Nieuw Ensemble in het Muziekgebouw aan het IJ

Voor mij was dit voor het eerst om een volledig modern programma live mee te maken en overigens ook het NE. Het programma heette ‘Niets dan goeds’ en bestond uit baanbrekende werken van grote namen van de generatie componisten waarvan de meeste nu overleden zijn:
Van Stockhousen Kontra-Punkte; een heel fragmentarisch stuk; klanken gaan door het hele ensemble; elk instrument speelt een paar noten wat als resultaat heeft – zo zei A. het – dat het lijkt of er een groep mensen door elkaar aan het praten is.
Daarna volgde van Donatoni – Refrein III, van Ligeti – Kammerkonzert für 13 Instrumentalisten, Différences van Berio, Rrrrrr… Funf Jazz Stücke van Kagel – verreweg het meest toegankelijk hoewel toch niet echt tonaal – en Anaktoria van Xenakis. Heel interessant en boeiend om mee te maken. Natuurlijk is dit geen muziek om bij mee te swingen en zo. Het leidt er bij mij toe dat ik veel meer de oren en alles openzet om gewoon tot me te nemen wat er gebeurt. Niets is bekend dus is elk moment en elke wending een verrassing. Dat is een heel actieve luisterhouding en dat vond ik erg leuk om mee te maken en bij mezelf te bemerken. Het werkt bij mij overigens live en aanwezig wel veel beter dan thuis. Conclusie: Ga vooral naar concerten met muziek die je helemaal niet kent.

Advertenties

Afronding van de muziekgeschiedenis…

Een half jaar muziekgeschiedenis afstoffen, dat was het eigenlijk. Nee, het was toch meer. Het doornemen van Grould was inderdaad in het kader van afstoffen. De verdieping rond Bach en de 20e eeuw in Nederland en daarbuiten was iets was ik nog niet eerder had gedaan. Het aardigste gevolg is wel dat ik nu veel meer greep heb gekregen op die modernere muziek. De MP3 staat er behoorlijk vol mee. Ik heb veel geluisterd en veel leren waarderen. Dat is een ontdekkingstocht die natuurlijk nog maar net begonnen is en ik ga er lekker mee door.
Het was een wat onbevredigend semester want waar moet je beginnen en ophouden? Hoe dan ook; ik ga er sowieso gewoon mee door, af en toe een cantate spelen, luisteren, concerten bezoeken en lezen.

Mens en Melodie én Mathijs Vermeulen

Het tijdschrift ‘Mens en Melodie’ werd naar ik meen rond 1945 opgericht met als grote man Wouter Paap. De jaren 1952 en 1953 heb ik wat doorgenomen en dat geeft wel een heel aardige kijk op het muziekleven in Nederland van toen. Het gaat over festivals, nieuwe langspeelplaten (!), componisten, muziekonderwijs, koren en componisten waarvan er vele allang in de vergetelheid zijn geraakt. Heel aardig.

Verder trof ik van Matthijs Vermeulen ‘Het enige hart’, brieven aan zijn overleden vrouw waarin het heel persoonlijk gaat over zijn verering voor deze vrouw, zijn dagelijks leven, zijn kinderen, waarvan er één sneuvelt, het is nog oorlog. Af en toe gaat het dan ook nog over muziek. Opmerkelijk is het citaat uit de brief van 17 december 1944:
De tonale cadens verdeelt de muzikale frase onophoudelijk in een massa kleine vakjes. Hij kan vergeleken worden met een voorgedragen poëzie waarin de recitant een cesuur zou maken bij elke versvoet. Het is een hebbelijkheid welke de muziek heeft aangenomen toen de componisten metrisch begonnen te schrijven in korte maatsoorten, ten behoeve van danspassen, marsbewegingen, en andere dagelijkse gebaren…..Wat mij betreft, ik heb van deze reflexen geen last. Ik heb de tonale cadens zo goed als geheel geëlimineerd uit mijn muziek; dat ging vanzelf, zonder enige moeite; instinctief.

Nederlandse Muziek in de 20- ste eeuw – Leo Samama

Er was al een eerdere versie geweest van dit boek, maar ik heb nu de versie uit 2006 gelezen met de ondertitel: ‘Voorspel tot een nieuwe dag’. Een prachtige en grondige introductie. Aan de ene kant komt het muziekleven aan bod en daarnaast natuurlijk de vele ontwikkelingen op compositorisch gebied. Dan blijkt maar weer dat Nederland een klein en vaak wat koel en conservatief landje is geweest op muziekgebied, maar dat de bijdrage de afgelopen honderd jaar veel groter is geweest dan in de eeuwen daarvoor. Er worden heel veel componisten, werken en technieken besproken. Samama heeft wel voor wat structuur gekozen door extra ruimte te nemen voor een aantal grote jongens: Matthijs Vermeulen, Willem Pijper, Henk Badings, Rudolf Escher, Ton de Leeuw en Tristan Keuris, als ik het goed heb. Heel stimulerend om vanuit dit boek verder kennis te maken met muziek van deze heren.

Muziek in de 20e eeuw-Jan Nuchelmans red.

Een vriendelijk dun boekje, het resultaat van lezingen uit 1994 ter ere van het achttiende lustrum van het Thijmgenootschap. Het begint met een artikel over Diepenbrock door Bronzwaer. Dan komt het gedoe tussen Pijper en van Gilze aan de orde. Daar had ik al wel eens wat over vernomen. Joost Langeveld bespreekt de zoektocht naar nieuw idioom tussen ’40 en ’60. Er staat een mooi stuk in van Ton de Leeuw over de muziek van 1960 tot heden, tot 1994 dus.
Helen Metzelaar vertelt over Nederlandse componistes en Jan Nuchelmans – ooit heb ik in Arnhem lessen muziekgeschiedenis van hem gehad – besteedt een hoofdstuk aan de opkomst van de ‘Oude muziek. Het laatste hoofdstuk bestaat uit een compositie van Fons Brouwer, een lied. Dat is wat vreemd, zo zonder verdere toelichting.
Al met al een leesbaar boekje en nog steeds een aardige introductie denk ik, hoewel 1994 al wel wat lang geleden begint te worden.

Johann Sebastian Bach

Het standaardwerk van Christoph wolff heb ik net uit. Het geeft een beeld van Bachs leven en zijn muzikale en intellctuele ontwikkeling, de ontwikkeling als organist, orgeltester, virtuoos, orkestleider, en uiteindelijk van zijn oeuvre waarvan na zijn dood een heel deel verloren is gegaan. Het grootste deel van wat er behouden is, is behouden door de zorg van Carl Philip Emmanuel. Hij stelde met Agricola ook een necrologie samen die geldt als belangrijke bron over Bach’s leven (1750, gepubliceerd in 1754). Een andere oude bron was de eerste biografie door Forkel aan het begin van de 19e eeuw (Über Johann Sebastian Bachs Leben, Kunst und Kunstwerke, Leipzig 1802)

.
Dit Bachproject heeft nog een staartje gekregen:
– Het Bachboek van Maarten ’t Hart uit 2000 een heel leuke introductie in deze wondere wereld. Aan de ene kant gaat het in superlatieven over de prachtigste muziek van Bach en daarin is hij heel persoonlijk en biografisch. Tussendoor is het toch ook heel informatief en kwam ik van alles tegen wat ik bij Wolff niet had gelezen. Het aardigste is toch wel het hoofdstuk waarin hij de Bach-literatuur toelicht. Voor de oude bronnen wijst hij op The New Bach Reader. Dat lijkt me een nuttige investering.

De hieronder genoemde boeken ga ik deze week nog eens wat verder bekijken:

-Het Bachboek van Albert Schweitzer (1905); ik heb een uitgave uit 1965 van Breitkopf & Härtel. Dit werk wordt dus ook door ’t Hart genoemd – niet door Wolff – hij vindt er wel onjuistheden in, maar ‘toch blijft zijn boek een prachtig, groots en monumentaal werk over de Thomas-cantor.

– De wereld van de cantates, deel 1, van Arnstadt tot Köthen, door Wolff en Ton Koopman, Unipers Abcoude uit 1995.

Er zit ook een muzikaal staartje aan te komen; we spelen over een aantal weken het 3e Brandenburgse Concert!

Ondertussen is er nog een aanwinst bijgekomen: ”The New Bach Reader”, een soort Bach-bronnenboek, de equivalent van de Bach-Documente, een ware schat aan wonderlijke informatie.

Een muziekgeschiedenis der Nederlanden

Een prachtig boek uit 2001 onder redactie van Louis Peter Grijp en in een ruim achthonderd pagina’s tellende reeks hoofdstukken door de muziekgeschiedenis van de lage landen gaat. Niet zoals Grout, maar steeds inzoemend op een incident of een thema. Het gaat daarbij in dit boek niet alleen om klassieke muziek; er komt vanalles aan bod. Van ontwikkeling van orgelbouw, klavecimbelbouw in de zuidelijk Nederlanden tot Louis Davids en het North Sea Jazz festival. Al lezend heb ik me wel met name op de ‘Kunstmuziek’ gericht, maar daarnaast toch ook vele andere wonderlijke onderwerpen meegenomen.

De algemene indruk is wel dat Nederland in de muziek een heel klein landje is geweest en nu misschien iets groter is gegroeid maar niet meer dan dat. Aan de andere kant hebben er hier best aardige dingen plaatsgevonden. Wat te denken van een goed klinkende carillonbel of de Mahler-uitvoeringen in het Concertgebouw olv Mengelberg?

De behandeling van de moderne muziek vanaf Diepenbrock tot Ter Veldhuis komt ook heel prettig en vanuit verschillende gezichtspunten aan bod.