Manuel Stoffels (redactie) – De middeleeuwse ideeënwereld 1000-1300

Een prachtig boek dat ooit is ontwikkeld voor de Open Universiteit en in 1994 is uitgegeven door Verloren (Hilversum). Het betreft een bundeling van een aantal artikelen geschreven door een klaarblijkelijk erudiet gezelschap. Delen heb ik met aandacht gelezen en andere delen heb ik lettend op subtitels doorgebladerd omdat ze mij minder interesseerden. De aanleiding om in het boek te snuffelen was het begrip scholastiek waar men zich in de vijftiende eeuw sterk tegen afzette. Alles goed en wel, maar waar zette men zich dan tegen af? Ik noem al dan niet met een opmerking erbij de hoofdstukken en zo zal mijn vraag vanzelf voorbij komen. Na een boeiende inleiding ging het eerst over

  1. Bronnen en tradities. Die bronnen, dat waren met name de Bijbel (Vulgaat), de klassieken – aanvankelijk Latijnse – en de kerkvaders en dan met name Augustinus, Ambrosius en Hieronimus en Gregorius de Grote.
  2. Categoriën van denken. Daar was ik dus eigenlijk naar op zoek. Natuurlijk was er theologisch denken, maar er kwam met Bernardus van Clairveaux, Geert Grote en Thomas à Kempis ook een devotioneel denken op. Het hoofdstuk gaat verder in op de verhouding tussen geloof en rede en zo kwam Anselmus met zijn fides quaerens intellectum aan bod. Bij de scholastiek gaat het om een methode om teksten te interpreteren. Eerst is er een commentaar, dan volgt er de quaestio of disputatio met een dubbele vraagstelling (is a. gelijk aan b., of niet?) en in de harmonisatie wordt vervolgens een conclusie gevonden. Thomas van Aquino werd genoemd als degene die een meester was in het hanteren van deze aanpak. Toen het over kennisstructuur ging werd erop gewezen dat de betekenis van Pseudo-Dionysius de Areopagiet (c. 500), of eigenlijk zijn werk, voor de gehele westerse middeleeuwen moeilijk onderschat kan worden (87).
  3. God. Natuurlijk is God enorm aanwezig, maar dan toch vooral in de rituelen met als hoogtepunt de eucharistie. Met Bernard, Franscicus en Bonaventura komt er na een verheven Plotonische God ook een menselijker God aan de orde.
  4. Engelen en demonen
  5. Bouw en ordening van aarde en heelal: geografie, fysica en kosmologie.
  6. De natuurlijke omgeving, die heel anders functioneerde dan hoe wij er nu tegenaan kijken. Voor veel middeleeuwers was de vrije natuur eerder een beeld van de chaos, een bron van verschrikking, met negatieve connotaties als: wild, gevaarlijk, bedreigend, eenzaam, moeizaam door te komen, enz. (171).
  7. Naar Zijn beeld en gelijkenis: de ziel. Ook over denken en willen.
  8. Het menselijk lichaam en de geneeskunde
  9. De samenleving en de exempelverzameling van Étienne van Bourbon. Een collectie verhalen eigenlijk die als hulp konden dienen in de prediking wat hét middel was om het volk te onderwijzen en ketterij te bestrijden. Door die prediking raakten meer geleerde ideeën bekend. De exempelverzameling is er nog en geeft een idee van wat er in de samenleving leefde (Anecdotes historiques, légendes et aplologues tirés du recueil inédit d’Étienne Bourbon, dominicain du XIIIe siècle. Parijs, 1877), blz. 268)).
  10. Geschiedenis, het levenswerk van Rodulfus Glaber (ca. 990-1046), vijf boeken der historiën. Wat ik niet meer wist is de start van de jaartelling van Christus als startpunt. Dat was met de zesde-eeuwse monnik, Dionysius Exiguus.
  11. Opvatting over taal en taalgebuik
  12. Functies en waardering van het beeld.

Het wordt duidelijk dat de genoemde bronnen dominant aanwezig zijn in de middeleeuwen, maar dat er ook, mede onder invloed van de arabische cultuur, ook steeds ontwikkeling (denk aan de verschuiving van Plato naar Aristoteles, de optuiging van de scholastiek, gedachten over God) en verfijning heeft plaatsgevonden.

Marcus Bull – Thinking Medieval; An introduction to the study of the Middle Ages

Een hartstikke leuk boekje uitgegeven bij Mcmillan in 2005. In het eerste hoofdstuk gaat het op een grondige wijze over de Middeleeuwen zoals we die vaak tegenkomen in de populaire cultuur, van romans, films tot architectuur. Vervolgens gaat het over de term Middel-eeuwen. Hoezo middel en waartussen dan. Natuurlijk gaat het over de visie van lieden uit de Renaissance en daarna die een duistere periode zagen volgend op de klassieke tijd en voorafgaand de (vroeg)moderne. En dan is de vraag aan de orde naar de bronnen en de ontwikkeling in de behandeling van bronnen. Er is aandacht voor microhistory, het verhaal in een dorp als Montaillou, maar dat niet alleen, in een kort bestek is er juist aandacht voor heel veel discussies en invalshoeken. Daarmee geeft dit werk een inkijkje in de de wereld van de academische historici. Maar zonder academisch over te komen.

Het is dus ergens wel een luchtig geschreven verhandeling, maar de boodschap is niet luchtig. De Middel-eeuwen, dat is niet zomaar een periode waar eenduidig en simpel gesproken kan worden. Het boek is een uitnodiging tot grondige studie, alleen al om complottheorieën en ergerlijke versimpelingen te kunnen bestrijden. En niet om simpel huidige politieke doelen en kruistochten te kunnen najagen.

Heb ik even geluk dat ik dit boekje (158 pagina’s) zomaar zag liggen…

Tales of the Marvellous….

IMG_1239

Bij Donner werd mijn aandacht getrokken door een titel die me onbekend en intrigerend voorkwam: ‘Tales of the Marvellous and News of the Strange; a medieval arab fantasy collection’. Het is een deel uit de Penguin Classics uitgegeven in 2014. In 1933 maakte de Duitse arabist Hellmut Ritter zijn vondst bekend tijdens een conferentie van oriëntalisten. Hij had in een bibliotheek te Istanboel een manuscript gevonden met wonderlijke verhalen. De bundel is niet compleet. Het betreft verhalen uit de tiende eeuw terwijl het manuscript waarschijnlijk uit de 16e eeuw afkomstig is. Er blijkt een relatie te zijn met de verhalen uit duizend-en-één-nacht; dat wil zeggen, sommige verhalen komen in beide bundels voor. Bovendien bestaan beide bundels uit een bonte collectie aan verhalen. Er zijn ook verschillen. Zo is deze bundel geen raamvertelling en wordt in deze verhalen Ali vaak genoemd. Ali?Ja, die schoonzoon van Mohammed. Hierdoor lijkt het boek meer uit de Sjiietenhoek te komen. Natuurlijk moeten we dan niet denken aan de ayatolla’s van onze tijd. Enfin, dat zijn een paar opmerkelijke dingen uit de inleiding van Robert Irwin. De vertaling is van  Malcolm C. Lyons die voor de PC ook The  Nights vertaalde. Overigens heb ik het negende verhaal gelezen over een eenvoudige wever die ondanks zichzelf en op aanraden van zijn vrouw furore maakt als waarzegger. Een grappig verhaal dat toch meer is dan alleen maar een grappig verhaal.

De volledige Villon

Wie kent ‘m niet, die Francois Villon, de schuinsmarscheerder en dief uit de vijftiende eeuw (1431- ?)? Natuurlijk waren er al wel uitgaven, maar pas in 1998 is er voor het eerst in het Nederlands een volledige vertaling uitgekomen van het werk van deze dichter. Die heb ik hier dus liggen, geleend van de Amersfoortse Biep. Het is een tweetalig boek met een inleiding, vertaald door Ernst van Altena, jawel, en uitgegeven door Aristos te Rotterdam.

IMG_0935

Nu heb ik niet alles gelezen. Wel genoeg om te kunnen melden dat dit een kostelijk boek is. De gedichten zijn niet simpel maar ook niet heel moeilijk en zeker niet hoogdravend. Het zijn menselijke gedichten met vaak een vrolijke ondertoon. ‘Het klagen van de schone helmenmakersvrouw’ eindigt als volgt:

En zo betreuren wij de tijd;
Wij zitten dat als oude teven
scheef als een sprokkeltakken-mijt,
vlak bij het strovuur nog te beven.
Een stróvuur ja, zo was ons leven:
Eéns heeft het ons veel schoons gegeven!
Acht… zo vergaat het menigeen.

De ‘Ballade van Fortuna’ heeft ook een aardig slot:

Daarom Francois zeg ik nogmaals: wees wijs,
was er geen Goed en ook geen Paradijs,
dan was er voor geen méns een batig slot,
dan gaf ‘k ze tienmaal meer aan ’t kwade prijs!
Wees wijs Villon en accepteer je lot!

Nu blijf ik nog met een vraag zitten. Hoort deze dichtende vrijbuiter bij de late Middeleeuwen zoals in het artikeltje van Wikipedia wordt gezegd, of toch bij de Renaissence?

Reinaert de Vos

IMG_0797

Tijdens de periode dat ik allerlei leuke en interessante dingen uit de Middeleeuwen las ben ik nooit aan de vos Reinaerde toegekomen. Ik had een zeer onaantrekkelijk beduimeld exemplaar wat ook niet stimulerend was. Bovendien was het een editie in Middel Nederlands met verklarende noten. Dan wordt zoiets echt een exercitie. Vorige week kwam ik de hertaling door Ernst van Altena tegen die in 2014 bij Lalito is uitgegeven.

Reinaert is een episch gedicht, een Vlaamse variant op de Franse Renard. Geen vertaling dus maar een eigen opzet in de traditie van Renard. Eigenlijk zoals dat met de Arthurtraditie of de Kareltraditie ook gebeurde.

Het gaat over het koninkrijk van koning Nobel dat wordt geteisterd door de streken van de slimme vos en zo corrupt blijkt als wat. Voor geld en lekkernijen laat iedereen tot de koning aan toe zich vlijen en ompraten. Reinaert gaat vrijuit en lacht zich kapot. Op deze manier is het leuk om te lezen, het is geinig hertaald en de moeite waard om zo kennis te nemen van een verhaal waar zo vaak naar wordt verwezen.

Zo ’n episch gedicht is wel wezenlijk wat anders dan een sonnet. Het is meer een verhaal terwijl een sonnet of een ander kort gedicht vaak een samenballing is van een gedachte of een emotie. Dat maakt een gedicht naar mijn idee ook tot wezenlijk iets anders dan Reinaert of welk andere middeleeuws werk ook. Ik geloof dat ik vooralsnog meer een antenne heb voor dit werk dat meer lijkt op een roman dan voor de hard-core poëzie…

Chrétien de Troyes – Le chevalier au Lion (Yvain)

 Dit is een deeltje uit de Traductions des classiques Francais du Moyen Age, een vertaling door Claude Buridant en Jean Trotin. Vertaling? Ja, een vertaling vanuit Middeleeuws Frans naar het Frans van 1982, toen het boek in Parijs is uitgegeven door de Librairie Honoré Champion.

Het tweede ridderverhaal dat ik nu van Chrétien heb gelezen. Eerder las ik Parceval en dat vond ik eigenlijk een rommeliger verhaal. Dit heeft naar mijn idee meer kop en staart. De korte versie gaat zo: Yvain wordt na een wonderlijk incident aangevallen door een ridder. Hij weet de ridder dodelijk te verwonden, achtervolgt hem tot in zijn kasteel en dan valt er izo’n spannend hek naar beneden en zit hij vast. Hij wordt gered door een dame en een onzichtbaar makende ring. Uiteindelijk wordt hij de heer van de dame die door zijn toedoen weduwe was geworden. Vervolgens gaat hij erop uit om ridderlijke avonturen te beleven. Hij heeft moeten beloven binnen een jaar terug te zijn. Dat lukt dus niet. Vele verhaallijnen en avonturen verder komt hij toch terug en weet hij de dame uiteindelijk tot vergeving en herstel van de relatie te bewegen. Voor de uitgebreide versie kijke men hier.

Wat is er nu aardig aan deze oude koek? Het is toch een kijkje in de 12e eeuw op een veel grondiger manier dan wanneer je een paar middeleeuwse illustraties bekijkt of door een oude kerk wandelt. Je krijgt iets mee van de sitz im Leben, het rare hoofse gedoe, de gelovigheid  – heel erg aanwezig maar ook oppervlakkig naar mijn idee. Bovendien komen dilemma’s rond trouw en broederschap mooi aan bod. Juist op dit punt staat deze roman ineens helemaal niet ver van deze tijd.

Hoe zat het nu met die leeuw. Yvain had tijdens een van zijn avonturen de leeuw gered uit een benarde situatie en sindsdien werden ze onafscheidelijk. Ook hier speelt trouw een grote rol.

 

The Canterbury Tales – Chaucer

De ondertussen wereldberoemde bundel van Chaucer is naar mijn mening terecht nog steeds een begrip of misschien zelfs een must. Waarom?

1. Het is kostelijk leesvoer. Chaucer heeft een stijl die soms ernstig is, maar vaak ironisch, koddig of ronduit melig. Het gaat in de tales om een gezelschap dat op pad blijkt voor een bedevaart naar Canterbury. Het plan ontstaat om tijdens het wandelen elkaar verhalen te vertellen en dat is wat er gebeurt. Eerst is er een proloog waarin dit plan uit de doeken wordt gedaan en het gezelschap wordt voorgesteld. Dan volgt er een reeks aan verhalen met vaak een in- en uitleiding. Chaucer laat dus allerlei mensen van allerlei afkomst en niveau’s aan het woord en dat levert verschillende stijlen op van grof, geaffecteerd tot vroom. Wat daarbij geinig is, is dat verschillende sprekers ook nog op elkaars verhaal gaan reageren.

Chaucer leefde aan het Engelse hof en in de diplomatie en dat gebeurde tijdens de 14e eeuw, de eeuw van de pest en de 100- jarige oorlog. Hij heeft gereisd en had duidelijk nogal wat gelezen. Hij is vertaler van de Roman de la Rose en van ‘de troost…’ van Boëtius. In de tales verwijst hij naar deze twee, naar Boccacio, Petrarca, Dante, Seneca, Cato, Ovidius, Plato, Homerus, le Chanson de Roland, Arthur wordt genoemd en nog een hele sleep Romeinen en de bijbel inclusief de apocriefen. Dat is niet gering en interessant om te zien wat hij op welke manier uit deze zee aan bronnen gebruikt.

2. Kortom, het is interessant leesvoer. En dat te meer als je bedenkt dat door deze verhalen het gevoelen van de 14e eeuw duidelijk wordt. Een opmerkelijk aspect is hoe losjes de gelovige Chaucer met de godsdienst omgaat. Hij is overduidelijk een Christelijk schrijver, maar schroomt niet om de grootste schunnigheden op te schrijven die hij natuurlijk wel anderen in de mond heeft gelegd. Hij doet dit op een manier waarvan ik het vermoeden heb dat dat na de reformatie niet zo makkelijk meer zou kunnen gebeuren.

Overigens heb ik twee vertalingen gelezen: De Coghill-vertaling; dat is een Penguin Classic uit 1966, voor het eerst in 1952 uitgegeven en kostelijk. De verhalen zijn voor het grootste gedeelte in rijm geschreven en dat is wel even wennen maar daarna ook heel charmant.

In 1995 is de vertaling van Ernst van Altena (ja, ja, de vertaler van de Roos…) bij Abmo/Baarn uitgekomen. Wat een klus moet dat zijn geweest en wat een lol moet deze man hieraan beleefd hebben. Ook prachtig dus, maar mijn voorkeur ligt een beetje bij Coghill.

In Nederland hadden we al een vertaling uit 1930 door Barnouw gemaakt. Deze hebben ik niet echt gelezen, wel wat doorgebladerd om te constateren dat-ie vrijwel onleesbaar is omdat de beste man heeft gemeend dat hij het Nederlands met een archaïserende saus moest overgieten. Ik heb hiervan de Spectrum- editie terwijl het boek oorspronkelijk was uitgegeven bij Tjeenk Willink & Zoon te Haarlem.

Tot slot had ik ook nog een Engelse proza-versie gevonden:A modern proze rendering by David Wright uit 1964 in een Panther editie uit 1965. Prettig leesbaar.

De chronologie van een project…

Heel wat gelezen aan vertaalde bronnen uit de Middeleeuwen. Hieronder probeer ik ze chronologisch te rangschikken:

6e eeuw Regel van Benedictus

524 Boethius – De Troost van de filosofie

594 Gregorius van Tours

817-830 Einhard – Vita Karoli Magni

883 De Carolo Magno

12e eeuw Chrétien de Troyes – Parceval

1140-1170 Chanson de Roland

1136 Gregory of Monmouth; The History of the Kings of Brittain

13e Nibelungenlied

1235 Roman de la Rose; Jean de Meung en Guillaume de Lorris

1250 Ferguut (datum is een benadering)

1270 Karel en Elegast

1299 Marco Polo

(1294-1324 Montaillou; natuurlijk komt het boek uit 1984, maar het beschrijft deze periode)

1308-1321 Dante; Davina Comedia

14e eeuw Edda; Codex Regius; vastlegging van oudere orale tradities

1343-1400 Chaucer – Cantebury Tales

1374 Beatrijs (dit is ongeveer de datum van het oudst bekende manuscript)

Boethius – The consolation of Philosophy (Consolatio Philosophiae)

Boëthius (480-524) was een belangrijk man in het in verval geraakte Romeinse Rijk dat ondertussen een beetje was overgenomen door de Gothische Theoderik. Tot de dag dat hij in uit de gratie viel en werd verbannen. Uiteindelijk zou hij een gruwelijke dood sterven, maar voor het zover was had hij nog de tijd om wat te werken en zo schreef hij dit boekje of tractaat. Het boek bestaat uit Plato-achtige dialogen. In het begin zit hij er wat treurig bij en wordt hij aangesproken door een soort Vrouwe Wijsheid die heb erop wijst dat hij zich niet zo moet laten meenemen in zijn verdriet en zo begint het boek met de vraag wat een mens gelukkig maakt en de rol van het lot. Overigens worden de dialogen afgewisseld door gedichten die de stof nog eens op een andere manier naar voren brengen, vaak puttend uit de klassieken zoals Homerus.
Tegen het eind wordt het allemaal moeilijker en gaat het over de vrije wil en voorzienigheid. Dat klinkt naar theologie en inderdaad, gaandeweg wordt het verhaal theologischer hoewel er geen enkele verwijzing is naar Jezus of een passage uit de bijbel. Nu was Boethius we een soort van Christelijke filosoof, maar hij heeft om wat voor reden ook dit boek meer theïstisch-filosofisch laten zijn dan christelijk.
Het boek is overigens heel populair geweest in de Middel-Eeuwen en eeuwen later nog vertaald door Chausser die daar toen blijkbaar brood in zag.

Montaillou – Emmanuel le Roy Ladurie

Het boek uit 1984 (Bert Bakker) over het ketters dorp in de Pyreneeën in de periode van 1294 tot 1324. Het moet destijds door Jan en alleman zijn gekocht want ik kom het zeer regelmatig tegen in het Kringloopcentrum. Daarmee is niet gezegd dat het ook door net zovelen gelezen is natuurlijk. Overigens had ik me nooit een goed idee gevormd over de inhoud van dit boek. Zo dacht ik dat ik een spannend boek zou gaan lezen over inquisitietoestanden gericht tegen Katharen in de Pyreneeën tijdens de Middeleeuwen.
Welnu, het boek gaat inderdaad over de streek waar Montaillou in ligt, aan de Franse kant van de Pyreneeën en ja, het gaat over een periode die tot de Middeleeuwen behoort. Het is echter geen spannende boek wel een fascinerend boek.

In die jaren van inquisitie gericht tegen de Katharen was er een bisschop Fournier van Pamiers die een hele reeks aan verhoren van ware en vermeende ketters afwerkte. Die verhoren zijn netjes gedocumenteerd en bewaard gebleven en vormen de voornaamste historische bron van dit boek. De schrijver heeft op basis hiervan een soort historisch-sociologisch werk geschreven. Dat klinkt nogal saai, maar dat is het niet. Eigenlijk doet de stijl me wat aan die van Geert Mak denken; toegankelijk, steeds persoonlijke verhalen naar boven halend en niet academisch.

Natuurlijk gaat het boek over het geloof van de Katharen. Een dualistisch geloof dat zich afzette tegen de Katholieke kerk en een verdeling kende tussen ‘gewone’ aanhangers en de ‘supergelovigen’, leiders die een soort bemiddelende functie hadden. Geloofsoverdracht vond niet plaats tijdens kerkdiensten maar veeleer tijdens gesprekken in huis of tijdens het werk op het land.
Dat huis, de Domus, speelt een belangrijke rol in de gemeenschap van Montaillou, veel belangrijker dan voor ons het eigen huis of ouderlijk huis. Het is de plek waar ontmoetingen plaats vinden, waar mensen in soberheid wonen en waar vanuit het land wordt bewerkt. Het boek beschrijft dus het functioneren van de Domus, de rol van mannen en vrouwen, de afwezigheid van echt feodalisme, zeden en gewoonten, huwelijk en het erop nahouden van overige relaties en de dood.
Voor die dood lieten de ‘gewone’ ketters zich dopen met de ketterdoop om vervolgens via een gelovig vasten te sterven. Zo kon het goed komen met de ziel en dat was wel waar het om ging in de tijd.

Al met al geeft het boek een unieke kijk in het dagelijks leven, het leven van de herders – overigens niet onbelangrijk – het levensgevoel van de streekgenoten. Dat kom je niet op deze wijze tegen in de ridderromans, in de Edda of bij Gregorius van Tours en dat maakt dit een bijzonder boek ook al tref je het tegenwoordig meer aan bij het Kringloopcentrum dan bij de boekwinkel. Dat overkomt trouwens meer goede boeken.