Tales of the Marvellous….

IMG_1239

Bij Donner werd mijn aandacht getrokken door een titel die me onbekend en intrigerend voorkwam: ‘Tales of the Marvellous and News of the Strange; a medieval arab fantasy collection’. Het is een deel uit de Penguin Classics uitgegeven in 2014. In 1933 maakte de Duitse arabist Hellmut Ritter zijn vondst bekend tijdens een conferentie van oriëntalisten. Hij had in een bibliotheek te Istanboel een manuscript gevonden met wonderlijke verhalen. De bundel is niet compleet. Het betreft verhalen uit de tiende eeuw terwijl het manuscript waarschijnlijk uit de 16e eeuw afkomstig is. Er blijkt een relatie te zijn met de verhalen uit duizend-en-één-nacht; dat wil zeggen, sommige verhalen komen in beide bundels voor. Bovendien bestaan beide bundels uit een bonte collectie aan verhalen. Er zijn ook verschillen. Zo is deze bundel geen raamvertelling en wordt in deze verhalen Ali vaak genoemd. Ali?Ja, die schoonzoon van Mohammed. Hierdoor lijkt het boek meer uit de Sjiietenhoek te komen. Natuurlijk moeten we dan niet denken aan de ayatolla’s van onze tijd. Enfin, dat zijn een paar opmerkelijke dingen uit de inleiding van Robert Irwin. De vertaling is van  Malcolm C. Lyons die voor de PC ook The  Nights vertaalde. Overigens heb ik het negende verhaal gelezen over een eenvoudige wever die ondanks zichzelf en op aanraden van zijn vrouw furore maakt als waarzegger. Een grappig verhaal dat toch meer is dan alleen maar een grappig verhaal.

Advertenties

De volledige Villon

Wie kent ‘m niet, die Francois Villon, de schuinsmarscheerder en dief uit de vijftiende eeuw (1431- ?)? Natuurlijk waren er al wel uitgaven, maar pas in 1998 is er voor het eerst in het Nederlands een volledige vertaling uitgekomen van het werk van deze dichter. Die heb ik hier dus liggen, geleend van de Amersfoortse Biep. Het is een tweetalig boek met een inleiding, vertaald door Ernst van Altena, jawel, en uitgegeven door Aristos te Rotterdam.

IMG_0935

Nu heb ik niet alles gelezen. Wel genoeg om te kunnen melden dat dit een kostelijk boek is. De gedichten zijn niet simpel maar ook niet heel moeilijk en zeker niet hoogdravend. Het zijn menselijke gedichten met vaak een vrolijke ondertoon. ‘Het klagen van de schone helmenmakersvrouw’ eindigt als volgt:

En zo betreuren wij de tijd;
Wij zitten dat als oude teven
scheef als een sprokkeltakken-mijt,
vlak bij het strovuur nog te beven.
Een stróvuur ja, zo was ons leven:
Eéns heeft het ons veel schoons gegeven!
Acht… zo vergaat het menigeen.

De ‘Ballade van Fortuna’ heeft ook een aardig slot:

Daarom Francois zeg ik nogmaals: wees wijs,
was er geen Goed en ook geen Paradijs,
dan was er voor geen méns een batig slot,
dan gaf ‘k ze tienmaal meer aan ’t kwade prijs!
Wees wijs Villon en accepteer je lot!

Nu blijf ik nog met een vraag zitten. Hoort deze dichtende vrijbuiter bij de late Middeleeuwen zoals in het artikeltje van Wikipedia wordt gezegd, of toch bij de Renaissence?

Reinaert de Vos

IMG_0797

Tijdens de periode dat ik allerlei leuke en interessante dingen uit de Middeleeuwen las ben ik nooit aan de vos Reinaerde toegekomen. Ik had een zeer onaantrekkelijk beduimeld exemplaar wat ook niet stimulerend was. Bovendien was het een editie in Middel Nederlands met verklarende noten. Dan wordt zoiets echt een exercitie. Vorige week kwam ik de hertaling door Ernst van Altena tegen die in 2014 bij Lalito is uitgegeven.

Reinaert is een episch gedicht, een Vlaamse variant op de Franse Renard. Geen vertaling dus maar een eigen opzet in de traditie van Renard. Eigenlijk zoals dat met de Arthurtraditie of de Kareltraditie ook gebeurde.

Het gaat over het koninkrijk van koning Nobel dat wordt geteisterd door de streken van de slimme vos en zo corrupt blijkt als wat. Voor geld en lekkernijen laat iedereen tot de koning aan toe zich vlijen en ompraten. Reinaert gaat vrijuit en lacht zich kapot. Op deze manier is het leuk om te lezen, het is geinig hertaald en de moeite waard om zo kennis te nemen van een verhaal waar zo vaak naar wordt verwezen.

Zo ’n episch gedicht is wel wezenlijk wat anders dan een sonnet. Het is meer een verhaal terwijl een sonnet of een ander kort gedicht vaak een samenballing is van een gedachte of een emotie. Dat maakt een gedicht naar mijn idee ook tot wezenlijk iets anders dan Reinaert of welk andere middeleeuws werk ook. Ik geloof dat ik vooralsnog meer een antenne heb voor dit werk dat meer lijkt op een roman dan voor de hard-core poëzie…

Chrétien de Troyes – Le chevalier au Lion (Yvain)

 Dit is een deeltje uit de Traductions des classiques Francais du Moyen Age, een vertaling door Claude Buridant en Jean Trotin. Vertaling? Ja, een vertaling vanuit Middeleeuws Frans naar het Frans van 1982, toen het boek in Parijs is uitgegeven door de Librairie Honoré Champion.

Het tweede ridderverhaal dat ik nu van Chrétien heb gelezen. Eerder las ik Parceval en dat vond ik eigenlijk een rommeliger verhaal. Dit heeft naar mijn idee meer kop en staart. De korte versie gaat zo: Yvain wordt na een wonderlijk incident aangevallen door een ridder. Hij weet de ridder dodelijk te verwonden, achtervolgt hem tot in zijn kasteel en dan valt er izo’n spannend hek naar beneden en zit hij vast. Hij wordt gered door een dame en een onzichtbaar makende ring. Uiteindelijk wordt hij de heer van de dame die door zijn toedoen weduwe was geworden. Vervolgens gaat hij erop uit om ridderlijke avonturen te beleven. Hij heeft moeten beloven binnen een jaar terug te zijn. Dat lukt dus niet. Vele verhaallijnen en avonturen verder komt hij toch terug en weet hij de dame uiteindelijk tot vergeving en herstel van de relatie te bewegen. Voor de uitgebreide versie kijke men hier.

Wat is er nu aardig aan deze oude koek? Het is toch een kijkje in de 12e eeuw op een veel grondiger manier dan wanneer je een paar middeleeuwse illustraties bekijkt of door een oude kerk wandelt. Je krijgt iets mee van de sitz im Leben, het rare hoofse gedoe, de gelovigheid  – heel erg aanwezig maar ook oppervlakkig naar mijn idee. Bovendien komen dilemma’s rond trouw en broederschap mooi aan bod. Juist op dit punt staat deze roman ineens helemaal niet ver van deze tijd.

Hoe zat het nu met die leeuw. Yvain had tijdens een van zijn avonturen de leeuw gered uit een benarde situatie en sindsdien werden ze onafscheidelijk. Ook hier speelt trouw een grote rol.

 

The Canterbury Tales – Chaucer

De ondertussen wereldberoemde bundel van Chaucer is naar mijn mening terecht nog steeds een begrip of misschien zelfs een must. Waarom?

1. Het is kostelijk leesvoer. Chaucer heeft een stijl die soms ernstig is, maar vaak ironisch, koddig of ronduit melig. Het gaat in de tales om een gezelschap dat op pad blijkt voor een bedevaart naar Canterbury. Het plan ontstaat om tijdens het wandelen elkaar verhalen te vertellen en dat is wat er gebeurt. Eerst is er een proloog waarin dit plan uit de doeken wordt gedaan en het gezelschap wordt voorgesteld. Dan volgt er een reeks aan verhalen met vaak een in- en uitleiding. Chaucer laat dus allerlei mensen van allerlei afkomst en niveau’s aan het woord en dat levert verschillende stijlen op van grof, geaffecteerd tot vroom. Wat daarbij geinig is, is dat verschillende sprekers ook nog op elkaars verhaal gaan reageren.

Chaucer leefde aan het Engelse hof en in de diplomatie en dat gebeurde tijdens de 14e eeuw, de eeuw van de pest en de 100- jarige oorlog. Hij heeft gereisd en had duidelijk nogal wat gelezen. Hij is vertaler van de Roman de la Rose en van ‘de troost…’ van Boëtius. In de tales verwijst hij naar deze twee, naar Boccacio, Petrarca, Dante, Seneca, Cato, Ovidius, Plato, Homerus, le Chanson de Roland, Arthur wordt genoemd en nog een hele sleep Romeinen en de bijbel inclusief de apocriefen Dat is niet gering en zeker interessant om te zien wat hij op welke manier uit deze zee aan bronnen gebruikt.

2. Kortom, het is interessant leesvoer. En dat te meer als je bedenkt dat door deze verhalen het gevoelen van de 14e eeuw duidelijk wordt. Een opmerkelijk aspect is hoe losjes de gelovige Chaucer met de godsdienst omgaat. Hij is overduidelijk een Christelijk schrijver, maar schroomt niet om de grootste schunnigheden op te schrijven die hij natuurlijk wel anderen in de mond heeft gelegd. Hij doet dit op een manier waarvan ik het vermoeden heb dat dat na de reformatie niet zo makkelijk meer zou kunnen gebeuren.

Overigens heb ik twee vertalingen gelezen: De Coghill-vertaling; dat is een Penguin Classic uit 1966, voor het eerst in 1952 uitgegeven en kostelijk. De verhalen zijn voor het grootste gedeelte in rijm geschreven en dat is wel even wennen maar daarna ook heel charmant.

In 1995 is de vertaling van Ernst van Altena (ja, ja, de vertaler van de Roos…) bij Abmo/Baarn uitgekomen. Wat een klus moet dat zijn geweest en wat een lol moet deze man hieraan beleefd hebben. Ook prachtig dus, maar mijn voorkeur ligt een beetje bij Coghill.

In Nederland hadden we al een vertaling uit 1930 door Barnouw gemaakt. Deze hebben ik niet echt gelezen, wel wat doorgebladerd om te constateren dat-ie vrijwel onleesbaar is omdat de beste man heeft gemeend dat hij het Nederlands met een archaïserende saus moest overgieten. Ik heb hiervan de Spectrum- editie terwijl het boek oorspronkelijk was uitgegeven bij Tjeenk Willink & Zoon te Haarlem.

Tot slot had ik ook nog een Engelse proza-versie gevonden:A modern proze rendering by David Wright uit 1964 in een Panther editie uit 1965. Ook prettig leesbaar.

De chronologie van een project…

Heel wat gelezen aan vertaalde bronnen uit de Middeleeuwen. Hieronder probeer ik ze chronologisch te rangschikken:

6e eeuw Regel van Benedictus

524 Boethius – De Troost van de filosofie

594 Gregorius van Tours

817-830 Einhard – Vita Karoli Magni

883 De Carolo Magno

12e eeuw Chrétien de Troyes – Parceval

1140-1170 Chanson de Roland

1136 Gregory of Monmouth; The History of the Kings of Brittain

13e Nibelungenlied

1235 Roman de la Rose; Jean de Meung en Guillaume de Lorris

1250 Ferguut (datum is een benadering)

1270 Karel en Elegast

1299 Marco Polo

(1294-1324 Montaillou; natuurlijk komt het boek uit 1984, maar het beschrijft deze periode)

1308-1321 Dante; Davina Comedia

14e eeuw Edda; Codex Regius; vastlegging van oudere orale tradities

1343-1400 Chaucer – Cantebury Tales

1374 Beatrijs (dit is ongeveer de datum van het oudst bekende manuscript)

Boethius – The consolation of Philosophy (Consolatio Philosophiae)

Boëthius (480-524) was een belangrijk man in het in verval geraakte Romeinse Rijk dat ondertussen een beetje was overgenomen door de Gothische Theoderik. Tot de dag dat hij in uit de gratie viel en werd verbannen. Uiteindelijk zou hij een gruwelijke dood sterven, maar voor het zover was had hij nog de tijd om wat te werken en zo schreef hij dit boekje of tractaat. Het boek bestaat uit Plato-achtige dialogen. In het begin zit hij er wat treurig bij en wordt hij aangesproken door een soort Vrouwe Wijsheid die heb erop wijst dat hij zich niet zo moet laten meenemen in zijn verdriet en zo begint het boek met de vraag wat een mens gelukkig maakt en de rol van het lot. Overigens worden de dialogen afgewisseld door gedichten die de stof nog eens op een andere manier naar voren brengen, vaak puttend uit de klassieken zoals Homerus.
Tegen het eind wordt het allemaal moeilijker en gaat het over de vrije wil en voorzienigheid. Dat klinkt naar theologie en inderdaad, gaandeweg wordt het verhaal theologischer hoewel er geen enkele verwijzing is naar Jezus of een passage uit de bijbel. Nu was Boethius we een soort van Christelijke filosoof, maar hij heeft om wat voor reden ook dit boek meer theïstisch-filosofisch laten zijn dan christelijk.
Het boek is overigens heel populair geweest in de Middel-Eeuwen en eeuwen later nog vertaald door Chausser die daar toen blijkbaar brood in zag.