Ronald Prud'homme van Reine – Onthoofdingen in de hofstad; De val van de Oldebarnvelts

Een boek uit 2019. Ik ben ook een keertje bij de tijd, ook al zijn de beschreven gebeurtenissen al weer van een tijdje geleden.

In een vrij droge stijl gaat het over het leven van Johan van Oldebarneveld, zijn relatie met Maurits en de toenemende verwijdering tussen de twee zeker sinds het bestand. Vervolgens wordt beschreven hoe het tot een climax komt en Oldebarneveld op het Binnenhof werd gearresteerd en gevangen gehouden zonder lectuur en een hele tijd zonder schrijfgerei. Hij wordt ondervraagd zonder advocaat en namens de Staten Generaal terwijl dat juridisch niet kon. Hij is opgepakt in Holland en moest dus door de Hollandse Staten voor de rechter gesleept worden. Zo is het dus niet gegaan. Ondertussen werd in veel steden het bestuur ontdaan van remonstranten. En zo gaat het voort tot en met de executie van Oldebarneveld.

Daarna komt de focus te liggen op de broers Willem en Reinier, de zonen van Johan. Een paar jaar na de dood van hun vader waarbij een deel van het familiebezit verloren ging, zette Willem een complot op om Maurits te vermoorden. Reinier raakte betrokken als geldschieter en al gauw deed er een heel clubje mee. Sommigen uit overtuiging, anderen omdat het goed betaalde. Toen het bijna zover was werd het plan verraden en ontstond er een landelijke jacht op de deelnemers. Het boek beschrijft de lotgevallen van de belangrijkste deelnemers. Een aantal werd onthoofd en dat gold ook voor Reinier. Willem was ondertussen al lang en breed het land ontvlucht en woonde voortaan in Brussel waar hij uiteindelijk Room Katholiek werd.

Vervolgens is er nog aandacht voor Jacob Westerbaen die in 1625 trouwde met Anna Weytsen, de bemiddelde weduwe van Reinier van Oldebarneveld. Westerbaen is waarschijnlijk de schrijver van Historie van het leven en sterven dat later Waerachtige historie is gaan heten. Hij was arts en dichter en een bekende van Constantijn Huygens. Hij liet in de buurt van Den Haag Ockenburg bouwen en woonde er als landedelman.

Het boek besluit met van Oldebarneveld door de eeuwen heen, om het zo te noemen. Heel geinig is de beschrijving van de moeizame en late tot stand koming van monumenten en dergelijke. Zo ontdekte ik dat de buste die hier voor het JVO staat aanvankelijk op het stationsplein heeft gestaan.

Een leuk heel toegankelijk bok met een huiveringwekkende titel, dat wel.

P.C. Hooft

De man van de prijs en de straat. Ook de renaissance-man, Drost van Muiden en Baljuw van Gooiland en gastheer van de Muiderkring, dichter en zelfbenoemd geschiedschrijver, Amsterdammer en navolger van Seneca en Montaigne, fan van Tacitus en Hendrik IV.

Zijn eerste vrouw stierf op jongere leeftijd, er stierven kinderen op veel jongere leeftijd en toch was Hoofd een zonnige persoon die graag genoot van het leven. En dan vooral het leven op het Muiderslot waar zich vaak een bont en ontwikkeld gezelschap verzamelde – Zijn vriend Constantijn Huygens, Barleus, Tesselschade Roemers Visscher, en vele, vele anderen – om te praten, gedichten te horen, maar ook muziek.

Het was een gezelschap waar Vondel niet toe behoorde ook al hadden ze wel contact en respect voor elkaar, Vondel en Hooft. Vondel was veel serieuzer en in zekere zin ook feller, meer geëngageerd.

Ik heb dus Het leven van P.C. Hooft door dr. H.W. van Tricht gelezen (Martinus Nijhof, 1980, Den Haag). Een boek dat eigenlijk al ouder was en toen is herschreven. Het is een boek dat ik vond in het magazijn van de biep. Eerlijk gezegd had ik gedacht dat er wel een mooie recente biografie beschikbaar zou zijn. Dat is dus niet het geval. Dit boek ziet er niet bijster aantrekkelijk uit, maar is eigenlijk een heel informatief boek. Misschien is dat wel de reden waarom er geen recente biografie is.

Het eerste deel van zijn leven was Hooft, zoon van de Amsterdamse burgemeester, vooral bezig met poëzie, en vooral heel veel liefdesliedjes. Hij had al snel door dat hij niet geschikt was voor de handel of de politiek en kon zich een ander leven veroorloven. Later in zijn leven is hij aan een enorm project begonnen, de beschrijving van de eerste aanzet van de opstand, de Historiën, waarvoor hij zich grondig voorbereidde door naar bronnen te speuren en door zijn grote voorbeeld te bestuderen: Tacitus.

Er ligt hier nog een ander biepboek, P.C. Hoofd, De gedichten, Verzorgd en itgegeven door Johan Koppenol en Ton van Strien; muzikale redactie en toelichting Natascha Veldhost. Een uitgaven van Polak & van Gennep (Amsterdam 2012). Niet alleen een redelijk recent boek, ook een kloek boek.

Het is een schatkamer. De gedichten zijn wat betreft de spelling wat aangepast aan de onze, maar het valt mij niet mee om een gedicht te vinden dat ik meteen begrijp. Nu begrijp ik hedendaagse gedichten meestal ook niet, maar nu bedoel ik dat ik al snel weer een onbekend woord tegenkom. Maar dat is niet altijd erg.

Het is een mooi boek, er staan gravures in en, nu komt het, er staan noten bij die een heel aantal gedichten zingbaar maken en dus tot liederen. In tegenstelling tot Constantijn Huygens was Hooft geen componist; hij zorgde dat gedichten pasten in het ritme van bekende deunen. Zo van op de wijs van O, Champs Elysée. De genoemde Natascha Veldhorst is op zoek gegaan naar die melodieën en die staan dus ook afgedrukt. Er zit zelfs een cd bij, maar daar heb ik nog niet naar geluisterd.

Om dit Hooft-project af te ronden heb ik wat gelezen in ‘Nederlandse historiën in het kort’, een bloemlezing van het enorme werk van Hooft. M. Nijhoff heeft de inleiding geschreven waarin hij er op wijst dat zowel het monsterproject van Hooft als dit boek zijn uitgegeven door Elsevier. Maar dat terzijde. Nijhoff heeft stukken tekst van Hooft genomen en de tussenliggende episodes naverteld. Op deze wijze is het analenwerk van Hooft hanteerbaar geworden en zit ik nu met een boek (Eerst uitgegeven in 1947 en nu opnieuw in 1978) van 358 bladzijden. Het is bijzondere lectuur die de geschiedenis wel heel dichtbij brengt.

Piet Calis – Vondel, het verhaal van zijn leven (1587-1679)

Vondel werd niet in Amsterdam geboren, maar in Keulen. Dat was voor mij nieuw zoals heel veel in deze biografie. Zijn ouders kwamen uit de Zuidelijke Nederlanden en hadden als wederdopers de wijk genomen en zo zijn ze dus in Keulen terecht gekomen. Toen het leven daar moeilijker werd zijn ze naar Amsterdam verhuisd waar vader Joost aan de Warmoesstraat een handel in stoffen begon. De schrijver voegt steeds leuke details toe over het Amsterdam van de 17e eeuw wat heel aardig is. Vondel zou trouwens een heel trouw Amsterdammer worden; hij was echt begaan met de stad wat uit meerder gedichten blijkt.

Geraard Brandt is overigens de remontstrantse biograaf die toen Vondel al ouder was veel met hem heeft gesproken en de eerste biografie heeft geschreven – Het leven van Joost van den Vondel, wat natuurlijk ook voor Calis een belangrijke bron is geweest.

Vondel was een geëngageerde dichter (wist ik niet) en het boek begint met de bespreking van Palamedes, een toneelstuk over een Griekse held die eigenlijk hetzelfde lot had ondergaan als Oldebarneveld in 1619, waar Vondel niet over te spreken was. Het was een fijn middel om nog eens kritiek te leveren op de staatsgreep en dat was de reden dat het stuk pas veel later voor het eerst werd uitgevoerd.

Vondel is niet als classicus opgeleid, maar heeft zich een weg richting de klassieken gestudeerd en was een liefhebber an Seneca, Ovidius en Vergilius; hij heeft ook werk vertaald. De toneelstukken waren vaak geïnspireerd op bijbelse themas (Adam in ballingschap, Lucifer), op klassieke themas of soms op iets historisch of actuelers. Al deze toneelwerken worden kort door Calis beschreven. Daarbij blijkt meteen hoe lastig het was om een stuk te kunnen opvoeren. Burgemeesters moesten instemmen en altijd kon er een predikant opstaan met ernstige bezwaren.

De familie Vondel kwam dus als dopers gezin in Amsterdam te wonen en zo zochten ze ook aansluiting bij geloofsgenoten. Vondel zelf had in zijn latere leven ook wel affiniteit met de remonstranten, maar uiteindelijk heeft hij de stap gezet waar Hugo de Groot aan het einde van zijn leven ook toe neigde. Hij is katholiek geworden wat meteen flinke deining veroorzaakte.

Naast toneelwerk schreef vondel gelegenheidsgedichten waarin hij soms fel reageerde op de toestand in het land, soms ook op verhouding met Engeland. Het was immers de periode van de Engelse Zeeoorlogen. Na zijn overgang tot de grote moederkerk verscheen er ook een reeks Katholiek georiënteerde gedichten zoals de altaargeheimenissen en de leerdichten. Dit leverde tijdelijk wel een vermindering van populariteit op.

Vondel heeft nooit van zijn werk kunnen leven. Hij heeft de stoffenhandel van zijn vader overgenomen en op latere leeftijd heeft nog bij een soort bank gewerkt. Op hoge leeftijd is hij hiermee gestopt met behoud van salaris. Ondertussen waren er kinderen en kleinkinderen waarvan er velen zijn overleden. Het grote drama had te maken met zijn zoon, Joost, die de zaak had overgenomen en naar de filistijnen had geholpen. Het was een spender die in schulden kwam. Uiteindelijk is hij op een schip naar Indië gezet en onderweg overleden. Dat was nog eens stof geweest voor een toneelstuk. Dat heeft hij niet geschreven, maar het drama klinkt soms door in toneelstukken die ook gaan over vaders en zonen.

Een prima leesbare biografie. Fijne introductie tot leven en werk van Vondel en tot het historische Amsterdam.

Henk Nellen – Hugo de Groot

Een leven in strijd om de vrede, zo luidt de ondertitel van dit kloeke boek, uitgegeven door Balans in 2007 en zo matig gebonden (nou ja, geplakt…) dat de eerste pagina’s van mijn tweede hands verworven exemplaar ondertussen los liggen.

Maar dat mag de pret niet drukken, want naar mijn smaak is dit een prima biografie vooral ook omdat het zo prettig is geschreven. Wie zo kan schrijven moet vooral doorgaan. Wonderlijk dat ik nooit van deze Nellen had gehoord.

Wie in ieder geval aan de lopende band doorging met schrijven was natuurlijk Hugo de Groot die opgeleid als jurist natuurlijk juridische werken schreef over het natuurrecht, over oorlog en vrede – De iure belli ac pacis – en over de theologie. Daarnaast schreef hij gedichten, vaak voor gelegenheden, voor vrienden en bekenden. Bovendien kwam er toneelwerk uit zijn ganzenveer en een oeverloze stroom aan brieven.

Grotius, zo werd hij als geleerde vaak genoemd, net als zijn aanvankelijke vriend Heinsius, en overige collega’s Vossius,Barleus; al die lieden hadden gelatiniseerde namen. Het waren dan ook academici die heel veel in het Latijn publiceerden en Grotius was daar nog heel goed in ook, zo begrijp ik.

Als pensionaris van Rotterdam, een baan die hij in 1613 aanvaardde, had hij ook te maken met het landsbestuur en dus met landsadvocaat van Oldebarneveld, die naast Maurits de grote politicus was. Hij was naast politicus ook Arminiaan en dit ging een steeds grotere rol spelen in deze omgeving. De opstand tegen de Spanjaarden stond tijdens het bestand op een laag pitje, maar men spreekt wel van bestandstroebelen. Uit de Zuiderlijke Nederlanden waren veel fanatieke Calvinisten naar het Noorden gekomen en zij wilden eigenlijk de staat naar hun Calvinistische pijpen laten dansen. Arminianen waren toen in sommige steden in de meerderheid en Hugo de Groot was voorstander van een overheid die boven de kerken stond in plaats van een Calvinistische kerk die het laatste gezag wilde hebben. Calvinisten werden contraremonstranten en de sfeer werd grimmig. Overigens waren er ook meningsverschillen over de te volgen koers t.a.v. Spanje. Maurits stond meer en meer aan de kant van de contraremonstranten en pleegde in 1618 een soort staatsgreep door in de steden de arminiaanse bestuurders eruit te zetten. Hugo de Groot en van Oldebarneveld werden gevangengenomen. De laatste werd ter dood veroordeeld en in Den Haag onthoofd en Grotius werd in slot Loevenstein gevangengezet.

Na de ontsnapping uit het slot is hij naar het zuiden gevlucht om zich uiteindelijk in Parijs te vestigen. Op zeker moment kwamen vrouw en kinderen ook naar deze stad. Grotius ging gestaag door met publiceren en stond in contact met plaatselijk geleerden, maar bleef ook brieven schrijven aan zijn broer Willem, zijn zwager en vele anderen waaronder zijn vriend Wtenbogaert, die zou uitgroeien tot opperhoofd der Arminianen.

Een echte betrekking had hij niet en publiceren leverde nog niet echt veel geld op. Trouwens, wel werk. Soebatten met drukkers (Elsevier, Bleau, Parijse drukkers), drukproeven doornemen, manuscripten veilig in de Nederlanden zien te krijgen. Waar hij naast ander werk ook mee bezig was, was een verweerschrift met betrekking tot het proces van 1618, Verantwoordingh.

In 1635 werd Hugo de Groot Ambassadeur voor het Zweedse koninkrijk in Parijs en daarmee waren de grootste geldzorgen voorbij. Ondertussen bleef hij publiceren, maar groeide hij wel steeds verder weg van de Nederlanden, terwijl hij eerder wel pogingen had gedaan om terug te kunnen keren.

Als ambassadeur, een functie die hij bijna tot zijn dood heeft uitgeoefend, was hij aan de ene kant bekwaam, aan de andere kant wat onhandig in de omgang. Hij hechtte veel te veel belang aan dingen als protocol, omdat hij een overtreding ervan zag als een belediging van de Zweedse kroon. Het was een zware periode. De tegenslagen in zijn diplomatieke carrière, de verguizing door Hollandse autoriteiten, de gespannen verhouding met de Franse gastheren, de gebrekkige ondersteuning vanuit het thuisland Zweden, de moizame uitbetaling van zijn salaris, de kritiek op zijn unionistische geschriften, de aanvallen van de theologen op zijn integriteit en rechtzinnigheid, de ongezeglijkheid van zijn zoons – het waren enerverende problemen die Grotius’ zelfvertrouwen aanstastten en hem achterdochtig maakten (p. 577).

In de laatste fase van zijn leven was Grotius steeds meer bezig met het idee van de eenheid van de kerk. Hij stelde zich een verzoening voor tussen de kerk van de reformatie – waarbij hij dus niet meteen dacht aan de fanatieke Calvinisten – en de kerk van Rome. Door publicaties hierover vervreemdde hij steeds meer mensen van zich. Velen dachten dat hij maar een klein zetje nodig had om toe te treden tot de Roomse kerk en er werd ook wel aan hem getrokken vanuit deze kerk. Zover is het niet gekomen

In 1645 kwam er een einde aan het ambassadeurschap en reisde Grotius naar Zweden. De terugweg viel niet mee en in Rostock is hij overleden waarna hij in Delft is begraven.

Diarmaid Macculloch – Roformation; Europe’s house devided 1490-1700

Een dikke Penguin met betrekkelijk kleine lettertjes. Desalniettemin een prachtig boek uit 2003. Eigenlijk is het een geschiedenis van Europa in de 16e en 17e eeuw met wat extra aandacht voor reformatie en contra-reformatie. Het is niet mogelijk naar Europa in deze periode te kijken zonder ook naar wat er in de kerken gebeurde omdat de kerk, komend uit de Middeleeuwen, gewoon een enorm belangrijke rol speelde. Of je het leuk vind of niet, je kan er niet omheen.

In dit boek ga je er zeker niet omheen, maar dat maakt het niet tot saaie stof. Deze Macculloch kan het allemaal smaakvol en soms grappig vertellen en probeert het beeld heel breed te houden. Dat begint al met het voorspel. Natuurlijk noemt hij Wiclyfe en Hus – ik wist niet dat er een link was tussen deze bewegingen – maar hij noemt ook andere hervormingsneigingen binnen de kerk van vóór 1517. Bij het voorspel hoort ook de renaissance, de pest, de strijd tegen het Ottomaanse rijk en de Islamangst.

En dan is er aandacht voor de politiek, de Habsburgers met Karel V en Philips II, Engeland met Hendrik de VIII, zijn opvolgers waar onder Elisabeth I en Jacobus, de tijdgenoot van Shakespeare en de man van de King James Version. Frankrijk en de Hugenoten komen natuurlijk aan bod met de Bartelomeüsnacht (1572), het edict van Nantes (1598) en het einde ervan onder Lodewijk XIV.

Het aardige is dat de focus niet op de Nederlanden ligt, maar er is toch ook veel gedetailleerde aandacht voor de rol die deze streek speelde. Zo was Amsterdam samen met Londen toch wel een plaats waar je terecht kon met rare meningen, uiteraard tot op zekere hoogte en afwijkende sexuele voorkeuren. En dat brengt me tot het laatste deel van het boek, Patterns of life, waarin het levensgevoel aan de orde komt en dus ook – naast merkwaardige heksenmanie – sexualiteit.

En dan heb ik het nog niet gehad over ontwikkelingen in Polen en Transsylvanië, over de Dertigjarige oorlog, de grote invloed van Erasmus, de synode van Dordrecht, de anabaptisten, Cromwell, de Toestanden in Spanje, Schotland en Ierland of de nieuwe koloniën in wat later de VS is geworden…

Dan nog een toevoeging een paar maanden nadat ik dit boek uit had. In het Amsterdamse ABC trof ik Christendom destroyed; Europe 1517-1648, door Mark Greengrass. Ik ben er bladerend en lezend doorheen gegaan. Het is duidelijk dat dit boek voor een groot deel over dezelfde periode gaat. Natuurlijk is het ook weer anders, worden er andere details besproken en zo is het een heel prettige aanvulling.

Luc Panhuysen – De ware vrijheid; De levens van Johan en Cornelis de Witt

Een biografie over de gebroeders de Witt, over de Nederlanden, een soort wiebelige EU in de tweede helft van de 17e eeuw, die uitmondt in het Rampjaar, 1672. De titel is ronduit raak. Het was ‘De Ware Vrijheid’ waar het Johan de Witt en zijn medestanders om ging. Een staatsbestel vrij van een monarch. Maar ja, laten we maar even zeggen, het volk wilde graag een sterke leider. Immers, onder een sterke leider uit het huis van Oranje was er de opstand tegen de Spanjaarden geweest. Johan wist door besluiten van de Staten Generaal te voorkomen dat de jonge prins Willem III, zijn vader was in zijn kindertijd overleden, zomaar tot stadhouder of legeraanvoerder gebombardeerd kon worden. Daar was al een heel gelobby voor nodig.
Ondertussen was er de buitenlandse politiek met vooral dreigingen. Er passeerden zee-oorlogen met Engeland (met als hoogtepunt de verschalking van de Engelse vloot bij Chatham in 1667 en verder vooral dieptepunten) en Frankrijk werd onder leiding van Lous XIV een bedreiging. Zeker toen er een verbond met Engeland ontstond. Met de inval van Frankrijk,Keulen en Münster én de oorlog ter zee tegen Engeland werd de roep om een sterke leider alleen maar luider en de behoefte aan zondebokken groter. Die waren voor handen. Immers, deze hele ellendige situatie was toch overduidelijk de schuld van die broeders uit Dordrecht? Cornelis werd ervan beschuldigd een aanslag op de prins te beramen en werd opgesloten in Den Haag. Toen er eindelijk een vonnis was – o.a. verbanning uit Holland – kwam Johan die zelf maanden daarvoor een aanslag maar net had overleefd, naar de gevangenpoort om hem op te halen. Buiten was een enorme menigte die door geen overheid werd tegengehouden. Het resultaat was een lynchpartij die het einde betekende van een bijzondere periode.

Tekenend voor de tijd vond ik naast veel andere dingen de gevoeligheid voor hoeden afnemen of niet, vlagincidenten en, jawel, koetsincidenten. Allemaal trots- en lange-tenen-zaken.

Prachtig vond ik de controle die er in Dordrecht geregeld plaatsvond van de emmers die men bezat. Die emmers mochten niet lekken ivm eventuele brandbestrijding. Dus zette iedereen op de afgesproken dag een emmer gevuld met water aan de weg…