, mijn dierbare zoon! een der hoogste wensen van mijn hart vervuld. door de algemene stemmen van de Staten van Holland, is uw broeder Johan zo even tot Raadspensionaris verkozen. O hoe streelt dit mijn vaderlijk hart….

Cornelis

Gij kent mijn hoogachting, mijn liefde voor mijn broeder. Gij leest mijn vreugde op mijn gelaat: lees daarop de blijdschap die mijn hart doorstroomt.

Jacob

Welk een luister, mijn kind, verspreidt deze zo vroegtijdige verheffing tot het aanzienlijkst ambt van de staat over ons geheel geslacht. Zo, zo beurt het na smadelijke verdrukkingen, die het onlangs onderging, met vernieuwde glans het hoofd omhoog. Nog geen acht en twintig jaren heeft u broeder bereikt, en reeds zie ik hem bekleed met een waardigheid, anders alleen aan de ervarenis van rijpere ouderdom toevertrouwd.eug

Cornelis

Gelukkig en groot, dit voorspelt mij mijn hart, zal de staat zijn onder zijn bestuur. Immers verenigt niet mijn dierbare broeder, daar zijn schranderheid en wijsheid het gebrek der jaren vervullen, de ervarenis des ouderdoms met het vuur der jeugd. De bedaarde raadslagen van de grijsaard zal hij met de vlugheid van de jongeling en de krachten van de man ten uitvoer brengen.

Jacob

Verheug ik mij over de spoedige bevordering van uw broeder; even hartelijk verheug ik mij over de oprechte blijdschap die uw geest vervult, op de mare van zijn verheffing. Vrij van alle lage ijverzucht over de roemrijke post, welke uw’ jongere broeder bekleedt, zie ik op uw gelaat hoe uw hart in u gloeit van de verrukking over het aangenaam verschiet waarin gij het dierbaar vaderland een gelukkige toekomst voorspelt.

Cornelis

Daar het heil der vaderlands alleen het grote voorwerp mijner gebeden en wensen uitmaakt, is er geen plaats open in mijn hart, waar de afgunst kan insluipen, en dat omtrent een broeder, die ik, hoe hoog hij door de leden van Hollands staatsvergadering moge geschat worden, beter nog dan zij, kenne in zijn schranderheid, in zijn onvermoeide werkzaamheid, en bovenal in zijn onverzetbare standvastigheid, om het door hem gevormd ontwerp tot stand en in werking te brengen; en dat in deze alles zegt, in zijn onkreukbare liefde voor het vaderland en het heil dezer provincie.

Jacob

En daar dit gewest afgescheurd moet blijven van de Stadhouderlijke invloed, wie toch, wie is daartoe geschikter dan uw broer, die reeds zo dikwerf met alle krachten de pogingen tot herstel van de zoon van Willem II in aanzienlijke krijgsambten heeft tegengegaan, – en nog, kort geleden, met gevaar van zijn leven, de Zeeuwse bondgenoten voor een overhaaste stap ter bevordering van de vijanden van ons stamhuis heeft bewaard… Maar ik zie uw broeder naderen… (met drift en een uitgestrekte hand zijn zoon tegmoet snellende) Geluk, hartelijke geluk, mijn zoon, met de post, heden door de algemene stem der Staten u toegekend!

Cornelis

Geluk, mijn broeder, geluk met uw bevordering, waarmede het vaderland en alle braven zich nog meer dan wij mogen gelukwensen.

Johan de Witt

Heb dank – mijn vader! Heb dank mijn broeder, voor het hartelijk deel, dat gij in mijn bevordering tot het blinkendst maar tevens zorgelijkst  ambt van het Gemenebest neemt. Ik heb bij mijn eed met diepe ontroering al het gewicht van het hoofdbestuur der aanzienlijkste van de gewesten van deze staat op mijn schouders voelen nederzinken – maar ik ken reeds bij ondervinding het netelige, het tedere, het gevaarlijke van die post. Maar uw vreugde, mijn dierbare broeder, streelt mij – en bovenal de blijdschap van mijn grijze vader. Hoe zal ook de tijding van mijn bevordering het hart van mijn moeder verheugen. Ja, ja, ik durf u verzekeren, mijn vader, dat mij, evenals Epaminondas, na het winnen van de slag bij Leuctra, deze zo aanzienlijke eer, de hoogste eer, in dit roemrijk Gemenebest te beklimmen, mij het meest verheugt, omdat mijn ouders dezelve beleven mogen.

Jacob

Nog deze dag zal ik uw moeder, wier toenemende zwakheid haar meer en meer aan haar bed kluistert, uw bevordering melden. O het geluk der kinderen is een middel ter verlenging van het leven hunner ouders.

Johan

Behalve uw vreugde streelt mij ook het blijkbaar ongeveinsd genoegen, dat ik bij de meeste leden van Staat ontdekt heb… Zelfs de oud-raadspensionaris Kats, mij ontmoetende bij de uitgang van de vergaderzaal, daar hij op weg was naar zijn lustverblijf, het besluit der staten vernomen hebbende, snelde mij tegemoet en wenste, mij de handen drukkende, hartelijk geluk… En, daar hij zo vaardig is met gedichten, voerde hij mij toe, uit een, hetwelk hij onder handen had, waarin hij van zijn bekleedde post als raadspensionaris spreekt:

Ik moest op deze stroom met grote aandacht zeilen,/want op een harde kust daar moet men dikmaal peilen:/Al wie bezijden af ging treden aan de ree,/die gaf zijn zwakke voet ten beste aan de zee./De winden bliezen hard, en maakten grote baren,/en bij mij was er nooit zo holle zee bevaren:/maar toch ik kwam er uit, doch door mijn wijsheid niet,/’t was Godes Vadergunst, die mij ten besten riedt.

De grijsaard zei dit met zulk een nadruk, dat mij de regels ogenblikkelijk in het geheugen vasthechtten,… en nadat hij het ambt van Raadspensionaris aan mijn voorganger overgaf, is de zee van het bestuur dezer landen niet veel effener geworden.

Jacob

Gij kent mijn hoogachting voor die beminnelijke goedaardige en godvruchtige heer, maar beter is hij geschikt om zich aan de stille letteroefeningen toe te wijden, en op zijn zorgvliet aangename gedichten voor zijn medeburgers op te stellen, dat uit te schitteren aan het hoofd van Hollands Staten, of de klem van derzelver achtbare hoogheid te handhaven.

Cornelis

De zachtheid van zijn geest is zeker onbestand tegen de botsingen aan welke de onrustige tijden de staatsman dagelijks is blootgesteld. Meermalen hebben mij leden van Staat verhaald hoe hij, nadat Willem II hem berichtte, dat gij mijn vader, met de overige leden in verzekering genomen waart, en hij zelf gereed stond om met krijgsmacht naar Amsterdam te rukken, bevende van spraak en handen deze stappen der vergadering mededeelde, en hoe zijn voorbeeld van ontsteltenis en vrees de schrik, die de meeste harten bevangen had, vermeerderde.

Johan

Hachelijk, zeer hachelijk mijn broeder was dat ogenblik,…. en ik hoop, dat God mij in zijn genade bewaren zal, immer met zulk een last in ’s lands vergaderzaal te zullen moeten verschijnen…  Al vergat ik dan alle persoonlijk gevaar, gelijk ik geloof, dat de man van staat behoort, zal hij het land van wezenlijke dienst zijn; al ben ik van een koeler en hardvochtiger gestel, dan nog zou mij de schending van ’s lands rechten en vrijheden zo diep treffen, dat ik de ontroering niet voor mijn medeleden zou kunnen verbergen.

Jacob

Nooit,mijn zoon, nooit zal het, zolang gij uw ambt bekleedt tot die uitersten komen, of gij zult tevens een slachtoffer der overheersing zijn, gelijk uw vader… Vergeet, herhaal ik u, op dit plechtig ogenblik, welk het lot van de zoon van Willem II [ook] moge worden, nimmer, dat zijn vader uw vader, om het voorstaan der rechten van deze Provincie, in een kerker heeft opgesloten. Die gedachten zullen u wapenen tegen flauwmoedigheid…

Johan

Stel u gerust, mijn Vader! Alles, alles zal ik aanwenden wat volgens de afgelegde eed het heil des vaderlands en de hoogheid dezer Provincie bevorderen kan – alles wat strekken kan om vaderland en vrijheid te behoeden tegen de schennissen, waaraan het somtijds door de paalloze invloed der stadhouders was blootgesteld. Maar, zal ik gelukkig slagen in mijn ontwerpen tot heil van het volk en vaderland, zal ik de oproerige bewegingen dempen, die de grondzuilen van de regering schokken – dan, dan zal het bovenal nodig zijn dat ik een einde maak aan de oorlog, dat ik de gehele Republiek, en bovenal de Provincie Holland, de aangenaamheden en voordelen des vredes smaken doe.

Jacob

 

 

 

 

 

 

 

 

Johan de Witt – hoofdstuk 2 – deel 2

Allengskens nadert hij de abdij waar de Staten van Zeeland vergaderd zijn. – Op het met statige bomen beschaduwd plein gekomen, deelt hij nu zijn ambtgenoten mede, hoe hij in de aloude bouworde van deze omtrek een zweem van gelijkheid met het hof van Holland bespeurt – en onder deze gesprekken vertoont zich de prachtige poort van blauw arduin, waarboven het wapen van Zeeland in wit marmer uitgehouwen hem in het oog valt. – De poort intredende voert hij zijn lastgenoten toe: Luctor et emergo, en een fiere glimlach doet hun in volle nadruk de ware mening van de met kracht uitgesproken staatsspreuk van Zeeland beseffen. -Na enige ogenblikken vertoevens wordt de vergaderzaal van de Staten van Zeeland voor hem ontsloten. Hoe klopt hem het hart van vaderlandse genoegens, daar hem de tapijten, die de wanden van dat vertrek bekleden, de roemrijkste zeetriumfen, bij de grondlegging van dit gemenebest door de fiere Zeeuwen behaald, en  door de borduurnaald van Johanna de Maegt, een Zeeuwse kunstenaresse vereeuwigd, voorstellen. –
Op de gestoelten, geschikt voor de Hollandse afgevaardigden, die de Zeeuwse Staten met angst uit hoofde van het geweld, dat hun misschien de toegang zou gesloten hebben, verbeidden, nam Johan de Witt plaats met zijn ambtbroeders. – Hier heerst een aangename rust en kalmte, en de achtbaarheid van Holland, na enige ogenblikken de gevaren van de onbezonnen volkswoede getrotseerd te hebben, voelt het strelende der veiligheid, in de zo eerbiedwaardige kring der vergadering van een zusterlijk gewest, door de banden der natuur aan Holland vermaagschapt, en welks voor- en tegenspoed, als met onverbreekbare ketens van het noodlot, aan dat van Holland sedert eeuwen geschakeld is.
Hier opent De Witt zijn last met met nadruk, deftigheid en welsprekendheid. Hij draagt alle de redenen van bezwaar voor, welke het naburig holland koestert, om de pasgeboren prins reeds te voorschikken tot kapitein-generaal der land- en zeemacht van de staat, – en om graaf Willem van Nassau, Stadhouder van Vriesland, gedurende de minderjarigheid van de vorst tot deszelfs luitenant te kiezen. Na een breed vertoog van staatkundige beweegredenen, sluit hij met deze woorden: “Edelmogende heren! getrouwe buren en bondgenoten van onze provincie! Wie onzer kan beslissen welk het lot van de nog jeugdige vorst zal zijn, die nog sprakeloos, gelijk aan alle andere kinderen van zijn jaren, daar nederligt. ’t Is zeer mogelijk, dat hem de voortreffelijkste en edelste hoedanigheden, als een gunsteling des hemels, ten deel vallen; dat hij als zijn grootvader Frederik Hendrik, een zegen voor dit gemenebest, een vader van burgers worde. – Maar immers, ’t is ook mogelijk dat hij, de voetstappen van zijn vader drukkende, de rechten en vrijheden des lands met een geweldadige hand zal aangrijpen en dit volk onder het juk van een stadhouderlijke alleenheersing zoeken te brengen; een volk dat tachtig jaren streed om het gravelijk juk af te schudden. – Waarom zullen wij ons zo ontijdig haasten met gunsten te verspillen aan en vorstelijke telg, wier karakter onbestemd, wier deugden en ondeugden nog in de kiem der toekomst besloten liggen? – Waarom zullen wij ’s lands geluk en de vrijheid des vaderlands aan een onopgelost raadsel wagen? – Laten we onderstellen dat hij, tot jaren van onderscheid opgegroeid, zich zonder dadelijke verdiensten door staatsbesluiten reeds overladen vindt met de gunstbewijzen des volks: Voor zo roekeloos weggeworpen en aan hem verspilde weldaden zonder wezenlijke verdiensten zal hij zich een kleine dank mogen schuldig achten. Zal hij niet moeten wanen, dat alles wat hem, als een kind is opgedragen meer wettig aangeërfde bezittingen, dan dadelijk bewezen gunsten zijn? Laten wij er nog mogen bijvoegen dat de prins tot mannelijke jaren geklommen, zich nooit met recht zal hebben te beklagen over de ongenegenheid van de aanzienlijken des lands bij zijn geboorte. -Hoedanig is dezelve niet reeds bij zijn doop gebleken. – Hoe hebben de steden van Holland gewedijverd om elkaar de loef af te steken in ruime pillegiften. – Hebben de algemene Staten, hebben onze lastgevers niet als gevaders over het kind bij de doop gestaan? – Dat wij u nog in bedenking geven of het niet overtollig, of het niet schadelijk is, gunst op gunst zo vroegtijdig op een te hopen, ten aanzien van een vorst die door zijn doorluchtige verwantschappen en grote bezittingen altijd van gewichtige invloed zijn zal op de belangen van dit gemenebest; zou, uit overweging hiervan alleen, door de ontijdige bevordering van zulk een doorluchtig personaadje ’s lands vrijheid, ten prijs van zoveel bloeds verworven, niet te zeer in de waagschaal gesteld worden? – Onze lastgevers dringen hierop met meerder nadruk aan, daar een zo verse proeve ons gewest de buitensporige eerzucht van een stadhouder heeft doen gevoelen, naar het opperste gezag dezer Republiek dingende, schoon hij, als stadhouder nauwelijks met kleiner macht bekleed was dan de graaf wiens gezag onze vaderen zo plechtig hebben afgezworen.
Hoe dringt deze taal in de gemoederen der Zeeuwse Staten die, als door het goddelijk vuur der vrijheid bezield, gevoelen hoe hun aanzoek bij hun bondgenoten strekking heeft, om, buiten noodzake, het oppergezag der krijgsmacht van dit gemenebest op te dragen aan een kind, nog onmachtig om zichzelf te beschermen, wiens toekomende hoedanigheden voor alle eindige verstanden en begrippen raadselachtig, volkomen onoplosbaar zijn. – Met dankzegging wordt de moedige en fiere taal der Hollandse bondgenoten ontvangen, en zij heeft kracht genoeg om althans voor dit ogenblik de ijver der Zeeuwse staatsvergadering te matigen en de ontijdige verheffing van de jonge prins te verschuiven.
Na vele plichtplegingen verliet de Hollandse bezending de vergaderzaal der Zeeuwen, en weldra de hoofdstad van het gewest. – Te Veere, de kweekschool van zovele stoute en dappere zeebonken, wachtte het jacht der Staten de Hollandse afgevaardigden. Bij het waaien van de vlag der staten van Holland, en onder het lossen van het geschut, zo van de wal als van het jacht, verlaat het prachtig vaartuig de haven van Veere. De Witt, op het dek staande, beschouwt met gevoelig genoegen die aloude zee-stad, zo welgelegen voor handel en visserij. – Hij bewondert het uitnemend en bekoorlijk gezicht dezer stad, zich met zoveel luister uit de golven opheffende, terwijl haar trotse torens in zee zich spiegelen; maar erinnert tevens zijn medeafgevaardigden aan de onvastheid van de Zeeuwse grond, die slechts weinig jaren (1630) geleden, eensklaps bij stil weer, een hoge toren van arduinsteen in een nacht in de diepte verzonken was.
Met een hart, voldaan over het zoveel mogelijk ter uitvoer brengen van zijn last, keerde de Witt terug en verheugde zich tenminste ditmaal door het gezag van Holland, dat gewest, hetwelk hem zo na aan het hart lag, als van zoveel gewicht voor het gheel bondgenootschap, de zo ontijdige verheffing van een afstammeling, gesproten uit het bloed van de vijand zijns vaders, gestuit te hebben. Hij reikhalsde reeds weer naar de staatsvergadering van het Gewest zijner geboorte, ten einde daar verslag te doen van het wedervaren van derzelver afgevaardigden, en hoe zij, ondanks de verblinde woede des gemeens, in hun pogingen geslaagd waren. – ’t was alsof de wind de wensen van de doorluchtige staatsman begunstigde, en of de golven met ontzag spoediger vluchten voor de Hollandse Leeuw, die, voor het galjoen van het statig jacht, overspat met het schuim der golven, de zwemmende Leeuw van het Zeeuwse wapenschild nabootste. Met de middag in zee gestoken, zag de Witt, nog eer de zon in het westen zonk reeds de stompe toren zijner vaderstad. Na het vallen van de avond stapten hij benevens zijn mede-afgevaardigden aan wal, – en het huis van de oude de Witt ontving hen al welkome vrienden en broeders terwijl bij het verhaal van hun ontmoetingen het hart van de grijsaard juichte over de fierheid van zijn zoon, een dankbaar oog opslaande tot het opperwezen dat hem uit zulk een ogenschijnlijk en dreigend gevaar gered had, om eerlang met roemde hoogste poest van eer in het Gewest Holland te bekleden.

Johan de Witt – Hoofdstuk 2

Ter vertroosting der aanklevers van het stadhouderlijk huis, met reden in zulk een bittere rouw gedompeld, bracht acht dagen na de dood van Willem II deszelfs diep bedroefde weduwe, Maria Stuart, dochter van wijlen de ongelukkige Karel I, koning van Engeland, een zoon ter wereld. Openbare blijken van vreugde kondigden de geboorte aan, en het gelui der klokken verspreidde die blijde mare door het gehele vaderland. Nu beijverden zich liefde, vleierij en staatkunde, om het pasgeboren wicht, wiens betrekkingen zo bealngrijk konden worden, op de plechtigste wijze met pillegiften te beschenken, bij gelegenheid, dat hij door de doop aan het christendom werd toegeheiligd. De afgevaardigden der algemene staten en staten van Holland, gemachtigden uit de steden Amsterdam, Delft en Leiden, stonden als gevaders over de doop van de voerstelijke telg, die de naam van Willem Hendrik ontving. Veel twist viel er over de voogdijschap, en alles kentekende de belangrijkheid van de persoon, die, schoon nog als een onnozel en weerloos wicht daar nederliggende, door het lot der geboorte bestemd was voor aanzienlijke verwachtingen. – Geen wonder dus, dat bij het algemeen, en vooral bij de zodanigen, die, of door gunsten aan zijn stamhuis verknocht waren, of door verre hope zich vleiden, om eenmaal langs glibberige trappen des stadhouderlijke hof tot voordelige eerambten op te stijgen, of ook bij edeler harten, die zonder ambtbejag, op de verdiensten en daden der voorouderen met dankbare liefde starende, en het heil des vaderands aan de luister van het Huis van Oranje onafscheidelijk verbonden achtende, de pasgeborenen in die erkentenis en hartelijke genegenheid deden delen; geen wonder, dat bij die allen spoedig zich een neiging openbaarde om het nog onmachtig kind met de aanzienlijkste staats- en krijgsambten te bekleden. Niet vreemd, dat bij de min beschaafde en altijd op iets blinkends gestelde smalle gemeente deze neiging min regelmatig werkte – en dat de tegenkantingen, die de uitwerksels van deze ijver, liefde en voorkeur ontmoetten, woeste volksbewegingen verwekten, die zich met de meeste kracht in Zeeland bespeuren deden. Zelfs stonden de staten van dat gewest gereed de pas tweejarige prins het kapitein en admiraal-generaalschap van de staat optedragen. De staatsleden van Holland, geheel anders gezind, begonnen te duchten dat Zeeland wel spoedig tot een nadere stap komen zou; zij zonden dus enige afgevaardigden uit hun midden naar dat gewest om hetzelve af te raden tot het doen van een verdere stap, naar hun gevoelens voorbarig en verderfelijk voor het algemeen welzijn. –  De staten van Holland plaatsten aan het hoofd dezer bezending niemand anders dat de schrandere welsprekende en onversaagde Johan de Witt, vergezeld van Johan Huidekoper, burgermeester van Amsterdam, Jacob van Nieuwstad, schepen van Alkmaar en Francois Riccen, pensionaris van Purmerend.
Middelburg, de hoofdstad van Zeeland, op het eiland Walcheren, waar de abdij tot een hoge vergaderplaats der staten van dat gesest verstrekte, was blootgesteld aan de ongeregeldste uitspattingen van onkundige en onbezonnen mensen, op geliefde klanken azende. Het gerucht verspreidde zich door alle deszelfs straten, dat de bezending uit Holland, die te Veere aan wal gestapt, terwijl de leden der Zeeuwse staatsvergadering buitengewoon beschreven werden, Vlissingen, de wieg en bakermat van de Witts diebare vriend, de zeeheld de Ruiter, een bezoek gaf, met gaan ander oogmerk gekomen was, dan om de staten van Zeeland in hun besluiten gunstig voor het gezag van de vorstelijke afstammeling te doen aarzelen.
Gejoel van groot en klein vermengt zich onder een. – Allen heffen een kreet aan ten voordele van het stamhuis van Oranje, – de forse Zeeuwse matrozen hebben het oranje om en aan hun ronde hoeden gestrikt en onder het wuiven en hoezeën zwieren de lange afhangende linten door de lucht, – hun geschreeuw wordt opgevolgd door dat van honderden arbeidsgezellen; allen met die schitterende schone en afstekende kleur, de leus des oproers geworden, opgepronkt. – Vrouwen en kinderen, oud en jong, alles, allen versierd met linten en strikken, wemelen door een. – Zij ontmoeten een trommelslager, volk wervende in de naam der Staten. Voor enige ogenblikken luistert de anders zo woelige hoop, maar bemerkende, dat hij de naam van de prins van Oranje niet gebruikt, verdooft het hees gekrijt welras het geluid van de trommel; welras grijpen de tamboer enigen uit het grauw bij de kraag en snijden hem de trommel van het lijf. Zo oefent de opgeruide hoop een kinderachtige wraak op een onnozele uitvoerder van de bevelen zijner officieren. – Zo vertoont zich de onbeschaafde en ruw opgevoede menigte, in het lichaam ener geregelde burgermaatschappij als een tussensoort van wezens; het verstand in de staat der kindsheid – en het lichaam in die der volwassenheid – losbandig in het aanwenden van hun krachten, – en aan de gang gebracht, de woestheid van wilde volkeren vertonende. – Veel neemt de staatkundige, van welke partij ook, voor zijn rekening, die in een maatschappij dat lichaam, welks krachten zo onberekenbaar zijn, in werking brengt tot het bereiken zijner oogmerken.
Welk lot staat de afgevaardigden van Holland te wachten, die nu de Vlissingse poort van Middelburg weer naderen. De wachthebbende officier aan dezelve treedt hen nader, daar zij hun rijtuig verlaten. Johan de Witt, van een gestalte die zelfs op de eerste aanblik eerbied inboezemt, in deftige raadsheerlijke kleding gedost, stapt aan het hooft der bezending. –
Welk een vreemd gedruis, zegt hij (zich tot zijn mede-afgevaardigden wendende), welk een gedruis schijnt er binnen de muren van Middelburg plaats te hebben.

Johan Huidekoper

Ik  hoor duidelijk het geschreeuw van een woeste menigte. – Hoor, hoor die kreet…

Johan de Witt

Wel beantwoordt die aan de versiersels, waarmee sommigen, die ons met dreigende aangezichten toegrimden, ons op de weg van Vlissingen reeds ontmoet zijn… Maar de officier der bezetting, die ons nadert, zal ons daaromtrent in het zekere kunnen onderrichten. –

De officier

Mijne heren! Ik kan niet nalaten om, eer gij de stad binnentreedt, u kennis te geven van haar inwendige toestand. Ik behoef u niet te melden dat er iets bijzonders binnen dezelve gaande is, – daar het gejuich en gejoel hier u duidelijk overtuigt dat de smalle gemeente  op de been is… Ongaarne…

Johan de Witt

Ga voort, mijn heer! – Schroom niet uw mening rondborstig open te leggen…

De officier

Ongaarne zouden de Staten van Zeeland uw plechtige bezending gehoond zien… en echter kunnen zij u, zo min als ik, vreeze daarvoor ontveinzen. Het gemeen is op het bericht van de terugkomst der Hollandse afgevaardigden op de been geraakt. – Het heeft zich reeds aan enige baldadigheden schuldig gemaakt.- Het woelt, het schreeuwt, als onzinnig onder elkander. – Ja, het doet mij leed zulks te moeten zeggen, maar men ontziet zich niet van bedreigingen tegen de Hollandse bezending uit te slaan…

Johan de Witt

En dus mijn heer! zoudt gij ons aanraden terug te keren?

De officier

Althans ik heb last van de Staten u voor te slaan, of het niet beter geraden zijn zou, uw voorstel in geschrift te doen, en uw personen niet aan de verbolgen baldadigheden van het gemeen te wagen. De wethouders van Middelburg hebben mij gelast u aan te bieden, of de bezending zou verkiezen, dat zij de prekikanten bewogen, om het grauw te beteugelen.

Jacob de Witt

’t Zou ver moeten gekomen zijn, indien van de zijdelingse invloed der geestelijken de veiligheid van een bezending van de vergadering van Holland zou moeten afhangen.

Jacob van Nieuwstad

In ons echter zou de eer en hoogheid van Holland geschonden worden. Zou het ons wel geoorloofd zijn die bloot te stellen? Zouden wij in een schriftelijk vertoog…

Johan de Witt

Een bezending van de Staten van Holland zou niet veilig de Hoge Vergadering van die oner Zeeuwse naburen kunnen naderen. – Zij zou genoodzaakt zijn, om, vreesachtig en lafhartig, in plaats van zich te vertonen, een schriftelijk vertoog in te zenden. Het zou ons hier aan bescherming ontbreken…

Jacob van Nieuwstad

Indien echter de moedwil van het gepeupel eens zo verre zich uitstrekte, dat het ons geledigde, en…

Francois Riccen

Indien men zich niet ontzag, om ons te mishandelen, om (want waarvoor staat de menigte, eens aan het hollen gebracht, stil) de handen aan ons leven te slaan.

Johan de Witt (met een fiere houding, en een moedige blik zijn mede-afgevaardigden aan ziende en op een vaste toon)

Onze last, mijne heren! is van mond tot mond te handelen met de Staten van dit gewest. – De Staten van Holland, onze lastgevers, zouden zich met recht wegens ons beklagen, indien wij door een slchts mogelijk gevaar weerhouden, van de last afwijkende, onze bezending in het overbrengen van een schriftelijk voorstel deden bestaan… ’t Is hun, het is ons bekend, hoeveel in vele gevallen een mondelinge voordracht in vermogen en nadruk vooruit heeft, boven een schriftelijk vertoog. Dode letteren halen niet in kracht van overtuiging bij levendige woorden. Behalve dat wij, in de vergadering tegenwoordig, elk woord door ons gesproken, ogenblikkelijk kunnen ophelderen – en het misverstand geen vat heeft op gesproken woorden, die wij ogenblikkelijk kunnen verklaren, terwijl het zich vasthecht aan letteren, en dikwerf onuitroeibare wortelen van wrokkende vijandschap schiet. – En wat de oproerige bewegingen aangaat –  het gepeupel is meestal verslagen op het gezicht van mannen, met aanzien bekleed, wanner zij, met bescheiden voorzichtigheid en koene onverschrokkenheid voor het licht treden. Dan vooral, wanneer deszelfs aanvoerders en stokebranden geen onmiddelijke rugsteun vinden bij de zodanigen, die het opperste bewind in handen hebben. En daaromtrent het een ogenblik te twijfelen, zou de goede trouw van de Staten van dit gewest met een honend vermoeden bezoedelen.

Francois Riccen

Indien echter…

Johan de Witt

Indien echter… de menigte baldadig voorsloeg. Laten wij het ergste onderstellen. Dat het volk zover opgehitst ware, dat het ons drufde beledigen, dat het zelfs een onzer, of ons allen het leven benam. Welnu! De staatsman die een last op zich neemt, staat in vele opzichten gelijk met de krijgsman… Immers, zo onze officier als een man van eer op zich genomen heeft om de  toegang van deze poort met zijn manschappen te beschermen, kan hij zonder last, om af te trekken, niet nalaten, welke gevaren hem bedreigen, aan dat bevel te voldoen – of hij verzaakt zijn plicht…zijn eer…zijn eed.

Jacob van Nieuwstad

Er komen echter omstandigheden, waarin onze lastgevers zich niet konden voorstellen, dat hun afgevaardigden zouden geraken – Tijden waarin men soldaat- en zeemanschap gebruiken mag. – Hoor, hoor het woest getier in de stad zich verheffen… Ik houd mij verzekerd, dat de Staten van holland, hiervan kennis dragende, hun achtbaarheid in onze personen niet zouden willen blootgesteld zien…

Johan de Witt

Wat mij betreft, mijne heren! ik verlaat mij zoals ik reeds aanvoerde, op de trouw en bescherming van de Staten van dit gewest – op een klein geleide van krijgslieden, genoegzaam om ons de weg te banen –  ik verlaat mij op de deugdelijkheid onzer zake – in wie uwer met mij mee gaat – of dat gij allen achterblijft – ik ga, gerust op het betrachten van mijn plicht, des noods, wanner gij terug keert naar Vlissingen, alleen, naar de vergaderzaal van de Staten van dit gewest – en voel mij gehartigd om, er kome van wat het wil, de last mij opgelegd te volvoeren…. (tegen de officier) Mijn heer! doe ons met enige  manschappen, zoras wij de poort binnen zijn, naar de vergadering der Staten geleiden.

Zo sprekende treed hij zonder verdere redenwisseling mij zijn ambtgenoot Johan Huidekoper en de officier vooruit; en de twee andere zijner mede-afgevaardigden, half bemoedigd door zijn mannelijke taal, half zich schamende, om verder blijken van vreesachtigheid aan de dag leggen volgden hem op een kleinde afstand. – Enige weinige manschappen der bezetting aan de poort gaan, zoras zij dezelve ingetreden zijn vooraf, en Johan de Witt in het midden zijner ambtgenoten. – Met een onbeschroomde blik, daar zich op zijn rustig en achtbaar gelaat een fiere en kalme ziel vertoont, gereed, om alles af te wachten wat hem, onder de toelating der voorzienigheid, bij het uitvoeren van zijn last, en het betrachten van zijn plicht, mocht beschoren zijn, ziet hem het saamgeschoold gemeen met ontzetting naderen. – Het legt zijn geest van wilden af – en gedraagt zich, als bandeloze kinderen, die, in de afwezendheid van hun Vader zich baldadigheden veroorloven, maar zoras zij hem zien verschijnen, hun moedwil ontveinzen, of zich uit vrees voor straf verschuilen. De gehele achtbaarheid van Hollands Staatsbestuur in zijn gelaat verenigd met een strenge fierheid, gereed om de moedwil te straffen, schiet bliksemende stralen op de terugdeinzende menigte, terwijl hij, sprekende met zijn ambtgenoten, met een glimlachvan vriendelijkheid, de bestraffende opslag tempert, die tevens een inschikkelijke medogendhied met de uitzinnigheden van het spoorbijster gemeen kentekent. Zo wandelt hij, onbeledigd, onbeschadigd, door de woelige straten van Middelburg, aan beide zijden, aan alle hoeken, met allerlei soorten van volk  opgepropt; allen voorzien van de leuzen met welke het oproer zich had opgetooid. – Waar de Witt zijn voeten zet, zwijgt de bulderende zee van het oproer… Voor hem heen hoort hij zelfs de golven der oproerkreten in een dof gemompel wegrollen: even eens, als na een felle storm, na het eindigen van een hoge vloed, de tegen een steile witte zeeduin aan de Walcherse kust opgeruide baren nog sneller wegvlieden, dan zij bij het opsteken des stormwinds kwamen aanstuiven. – De reeds gedeeltelijk ontledigde markt treedt de Witt in veiligheid over, en verlustigt, als of geen oproerig gemeen aanwezig was, in het voorbijgaan zijn ogene in het sierlijk stadhuis, wijzende zijn mede-afgevaardigden de meer dan levensgrote beelden der graven en gravinnen van Zeeland, welke, tussen de bovenste vensters, dat treffelijk gebouw versieren. –

Johan de Witt – Hoofdstuk 1, tweede deel

Anna

Bekommer u des niet, mijn kind! – gij zult door de tijd wel gewoon raken aan zulke toevallige misleidingen. Wanneer gij eens meer, dan dertig jaren aan uw Cornelis verbonden zijt geweest, zoals ik aan zijn vader, zullen u misschien zovele stormen reeds over het hoofd gewaaid zijn, dat geen uren onverwacht afzijn uw hart zullen ontzetten. – Bedenk, bedenk, wat ik nog in dit lopende jaar heb uitgestaan. Bedenk, hoe ik te moede was, toen ik onverwacht de tijding ontving, dat zijne hoogheid mijn man met vier andere leden van staat had doen gevangen nemen,… toen ik dezelfde avond nog vernam dat hij naar de staatsgevangenis Loevenstein gevoerd was,… toen ik mij voorstelde dat mij in mijn klimmende ouderdom misschien het lot van Maria van Reigersbergen te wachten stond, schoon ik misschien te weinig krachten zou bezitten om in een zo doorluchtig voorbeeld van huwelijkstrouw haar na te volgen… Het mogt mij echter aan krachten en list, aan liefde en moed zou het mij niet ontbreken.

Maria

Ik hoop dat God mij bewaren zal, dat ik nimmer op zulk een’ toets gebracht worde!

Anna

De vrouw van een staatsman, Maria, moet zich, even als die van een krijgsman tegen de gevaren wapenen, die om het hoofd van haar echtgenoot zweven.  Beide staan zij ten doel aan grote en ongewone onheilen. De krijgsman echter alleen voor enige weinige ogenblikken zijns levens, maar de man in staatkundige betrekkingen wordt en in vrede en in oorlog, bovenal in een gemenbest als het onze, genoegzaam alle uren bedreigd. – Verzet u dus tegen nodeloze bekommeringen over uw man, over een enkel uurtje langer afzijn dan gij u voorgesteld hadt; want, mijn dochter, door zich boven kleine bekommeringen te verheffen, verhardt men zich ook tegen grote en wezenlijke zwarigheden, die wij in dit leven niet kunnen misgaan….

Maria

Gij hebt volkomen gelijk, mijn moeder! – o als ik mij voorstel, wat niet de huisvrouw van de ongelukkige Barneveld – mde moeder van haar schuldige zonen geleden en doorstaan heeft… Maar ik hoor, ik hoor mijn man komen…

Cornelis de Witt

Ook ik meende reeds veel vroeger hier geweest te zijn.

Maria

Misschien heeft de hevige storm u langer bij huis gehouden.

Cornelis

O nee! –  geheel andere redenen… Ik heb er weinig acht op geslagen… Er zijn tijdingen van belang uit Den Haag ingelopen… Ik heb pogingen gedaan, om te vernemen wat er van ware… Doch ik heb het niet verder kunnen brengen dan het bericht, dat de toestand van de Prins geheel veranderd is, en een zeer zorgelijk aanzien heeft. Bij de raad is tijding, maar dezelve scheen, toen ik het stadhuis voorbijging nog bijeen. Men mompelt zelfs, dat de prins dood zou zijn…

Maria

Die jeugdige vorst… Hij is slechts enige jaen ouder dan ik…

Cornelis

Hij heeft nog de ouderdom van vijf en twintig jaren niet bereikt… Evenwel…De tijding is nog los,… en menis in de berichten van de herstelling en ziekte, ja van de dood van aanzienlijke personen dikwerf zeer voorbarig. Er heerste echter onder zekere lieden, die met de marktschuit uit Rotterdam kwamen een stilte, een neerslachtigheid, die mij aanduidde dat er iets van gewicht moest gebeurd zijn… Maar zacht!… ik hoor de deur openen… ’t is vader en broeder Johan… Nu zal de onderzekerheid kort duren… (Jacob en Johan de Witt binnenkomende zeide de eerste:)

Wij komen veel later van het raadhuis dan wij ons hadden voorgesteld, maar gij zult de reden gemakkelijk kunnen gissen…

Cornelis

Er loopt een gerucht, dat de Prins overleden is…

Johan

Zijn dood is zeker, mijn broeder! De raad heeft daarvan bericht ontvangen en gevolgen uit die toestand van zaken voortvloeiende hebben onze raddplegingen langer doen duren

Anna

Waarlijk ik ontroer… bij de plotselinge tijding van zijn dood, ik hield het nog voor geruchten zoals er vele zweven.

Jacob

Hij is dood, mijn vrouw! Hij is dood, die nog maar weinig maanden geleden in mij en in andere leden van Holland de opperste macht en vrijheid van Holland geschonden heeft. – Hij is dood, die weinige maanden geleden zich niet ontzag een aanslag te wagen op de stad Amsterdam, zo roekeloos ondernomen als schandelijk uitgevallen…

Anna

Met welk een verbittering spreekt gij van uw gestorvan vijand

Jacob

Ik moest geen mens zijn, om die verbittering reeds uit mijn hart te hebben kunnen weren… Vorsten en groten kunnen zich wel voor enige ogenblikken ontzaggelijk en geducht maken, door de handen aan vrije lieden te slaan – hun te doen gevangen zetten, verbannen, of hun met de dood te straffen. – Zij kunnen de steden door geweld van krijgsmacht aanvallen en doen bukken – en tegen derzelver gerechtigheden aandruisen, maar zij zullen de liefde der waardigste landzaten door het een verliezen, en door het ander een ontuitroeibare wortel van vijandschap in de harten der aanzienlijke geslachten, die beledigd zijn, planten.

Anna

Maar zeg mij, hoe hebt gij die tijding ontvangen. – Gij had mij beloofd spoedig te zullen terug keren, omdat gij alleen nog maar enige weinige overgebleven zaken bij de oudraad, waarvan gij geen lid meer uitmaakt, had af te doen.

Jacob

Juist was ik bezig met nog enige pepieren op de secretarij, betreffende enige kommissien, die ik als lik van de Oud-Raad, voor mijn gevangenneming had in orde te brengen, om dezelve aan de raad over te leveren – en dan mijn afscheid te nemen, toen ik onverwacht een briefje ontving van mijn zoon, om op het ogenblik in de Oud-Raad te verschijnen… Ga gij nu voort mijn zoon en verhaal het verder.

Nadat de vader en de broeders hadden plaatsgenomen zei Johan de Witt:

Omdat gij zlle zeer begerig zijt, hoe het zich toedroeg, zal ik het u kortelijk verhalen. De Oud-Raad was reeds enige tijd vergaderd geweest, toen an de voorzitter een brief, door een expresse uit Den Haag gebracht, ter hand werd gesteld – deze behelsde een tijding –  dat hoe gunstig zich in het eerst de omstandigheden der ziekte van zijne hoogheid hadden toegedragen, op gesteren de toestand aanmerkelijk verergerd, en hij op heden avond in de ouderdom van vier en twintig jaren en acht maanden overleden was. – Gij begrijpt –  mijn broeder! -welk een ontzettin gde tijdin gdezer gebeurtenis in de gehele raad veroorzaakte. – Op hetzelfde oogenblik grepen allen die, door de laatste stappen van de prins met geweld tot zwijgen gebracht waren, moed – anderen wel zwakker dan zij, die de opgaande zon, tegen hun gevoelen aan, hadden aanbeden, betoonden nu een stil genoegen over haar zo ontijdige ondergang – terwijl de oprechte vrienden van de prins zeer natuurlijk een dodelijke vreze om het hart sloeg… Na het wijken van de eerste verwarring begon men de zaken van het land, en de grote verwisselingen daar uit te wachten, te overwegen… Nu gevoelde ieder, zo het scheen, de harde bejegeningen, die vader de Witt ondergaan had… en men besloot, om ogenblikkelijk hem te herstellen in zijn post als Oud-Raad. De tegenwoordigheid van vader op het stadhuis was mij bekend, en ik verwittigde hem terstond wegens de dood van de vorst, en het besluit van de Raad tot zijn herstel.

Jakob

Ik verscheen in de Oud-Raad, mijn zoon! En ik nam die plaat weer in, uit welke mij de stadhouder met geweld gestoten had.

Cornelis

Ik kan nauwelijks een zo spoedige verandering van zaken geloven. Hartelijk geluk, mijn vader! Zo zegepraalt de goede zaak.

Anna

Ik weet niet of ik mij geluk moet wensen met deze uwe herstelling, dan of ik had moeten verlangen dat gij het overschot uws levens in een ambteloze staat had mogen ten einde brengen.

Jacob

Neen! mijn vrouw! – neen mijne Kinderen! Ik dank God dat ik de dag ten minste heb mogen beleven, dat ik op het geweld, aan mij gepleegd, in het openbaar mag zegepralen; dat ik de dag beleven mag waarop ik voor beide mijne zonen de weg gebaand zie, om in een vrije staatsregering, ontheven van stadhouderlijk gezag, in de eerste posten van de staat, de vruchten in te zamelen van een opvoeding met zoveel zorg aan hun besteed.

Johan

Wij hopen (hebben wij u tot dit ogenblik enig genoegen geschonken) ons altijd dankbaar te tonen voor uw liefderlijke zorgen –  en te beantwoorden aan het grote doel, dat gij ons, zoras wij voor rede vatbaar waren, inboezemde, – om door onze verkregen kundigheden het volk van Holland dienstbaar en ons oud geslacht tot eer te zijn.

Jakob

En wat mijn jaren betreft, zolang God de mens krachten geeft om te arbeiden, moet hij werkzaam blijven. Ik bespeur nog geen der gebreken van de ouderdom; en ik zou die zegen des Hemels, dat ik bij het klimmen der jaren aan mijn vermogens geen verzwakking ontdek, zo ondankbaar vergelden dat ik mij aan een vadzige rust toewijdde.

Maria

Ik begrijp duidelijk dat bij staatslieden een gebeurtenis als de dood van de prins een zodanige wending van gedachten geeft als ik op dit ogenblik ontdek, maar ik verplaats mij in de toestand van de ongelukkige vorstin, de weduwe van de Prins. Binnen weinige dagen immers, hoopte zij haar doorluchtige gemaal met het eerste kind van hun echt te verheugen… en…

Anna

En die hoop is nu uitgeblust…

Maria

O Hoe is mijn hart met haar staat bewogen!… In de grootste lotgevallen van de mens: geboren te worden en te sterven staan de vorsten met alle mensen dus gelijk. En zij hebben aanspraak op dezelfde gevoelens van medelijden, wanner zij in de algemene ellende der menselijke natuur delen

Jacob

Juist die staat van de prinses, mijn kinderen! zal nu de laatste hoop van de stadhoudersgezinden zijn…. O! indien het een mannelijke spruit is,… zijt dan op uw hoede –  zolang deze leeft, zolang zal de hoop onzer tegenpartij leven –  met die zal dezelve opgroeien.

Cornelis

’t Zou een te ver gedreven zorg zijn, zich over de mgelijkhedi van dit gevaar te bekommeren. wij zullen waakzaam en op onze hoede zijn, wanneer de kiemen van het gevaar beginnen uit te spruiten.

Johan

Vrees niet, mijn Vader! zo de liefde tot het vaderland niet genoegzaam mocht zijn, om ons aan te prikkelen, om hetzelve voor het stadhouderlijk juk te bewaren; dan zal de gedachtenis aan de hoon, u aangaande, zich onder dezelve mengen.

Jacob

Houd woord, mijn zonen, houd woord. Ik gevoel op dit ogenblik weer hetgeen ik reeds meermalen na mijn gevangenis bespeurde, hoe Hamilcar in staat is geweest om zijn Hannibal, nog een jongske zijnde, bij het standbeeld van Jupiter, eeuwige haat aan Rome deed zweren… Zo zo mijn zonen…

Maria

O vader! vader! ik beef. Met welk een hevige drift ziet gij ons allen aan…

Anna

Lieve Maria! Er is geen blakender vijandschap dan die van een gehoonde staatsman. Bloed noch dood kunnen die blussen.

Jacob

Zo, zo mijn zonen!… maar Hannibal was een kind… Gij zijt mannen… gij behoeft mij niet te zweren… Uw woord, de opslag uwer ogen is genoeg. Alleen wat er gebeure – gedenkt, zoras gij de schaal der regering naar de zijde van een stadhouder ziet overhellen – gedenkt, gedenkt dan aan mijn gevangenis op Loevestein! –

Met zulke gesprekken, met zulke overwegingen hield zich het geslacht van de de Witten bezig, na de tijding van de onverwachte dood van Willem II. – Zo scherpte de grijze staatsman zijn zonen tegen een stadhouderlijk bestuur de haat in, na de dood van een vorst, wiens jeugdige en buiten spoor gedreven eerzucht reeds daden begaan had, welke de schaduw zelfs der lauweren van Maurits’ onbetwistbare heldendeugd en zijn wezenlijke verdiensten, aan het vaderland bewezen, nooit voor het oog der onpartijdige hebben kunnen bedekken.

*

Johan de Wit – Hoofdstuk 1, eerste deel

Reeds waren de aangename dagen der lachende jongelingschap van Johan de Witt,  jongste zoon van Jakob de Witt, die meermalen de burgermeesterlijke stoel in het aloude Dordrecht bekleedde, verdwenen; – reeds had hij met zijn broeder Cornelis de Leidse hoge school bezocht, en de kundigheden in alle wetenschappen, een beschaafde Nederlander tot sieraad, een  staatsman onontbeerlijk, daar verzameld, getoetst aan de ondervinding, reeds door het bezoeken van andere volkeren van Europa zijn smaak gelouterd – zijn waarnemingen uitgebreid – en landeigen vooroordelen onderdrukt. Met roem was hij de loopbaan van rechtsgeleerde ingetreden, zette hij zijn voet in het worstelperk der staatkunde , toen de jeugdige stadhouder Willem de II, die reeds bij het leven van zijn vader Frederik Hendrik, nauwelijks der kindsheid ontwassen, doorslaande proeven van heldenmoed gegeven had, nu aan het huis van Stuart door de echt verbonden, en door de prikkel der eerzucht aangespoord, om, eer het voetspoor van Maurits, dan dat van zijn vader te volgen, na de uitbreiding zijns gezags stond. Onvoorzichtig sloeg hij middelen ter hand, die een bedaarde en onpartijdige beschouwer, als strijdig met de toenmalige aard van ’s lands regering moet afkeuren, en die bij velen zijner tijdgenoten, bij welke de staatkundige stappen van Maurits zo gevoelige indrukken hadden nagelaten, het vuur van partijschap deden opblaken.
De nu reeds grijze vader van Johan de Witt, in zijn jeugd getuige van de wrede dood, Oldenbarneveld aangedaan,- getuige van de gevangenis van de eeuwige roem der Nederlandse Letterkunde Hugo de Groot – getuige van alle de buitensporige stappen van Maurits, de woeste aanvang der regering van Willem II aanschouwende, werd vervuld met die geest van Republikeinse fierheid, welke dikwerf zelve in heerszucht ontaardende,  in dit gemenebest aanhoudend worstelend met de pogingen der stadhouders ter uitbreiding van derzelver gezag. Tot zodanig een hoogte rees het geschil tussen de jonge stadhouder, Jacob de Witt, en enige andere staatsleden van Holland, dat hij, als ware het om volkomen de rol van zijn oom Maurits na te spelen, hun naar het gehate Loevenstein, die staatsgevangenis, welker sloten en grendels, onder de beminnenswaardigen Frederik Hendrik, verreost waren, met krijgsvolk onverwacht deed vervoeren en in dezelve opsluiten. –
Schoon weldra de Witt en de overige staatsleden uit de kerker, wiens naam alleen zovele geleden ellenden erinnert, geslaakt werden, had zich nu de wrok in het hart van die grijsaard vastgezet – en de gemoederen der zonen, Johan en Cornelis, in de bloei hunner jaren, vol van dezelfde republiekeinse gevoelens, werden doortrokken van een verbittering, die hun tot de jongste snik is bijgebleven.

Nog in hetzelfde jaar, waarin de jonge stadhouder zovele zijner landgenoten, en bovenal verscheidene geslachten in Holland en Amsterdam om hun afkomst, aanzien en rijkdom, altijd in dit gemenebest voor vorsten te duchten, tegen zich ontijdig in het harnas gejaagd had, overviel hem, onverhoeds, na zich op zijn lusthuis Dieren met de jacht vermaakt te hebben, die hevige, die afzichtige ziekte, welke, schoon meest op de kindse leeftijd woedende, somtijds ook hare pestsmet volwassenen in de aderen stort, en niet min gevaarlijk is voor de bloem des levens in hare volle kracht dan voor de even ontluikende knop der kindsheid. Zijn aanhangers voeren natuurlijk bekommering en angst in het hart: in de gemoederen van zijn tegenpartij werd een hoop geboren, om zich als door een slag van het voorwerp van hun afkeer en haat ontslagen te zien.

Nu bevond zich Jacob de Witt, na zijn slaking uit de Loevensteinse kerker, weer te Dordrecht in de schoot van zijn huisgezin, en begon de vruchten der verstandige en uitmuntende opvoeding aan zijn zonen Johan en Cornelis geschonken, in te oogsten. De eerste zag zich onaangezien zijn jeugdige ouderdom bekleed met het gewichtig ambt van pensionaris van Hollands oudste stad, terwijl Cornelis korts van zijn buitenlandse reis thuis gekomen en door de echt onlangs verbonden aan Maria van Berckel uit een aanzienlijk Hollands geslacht gesproten, zich mede tot de waarneming van de luisterrijkste posten in het bestuur van stad en vaderland toerustte.

Reeds hadden de gure vlagen des najaars het geboomte ontbladerd, en de stormen, der slachtmaand zo eigen in deze gewesten, loeiden door het luchtruim. De avond was reeds lang gevallen, en het licht in de woning van vader de Witt ontstoken. Zijn deugdzame vrouw, een recht vaderlandse moeder, schepte hartelijk vermaak in het gezelschap van haar bekoorlijke schoondochter Maria, terwijl haar man en twee zonen tot in de nacht afwezig waren; haar man en zoon Johan op het raadhuis, terwijl zich Cornelis aan zijn eigen woning bevond.
Hoor, zo begon haar dochter Maria, na dat het gesprek tussen haar en haar moeder voor een ogenblik afgebroken was; hoor, hoor hoe hevig loeit de wind. In der daad het schijnt mij toe, dat zich hier aan de
Merwe de wind heviger laat horen dan bij ons aan de Maas. Nooit althans heb ik te Rotterdam dezelve zo hevig opgemerkt. En mijn man vertraagt om hier te komen, zeker uit hoofde van de geweldige storm.

Anna [Anna van den Korput, huisvrouw van Jakob de Witt (noot onderaan p. 9)]

Ik twijfel zeer, mijn lieve dochter! of dit de ware reden is van zijn vertoeven. Ik zou wel twijfelen, of hij zich deswegens enigszins bekommert; ja bijna, of hij er wel enige acht op slaat.  Wanner mijn man of zonen zich aan hunne letteroefenigen overgeven, bekreunen zij zich weinig aan het geen er rondom hun in de natuur voorvalt. – Behalve dat is mijn Zoon Cornelis van een kloekmoedige inborst, en zijn buitenlandse reizen zullen hem meer en meer gehard hebben.

Maria

Gij kent hem beter dan ik, Moeder! maar mij schijnt de hevigheid van de storm zo groot, dat hij zich dezelve wel mocht aantrekken… Althans…

Anna

Althans gij bekommert u enigermate over zijn langer toeven nietwaar…? ja! lieve dochter! al beginnen mijn jaren te klimmen, ik weet mij nog klaar te erinneren, hoedanig ik in de eerste jaren mijns huwelijks gesteld was… Nog geen twee maanden zijt gij aan mijn Cornelis verbonden… en hoe teder,… hoe aandoenlijk teder zijn elkander oprecht beminnende harten, wanneer, om zo te spreken, het bruilofsgroen nog niet verdord is.- Dan… dan is men angstig, bij het minste vertoeven van de beminden, dat hem enig wezenlijk ongeval bejegend is… Is het zo niet?…ik merk aan uw stilzwijgendheid, dat gij u ongerust maakt.

Maria

Ik wil het u niet ontkennen… De Witt had mij beloofd reeds voor meer dan drie uren hier te zullen zijn.

Johan de Wit – A. Loosjes (1805)

Mijn relatie met Johan de Witt stamt uit mijn jeugd. Als dat geen bedaagde opening is dan weet ik het niet meer. Hoe dan ook; op twee manieren ben ik met de oude raadspensionaris in aanraking gekomen.
In de eerste plaats heb ik voor mijn eindexamen voor geschiedenis een scriptie geschreven over het rampjaar (1672), het jaar dus waarin de gebroeders de Witt zijn vermoord.
Rond die tijd kwam een exemplaar van het boek ‘Johan de Witt, Raadspensionaris van Holland’ door A. Loosjes, uitgegeven op 7 aug. 1805 te Haarlem in mijn bezit. Ik denk dat het van mijn opa is geweest, maar mijn vader kent het niet. Dat is dan wel eigenaardig. Het is het oudste boek dat ik heb; ik heb er wel eens in zitten lezen, maar dat valt niet mee. Het is natuurlijk oude taal en bovendien zijn er nog van die s-sen die lijken op een f zonder horizontaal streepje. Dat is lastig.

Om een beetje in de stemming te komen volgt hier het voorbericht in een wat leesbaarder Nederlands. Dat wil zeggen, ik pas de spelling een beetje aan en laat hoofdletters weg waar zo voor ons vreemd voorkomen:

VOORBERICHT

Daar het mij bij herhaling gebleken is, dat ten minste een gedeelte mijner landgenoten niet kwalijk gediend is, met de dramatische behandeling van onderwerpen uit de vaderlandse geschiedenis, heb ik de grote Johan de Wit, van welke voortreffelijke staatsman, uit hoofde van de naam des aanzienlijken ambts, waarmee hij een zo geruime tijd bekleed was, tegenwoordig bijzonder veel gesproken wordt, tot mijn voorwerp verkozen. Ik heb gewaagd verscheidene der aanzienlijkste tonelen uit het leven van die man op een dramatische wijze voor te dragen. Misschien dat dit strekt, om sommigen enigszins meer bekend te maken met de voortreffelijke bekwaamheden, kloeke bedrijven en bijzondere lotgevallen van die schrandere en grote staatsman; misschien om anderen uit te lokken, ten einde in de geschiedenis van dien tijd te onderzoeken of de Witt waarlijk een zo alleszins schitterende rol op het toneel der staatkunde gespeeld heeft; en ik hou mij verzekerd, dat, bij zodanig onderzoek, het aan dezulken blijken zal , dat ik, bij gebrek van krachtige schildering, aan het voorwerp heb te kort gedaan, terwijl ook de aard van dit geschrift niet toeliet , om die staatsman uit een allerbelangrijkst gezichtspunt, dat namelijk van een groot financier, te doen voortreden. Ik belijd gaarne, dat ik geen kans gezien heb, om hem enigszins in dat vak recht te laten wedervaren; waarom ik dan ook beter geoordeeld heb deswegens geheel te zwijgen, dan ten uiterste onvolledig of zeer gewrongen hem als zodanig in te voeren.
Ik zal niet herhalen, hetgeen ik reeds meermalen voor deze soort van werkjes noodzakelijk keurde te zeggen, dat namelijk deze schrijfsoort vrijheid geeft tot enige versiering en somtijds tot kleine verschikkingen van omstandigheden. Evenwel hier heb ik mij zo nauw mogelijk aan de waarheid gehouden; zo echter niet, dat ik enige zwarigheid gemaakt heb, bij voorbeeld, om de dood van Willem II, die ’s avonds ten negen uren voorviel, een weinig te vervroegen, en diergelijke meer; hetgeen deskundigen geredelijk verschonen zullen, en welke kleine bijzonderheden aan de waarheid van het geheel, toe noch afdoen. Misschien dat ook sommigen wel voor versiersels houden zullen zodanige zaken, die eenvoudige historische waarheden zijn; als bij voorbeeld de maaltijd en danspartij ten huize van de Witt, hetwelk echter geheel met geschiedkundige berichten van die tijd overeenstemt.
Het publiek zal beslissen, of ik in deze nieuwe poging al dan niet geslaagd ben, en die beslissing gerustelijk afwachtende, overtuigd, dat ik met dezelve alleen bedoeld heb, om de gedachtenis van een voortreffelijke vaderlandse staatsman, in deze ogenblikken, in de geheugenis mijner landgenoten te vernieuwen, vlije ik mij, dat de uitvoering van het werk, wat druk en platen betreft, algemene goedkeuring ontmoeten zal.
De buste van Johan de Witt, het portret zijner huisvrouw Wendela Bicker, dat zijner dochter Anna de Witt, gelijk ook de nauwkeurige aftekening van de beker en het emailleersel op dezelve, ben ik aan de overplichte vriendelijkheid van de nakomelingen van Johan de Witt verschuldigd, welke ik daarvoor bij dezen openlijk mijn dank betuig, terwijl het vignet verbeeldende de Zwaan (*) haar nest verdedigende, ontleend is van een zinnebeeldig schilderij, welke in de Bataafse Kunstgalerij, thans in het lokaal van de zogenaamde Besognekamer, berust; zijnde geschilderd door Asselijn, en door deskundigen geoordeeld gelijk te staan met het werk van Weeninx, wiens krachtig en meesterlijk penseel in dat vak der kunst met zoveel roem bekend staat.
Mogelijk dat zij, die overdreven op hebben met de Witt, hier en daar wel wensen zouden, dat ik zijn zwakheden en feilen geheel met de sluier der vergetelheid bedekt had; – dat anderen, die een ongunstig gevoelen over hem koesteren, zullen menen, dat ik zijn fouten te flauw geschilderd heb; hoe het zij, ik heb gepoogd onpartijdig te zijn, en betuig, dat ik, alles overwegende, Johan de Witt meen gevonden te hebben een staatsman van een uitstekend en edel verstand, het heil des vaderlands, en bijzonder de grootheid der provincie Holland onafgebroken bedoelende, maar die niet vrijgesproken kan worden van een, zelfs zijn anders zo groot verstand benevelende wrok tegen het huis van Oranje, en een onbuigzaamheid, aan hardnekkigheid en trotsheid grenzende, welker tijdige breideling hem waarschijnlijk bewaard zou hebben voor het deerlijke zo onverdiend lot hem benevens zijn broeder overgekomen.

Haarlem, 7 aug. 1805 A. LOOSJES, Pz

(*) Boven de zwaan staat in de Schilderij Raadspensionaris; op een der eieren Holland; en onder de kop van de waterhond vijand van de staat. Achtende dat buiten deze bijschriften, de plaats, waar het vignet gesteld is, hetzelve genoegzaam opheldert, meende ik, dat deze letters meer tot ontsiering dan tot verfraaiing daarvan zouden strekken. Ik heb dit hier echter ter voorkoming van aanmerkingen willen aantekenen.

Deze noot staat uiteraard onder de betreffende pagina, en niet onder het einde van dit voorbericht.

Johan de Witt

Raadspensionaris

van

HOLLAND

Gelijk een zeevarende, na het doorworstelen van een nacht, ijselijk door gierende stormwinden, en hemelhoge golven, op een reeds lang fel geslingerde kiel, bij de aanbrekende dageraad, zich over een grotere kalmte verheugt, al strekt zij nog een speelbal der onbevredigde baren; – Gelijk hij dan met een aangename hoop, bij het opklaren der lucht, van verre de steile torenspitsen en bakens der vaderlandse kust uit de schemering ziet te voorschijn komen, bij het vallen van de stormspellende avond verflauwd, en bij de nacht geheel onzichtbaar geworden; gelijk hij zich dan vleidt dat door die spitsen en bakens de voorzichtige en wijze stuurman het schip in een behouden haven brengen zal, dat de langdurige winternacht met geheel verderf en ondergang dreigde; zo, mijn medeburgers! zo aanschouwt de vriend des vaderlands na hevige schokken van het gemenebest, in de ogenblikken van kalmte, doorluchtige voorbeelden van voortreffelijke voorvaders, wier namen allen denkbeelden van grootheid inboezemen; zo koestert hij de strelende verwachting, dat derzelver edele deugden, en welgeslaagde pogingen, tot heil des volks, tot roem en behoud des vaderlands, hun opvolgers datzelfde spoor zullen aanwijzen, ja dat hun struikelingen en rampen zelfs waarschuwende lessen van verdubbelde voorzichtigheid zullen opleveren.-

Vol van dit gevoel, vol van die hoop, onderneem ik het uit de rij der vaderlandse mannen de nagedachtenis vande grote Johan de Witt; hem, de wijsheid van Holland met zoveel recht geheten, af te malen, aan het hoofd van ’s lands Staten – zijn treffendste en grootste bedrijven, in een, zo ik hoop, niet geheel onwaardig licht stellende, en hem volgende, waar hem een rampzalige dood aan de eindpaal zijne romerijke loopbaan ontmoet.

Licht bij mij boven alles voor, liefde tot het vaderland! bemoedig bij mij daar, waar, in dit misschien roekeloos ontwerp, de grootheid van het voorwerp mij doet aarzelen. O dat partijschap, die dochter van eigenbaat en hartstocht, zo dikwijls met uw masker bekleed, mij niet vervoere, om, ten einde den glans van het hoofdbeeld te doen rijzen, de verdiensten van anderen in de schaduw te plaatsen, of geheel te verdonkeren… Nee! help gij mij, om de glas der waarheid telkens in het oog houdende, een dankbaar gedenkteken te stichten, waarop ’t nageslacht van die onsterfelijke staatsman met genoegen staart  en onder de dunne bekleedsels ver versiering nuttige lessen ontvangt. – Wederhoud gij mij, wanner ik, door zwakheid of vooroordelen vervoerd, misschien dat gedenkteken zou hervormen in een schand-altaar van langverjaarde wrok of laaghartige gevoeligheid. Maar ook bemoedig gij mij, wanner de begoochelende glans der zucht, om te behagen, of de verachtelijke vreze, om door de waarheid vooroordeel en partijschap tot ongunstige aanblikken uit te lokken, mijn hand mochten doen terug deinzen, om , het groot, het voortreffelijk voorwerp met die luister, met die kracht te schilderen, welke zijn deugden, zijn wijsheid zijn lotgevallen verdienen. Laat uw gloed mijn geest bovenal aanvuren, wanneer ik mijn landgenoten bij deze taferelen indruksels poog te geven, om, zovel bij de kalmte des vredes, als in de barning des oorlogs, zich onafscheidbaar vast te hechten aan de belangen dier maatschappij, van welk zij leden zijn; en zich waardige nakomelingen te betonen van een volk, dat hoe dikwerf, om deszelfs kleinheid de speelbal van grote en heerszuchtige vorsten en volken, met een weergaloze luister uitblinkt in de geschiedenis van Europa.

(Oef)

Lees meer »