Johan de Wit – A. Loosjes (1805)

Mijn relatie met Johan de Witt stamt uit mijn jeugd. Als dat geen bedaagde opening is dan weet ik het niet meer. Hoe dan ook; op twee manieren ben ik met de oude raadspensionaris in aanraking gekomen.
In de eerste plaats heb ik voor mijn eindexamen voor geschiedenis een scriptie geschreven over het rampjaar (1672), het jaar dus waarin de gebroeders de Witt zijn vermoord.
Rond die tijd kwam een exemplaar van het boek ‘Johan de Witt, Raadspensionaris van Holland’ door A. Loosjes, uitgegeven op 7 aug. 1805 te Haarlem in mijn bezit. Ik denk dat het van mijn opa is geweest, maar mijn vader kent het niet. Dat is dan wel eigenaardig. Het is het oudste boek dat ik heb; ik heb er wel eens in zitten lezen, maar dat valt niet mee. Het is natuurlijk oude taal en bovendien zijn er nog van die s-sen die lijken op een f zonder horizontaal streepje. Dat is lastig.

Om een beetje in de stemming te komen volgt hier het voorbericht in een wat leesbaarder Nederlands. Dat wil zeggen, ik pas de spelling een beetje aan en laat hoofdletters weg waar zo voor ons vreemd voorkomen:

VOORBERICHT

Daar het mij bij herhaling gebleken is, dat ten minste een gedeelte mijner landgenoten niet kwalijk gediend is, met de dramatische behandeling van onderwerpen uit de vaderlandse geschiedenis, heb ik de grote Johan de Wit, van welke voortreffelijke staatsman, uit hoofde van de naam des aanzienlijken ambts, waarmee hij een zo geruime tijd bekleed was, tegenwoordig bijzonder veel gesproken wordt, tot mijn voorwerp verkozen. Ik heb gewaagd verscheidene der aanzienlijkste tonelen uit het leven van die man op een dramatische wijze voor te dragen. Misschien dat dit strekt, om sommigen enigszins meer bekend te maken met de voortreffelijke bekwaamheden, kloeke bedrijven en bijzondere lotgevallen van die schrandere en grote staatsman; misschien om anderen uit te lokken, ten einde in de geschiedenis van dien tijd te onderzoeken of de Witt waarlijk een zo alleszins schitterende rol op het toneel der staatkunde gespeeld heeft; en ik hou mij verzekerd, dat, bij zodanig onderzoek, het aan dezulken blijken zal , dat ik, bij gebrek van krachtige schildering, aan het voorwerp heb te kort gedaan, terwijl ook de aard van dit geschrift niet toeliet , om die staatsman uit een allerbelangrijkst gezichtspunt, dat namelijk van een groot financier, te doen voortreden. Ik belijd gaarne, dat ik geen kans gezien heb, om hem enigszins in dat vak recht te laten wedervaren; waarom ik dan ook beter geoordeeld heb deswegens geheel te zwijgen, dan ten uiterste onvolledig of zeer gewrongen hem als zodanig in te voeren.
Ik zal niet herhalen, hetgeen ik reeds meermalen voor deze soort van werkjes noodzakelijk keurde te zeggen, dat namelijk deze schrijfsoort vrijheid geeft tot enige versiering en somtijds tot kleine verschikkingen van omstandigheden. Evenwel hier heb ik mij zo nauw mogelijk aan de waarheid gehouden; zo echter niet, dat ik enige zwarigheid gemaakt heb, bij voorbeeld, om de dood van Willem II, die ’s avonds ten negen uren voorviel, een weinig te vervroegen, en diergelijke meer; hetgeen deskundigen geredelijk verschonen zullen, en welke kleine bijzonderheden aan de waarheid van het geheel, toe noch afdoen. Misschien dat ook sommigen wel voor versiersels houden zullen zodanige zaken, die eenvoudige historische waarheden zijn; als bij voorbeeld de maaltijd en danspartij ten huize van de Witt, hetwelk echter geheel met geschiedkundige berichten van die tijd overeenstemt.
Het publiek zal beslissen, of ik in deze nieuwe poging al dan niet geslaagd ben, en die beslissing gerustelijk afwachtende, overtuigd, dat ik met dezelve alleen bedoeld heb, om de gedachtenis van een voortreffelijke vaderlandse staatsman, in deze ogenblikken, in de geheugenis mijner landgenoten te vernieuwen, vlije ik mij, dat de uitvoering van het werk, wat druk en platen betreft, algemene goedkeuring ontmoeten zal.
De buste van Johan de Witt, het portret zijner huisvrouw Wendela Bicker, dat zijner dochter Anna de Witt, gelijk ook de nauwkeurige aftekening van de beker en het emailleersel op dezelve, ben ik aan de overplichte vriendelijkheid van de nakomelingen van Johan de Witt verschuldigd, welke ik daarvoor bij dezen openlijk mijn dank betuig, terwijl het vignet verbeeldende de Zwaan (*) haar nest verdedigende, ontleend is van een zinnebeeldig schilderij, welke in de Bataafse Kunstgalerij, thans in het lokaal van de zogenaamde Besognekamer, berust; zijnde geschilderd door Asselijn, en door deskundigen geoordeeld gelijk te staan met het werk van Weeninx, wiens krachtig en meesterlijk penseel in dat vak der kunst met zoveel roem bekend staat.
Mogelijk dat zij, die overdreven op hebben met de Witt, hier en daar wel wensen zouden, dat ik zijn zwakheden en feilen geheel met de sluier der vergetelheid bedekt had; – dat anderen, die een ongunstig gevoelen over hem koesteren, zullen menen, dat ik zijn fouten te flauw geschilderd heb; hoe het zij, ik heb gepoogd onpartijdig te zijn, en betuig, dat ik, alles overwegende, Johan de Witt meen gevonden te hebben een staatsman van een uitstekend en edel verstand, het heil des vaderlands, en bijzonder de grootheid der provincie Holland onafgebroken bedoelende, maar die niet vrijgesproken kan worden van een, zelfs zijn anders zo groot verstand benevelende wrok tegen het huis van Oranje, en een onbuigzaamheid, aan hardnekkigheid en trotsheid grenzende, welker tijdige breideling hem waarschijnlijk bewaard zou hebben voor het deerlijke zo onverdiend lot hem benevens zijn broeder overgekomen.

Haarlem, 7 aug. 1805 A. LOOSJES, Pz

(*) Boven de zwaan staat in de Schilderij Raadspensionaris; op een der eieren Holland; en onder de kop van de waterhond vijand van de staat. Achtende dat buiten deze bijschriften, de plaats, waar het vignet gesteld is, hetzelve genoegzaam opheldert, meende ik, dat deze letters meer tot ontsiering dan tot verfraaiing daarvan zouden strekken. Ik heb dit hier echter ter voorkoming van aanmerkingen willen aantekenen.

Deze noot staat uiteraard onder de betreffende pagina, en niet onder het einde van dit voorbericht.

Johan de Witt

Raadspensionaris

van

HOLLAND

Gelijk een zeevarende, na het doorworstelen van een nacht, ijselijk door gierende stormwinden, en hemelhoge golven, op een reeds lang fel geslingerde kiel, bij de aanbrekende dageraad, zich over een grotere kalmte verheugt, al strekt zij nog een speelbal der onbevredigde baren; – Gelijk hij dan met een aangename hoop, bij het opklaren der lucht, van verre de steile torenspitsen en bakens der vaderlandse kust uit de schemering ziet te voorschijn komen, bij het vallen van de stormspellende avond verflauwd, en bij de nacht geheel onzichtbaar geworden; gelijk hij zich dan vleidt dat door die spitsen en bakens de voorzichtige en wijze stuurman het schip in een behouden haven brengen zal, dat de langdurige winternacht met geheel verderf en ondergang dreigde; zo, mijn medeburgers! zo aanschouwt de vriend des vaderlands na hevige schokken van het gemenebest, in de ogenblikken van kalmte, doorluchtige voorbeelden van voortreffelijke voorvaders, wier namen allen denkbeelden van grootheid inboezemen; zo koestert hij de strelende verwachting, dat derzelver edele deugden, en welgeslaagde pogingen, tot heil des volks, tot roem en behoud des vaderlands, hun opvolgers datzelfde spoor zullen aanwijzen, ja dat hun struikelingen en rampen zelfs waarschuwende lessen van verdubbelde voorzichtigheid zullen opleveren.-

Vol van dit gevoel, vol van die hoop, onderneem ik het uit de rij der vaderlandse mannen de nagedachtenis vande grote Johan de Witt; hem, de wijsheid van Holland met zoveel recht geheten, af te malen, aan het hoofd van ’s lands Staten – zijn treffendste en grootste bedrijven, in een, zo ik hoop, niet geheel onwaardig licht stellende, en hem volgende, waar hem een rampzalige dood aan de eindpaal zijne romerijke loopbaan ontmoet.

Licht bij mij boven alles voor, liefde tot het vaderland! bemoedig bij mij daar, waar, in dit misschien roekeloos ontwerp, de grootheid van het voorwerp mij doet aarzelen. O dat partijschap, die dochter van eigenbaat en hartstocht, zo dikwijls met uw masker bekleed, mij niet vervoere, om, ten einde den glans van het hoofdbeeld te doen rijzen, de verdiensten van anderen in de schaduw te plaatsen, of geheel te verdonkeren… Nee! help gij mij, om de glas der waarheid telkens in het oog houdende, een dankbaar gedenkteken te stichten, waarop ’t nageslacht van die onsterfelijke staatsman met genoegen staart¬† en onder de dunne bekleedsels ver versiering nuttige lessen ontvangt. – Wederhoud gij mij, wanner ik, door zwakheid of vooroordelen vervoerd, misschien dat gedenkteken zou hervormen in een schand-altaar van langverjaarde wrok of laaghartige gevoeligheid. Maar ook bemoedig gij mij, wanner de begoochelende glans der zucht, om te behagen, of de verachtelijke vreze, om door de waarheid vooroordeel en partijschap tot ongunstige aanblikken uit te lokken, mijn hand mochten doen terug deinzen, om , het groot, het voortreffelijk voorwerp met die luister, met die kracht te schilderen, welke zijn deugden, zijn wijsheid zijn lotgevallen verdienen. Laat uw gloed mijn geest bovenal aanvuren, wanneer ik mijn landgenoten bij deze taferelen indruksels poog te geven, om, zovel bij de kalmte des vredes, als in de barning des oorlogs, zich onafscheidbaar vast te hechten aan de belangen dier maatschappij, van welk zij leden zijn; en zich waardige nakomelingen te betonen van een volk, dat hoe dikwerf, om deszelfs kleinheid de speelbal van grote en heerszuchtige vorsten en volken, met een weergaloze luister uitblinkt in de geschiedenis van Europa.

(Oef)

Lees meer »