Maarten van Buuren – Spinoza; vijf wegen naar de vrijheid.

Een reuze fijn boekje waarin het denken van Spinoza wordt verhelderd. Het fijne is dat uit de teksten die ik deels heb gelezen de kern boven water wordt gebracht. De radicaliteit ervan wordt duidelijk gemaakt en de context toegelicht. Spinoza gaat in op Hugo de Groot en Descartes, maar ook op Stoïcijnen als Epictetus en Marcus Aurelius en bovendien heeft hij zich laten inspireren door Epicurus. En dan had hij ook nog te maken met een jonge republiek waarin allerlei krachten werkzaam waren.

Zoals de ondertitel doet vermoeden is het boek verdeeld in vijf overzichtelijke hoofdstukken die zijn voorzien van een degelijk notenapparaat.

  1. God is natuur. Spinoza ziet God niet als de God van het Oude Testament (De God van het OT is een onwaar Godsbeeld), de God van de verhalen, de transcendente God, maar als een immanente God die samenvalt met de natuur en de wetten van de natuur. Dat is een heldere binnenkomer.
  2. Over zelfbeschikking, het recht te denken wat je wil en te zeggen wat je denkt. In dit hoofdstuk duikt de radicale stelling macht = recht op.
  3. De Conatus of levensdrift (logos spermaticos) die organismen van nature hebben en die volgens de schrijver neerkomt op de wil tot macht; daar gaat het derde hoofdstuk over. Spinoza blijkt goed en kwaad niet als absoluut te zien; hij ziet ze in relatie tot macht en onmacht.
  4. En dan gaat het over kennis. van Buuren ziet de kennis bij Spinoza als een soort triptiek. Het grote paneel in het midden, dat is de rede. De rede staat naast de vrijheid centraal in het denken van Spinoza. Het eerste zijpaneel wordt gevormd door de verbeelding, wat we moeten zien als een combinatie van waarnemingen en meningen. Het andere zijpaneel wordt gevormd door de intuïtie, het ogenblikkelijke inzicht in de essentie van de dingen (136).
  5. Tot slot gaat het over de samenleving. Het begint bij mensen zonder samenleving, mensen die leefden met een natuurrecht, wat volgens Spinoza betekent dat de mens zich alles mag toe-eigenen wat hij nodig heeft. De mens leeft volgens de wetten van de natuur. Hier wordt nog eens duidelijk gesteld dat hier geen hogere wetten of transcendentie aan te pas komen. In het verlengde van dit op het oog kille recht komen daar de sociale neiging en de rede om de hoek kijken. Zo is het niet ieder voor zich, maar samen sterk en dit is de basis voor de opbouw van samenlevingen. van Buuren legt de link met utilitarisme en liberalisme en vindt het liberalisme van Spinoza zuiverder dan het liberalisme van de 19e eeuw. Dat komt omdat hij zijn overwegingen afleidt uit natuurwetten waarin is vastgelegd dat de mens van nature een sociaal wezen is dat gedreven wordt door de rede die elk mens is aangeboren (blz. 213).

Dit is een veel rijker boek dan deze korte indruk doet vermoeden. Eigenlijk een ideaal beginpunt voor wie zich eens wat meer met Spinoza wil bezighouden terwijl het voor mij een tijdelijk eindpunt is. Hier volgt de samenvattende alinea waar van Buuren zijn boek mee eindigt:

Het begin van Spinoza’s leven stond in het teken van de verstoting uit de joodse geloofsgemeenschap en de verbanning uit de synagoge. Spinoza besteedde de rest van zijn leven aan het ontwerpen van een zijnsleer die uitgaat van de Natuur. De ethiek die hij uit deze zijnsleer afleidde bevat de richtlijnen aan de hand waarvan ieder mens zich onder leiding van de rede kan invoegen in de natuurlijke orde waarvan hij deel uitmaakt en daarin zijn vrijheid verwerven. In dit Huis van de Natuur zocht en vond Spinoza de geborgenheid, vrijheid, waarheid en autonomie die de religies hem onthielden (blz 230).

Theun de Vries – Spinoza; beeldenstormer en wereldbouwer

Hè ja, eindelijk weer eens een boek van Theun de Vries gelezen. Ooit heb ik heus wel de bibliografie van deze veelschrijver doorgenomen, maar dat hij een biografie van Spinoza heeft geschreven was bij mijn niet blijven hangen. En toen kwam ik het boek uit 1972 tegen.

Ik heb het uit en ik moest denken aan het ketterboek dat ik ook ooit in ieder geval deels heb gelezen. Daar was ik toen niet echt enthousiast van, ik vond vooral de taal te gewichtig waardoor het boek extra ontoegankelijk werd. Dat vond ik dus.

Voor dit boek geldt dit helemaal niet. Natuurlijk is het door dezelfde man geschreven en is de taal niet opeens supersimpel. Dit is een goed geschreven heel toegankelijke biografie. De 17e eeuw komt goed aan bod. De Joodse gemeenschap in Amsterdam wordt besproken en hoe de jonge Spinoza in de leer ging bij de van den Enden die in Amsterdam een Latijnse school had geopend die een broeiplaats werd van on-orthodoxe ideeën. Jonathan Israel heeft daar natuurlijk ook uitgebreid over geschreven in Radicale Verlichting.

Nadat Spinoza uit de Synagoge was gezet vestigde hij zich aanvankelijk in Rijnsburg, later in Voorburg en toen hij stierf woonde hij in Den Haag, hij is Nota Bene in de Nieuwe Kerk begraven.

Toen hij nog in Amsterdam woonde had hij een clubje geestverwanten, leerlingen om zich heen zoals Koerbagh en Jarig Jelles. Later toen hij als lenzenslijper actief was en niet meer in Amsterdam woonde kreeg hij ook steeds meer contact met wetenschappers als Christiaan Huygens en andere onderzoekers die ook belang hadden bij zijn lenzenwerk.

De Vries veronderstelde een contact met de Witt en andere Haagse regenten die best blij moeten zijn geweest met de publicatie van het Theologisch-Politiek tractaat waarin afscheid genomen wordt van de bijbel als door een persoonlijke God geïnspireerd boek.

In het Politiek tractaat ging het meer over de samenleving en de regering ervan terwijl hij in de Ethica op een (voor mij redelijk ondoorgrondelijke) meetkundige strak logische manier schreef over een ethiek die leidde tot een stoïsche levenshouding in het besef dat God en natuur samenvallen.

Tegen het einde van zijn leven stond Spinoza in contact met wetenschappers uit omliggende landen. Voor velen was het gevaarlijk om daar over rond te vertellen. Spinozist was een scheldwoord, het drukken van zijn werk gevaarlijk (gebeurde onder een andere naam en met Hamburg als plaats van uitgave) en de Ethica werd pas jaren na zijn dood in het Nederlands uitgegeven.

Ronald Prud’homme van Reine – Onthoofdingen in de hofstad; De val van de Oldebarnvelts

Een boek uit 2019. Ik ben ook een keertje bij de tijd, ook al zijn de beschreven gebeurtenissen al weer van een tijdje geleden.

In een vrij droge stijl gaat het over het leven van Johan van Oldebarneveld, zijn relatie met Maurits en de toenemende verwijdering tussen de twee zeker sinds het bestand. Vervolgens wordt beschreven hoe het tot een climax komt en Oldebarneveld op het Binnenhof werd gearresteerd en gevangen gehouden zonder lectuur en een hele tijd zonder schrijfgerei. Hij wordt ondervraagd zonder advocaat en namens de Staten Generaal terwijl dat juridisch niet kon. Hij is opgepakt in Holland en moest dus door de Hollandse Staten voor de rechter gesleept worden. Zo is het dus niet gegaan. Ondertussen werd in veel steden het bestuur ontdaan van remonstranten. En zo gaat het voort tot en met de executie van Oldebarneveld.

Daarna komt de focus te liggen op de broers Willem en Reinier, de zonen van Johan. Een paar jaar na de dood van hun vader waarbij een deel van het familiebezit verloren ging, zette Willem een complot op om Maurits te vermoorden. Reinier raakte betrokken als geldschieter en al gauw deed er een heel clubje mee. Sommigen uit overtuiging, anderen omdat het goed betaalde. Toen het bijna zover was werd het plan verraden en ontstond er een landelijke jacht op de deelnemers. Het boek beschrijft de lotgevallen van de belangrijkste deelnemers. Een aantal werd onthoofd en dat gold ook voor Reinier. Willem was ondertussen al lang en breed het land ontvlucht en woonde voortaan in Brussel waar hij uiteindelijk Room Katholiek werd.

Vervolgens is er nog aandacht voor Jacob Westerbaen die in 1625 trouwde met Anna Weytsen, de bemiddelde weduwe van Reinier van Oldebarneveld. Westerbaen is waarschijnlijk de schrijver van Historie van het leven en sterven dat later Waerachtige historie is gaan heten. Hij was arts en dichter en een bekende van Constantijn Huygens. Hij liet in de buurt van Den Haag Ockenburg bouwen en woonde er als landedelman.

Het boek besluit met van Oldebarneveld door de eeuwen heen, om het zo te noemen. Heel geinig is de beschrijving van de moeizame en late tot stand koming van monumenten en dergelijke. Zo ontdekte ik dat de buste die hier voor het JVO staat aanvankelijk op het stationsplein heeft gestaan.

Een leuk heel toegankelijk bok met een huiveringwekkende titel, dat wel.

P.C. Hooft

De man van de prijs en de straat. Ook de renaissance-man, Drost van Muiden en Baljuw van Gooiland en gastheer van de Muiderkring, dichter en zelfbenoemd geschiedschrijver, Amsterdammer en navolger van Seneca en Montaigne, fan van Tacitus en Hendrik IV.

Zijn eerste vrouw stierf op jongere leeftijd, er stierven kinderen op veel jongere leeftijd en toch was Hoofd een zonnige persoon die graag genoot van het leven. En dan vooral het leven op het Muiderslot waar zich vaak een bont en ontwikkeld gezelschap verzamelde – Zijn vriend Constantijn Huygens, Barleus, Tesselschade Roemers Visscher, en vele, vele anderen – om te praten, gedichten te horen, maar ook muziek.

Het was een gezelschap waar Vondel niet toe behoorde ook al hadden ze wel contact en respect voor elkaar, Vondel en Hooft. Vondel was veel serieuzer en in zekere zin ook feller, meer geëngageerd.

Ik heb dus Het leven van P.C. Hooft door dr. H.W. van Tricht gelezen (Martinus Nijhof, 1980, Den Haag). Een boek dat eigenlijk al ouder was en toen is herschreven. Het is een boek dat ik vond in het magazijn van de biep. Eerlijk gezegd had ik gedacht dat er wel een mooie recente biografie beschikbaar zou zijn. Dat is dus niet het geval. Dit boek ziet er niet bijster aantrekkelijk uit, maar is eigenlijk een heel informatief boek. Misschien is dat wel de reden waarom er geen recente biografie is.

Het eerste deel van zijn leven was Hooft, zoon van de Amsterdamse burgemeester, vooral bezig met poëzie, en vooral heel veel liefdesliedjes. Hij had al snel door dat hij niet geschikt was voor de handel of de politiek en kon zich een ander leven veroorloven. Later in zijn leven is hij aan een enorm project begonnen, de beschrijving van de eerste aanzet van de opstand, de Historiën, waarvoor hij zich grondig voorbereidde door naar bronnen te speuren en door zijn grote voorbeeld te bestuderen: Tacitus.

Er ligt hier nog een ander biepboek, P.C. Hoofd, De gedichten, Verzorgd en itgegeven door Johan Koppenol en Ton van Strien; muzikale redactie en toelichting Natascha Veldhost. Een uitgaven van Polak & van Gennep (Amsterdam 2012). Niet alleen een redelijk recent boek, ook een kloek boek.

Het is een schatkamer. De gedichten zijn wat betreft de spelling wat aangepast aan de onze, maar het valt mij niet mee om een gedicht te vinden dat ik meteen begrijp. Nu begrijp ik hedendaagse gedichten meestal ook niet, maar nu bedoel ik dat ik al snel weer een onbekend woord tegenkom. Maar dat is niet altijd erg.

Het is een mooi boek, er staan gravures in en, nu komt het, er staan noten bij die een heel aantal gedichten zingbaar maken en dus tot liederen. In tegenstelling tot Constantijn Huygens was Hooft geen componist; hij zorgde dat gedichten pasten in het ritme van bekende deunen. Zo van op de wijs van O, Champs Elysée. De genoemde Natascha Veldhorst is op zoek gegaan naar die melodieën en die staan dus ook afgedrukt. Er zit zelfs een cd bij, maar daar heb ik nog niet naar geluisterd.

Om dit Hooft-project af te ronden heb ik wat gelezen in ‘Nederlandse historiën in het kort’, een bloemlezing van het enorme werk van Hooft. M. Nijhoff heeft de inleiding geschreven waarin hij er op wijst dat zowel het monsterproject van Hooft als dit boek zijn uitgegeven door Elsevier. Maar dat terzijde. Nijhoff heeft stukken tekst van Hooft genomen en de tussenliggende episodes naverteld. Op deze wijze is het analenwerk van Hooft hanteerbaar geworden en zit ik nu met een boek (Eerst uitgegeven in 1947 en nu opnieuw in 1978) van 358 bladzijden. Het is bijzondere lectuur die de geschiedenis wel heel dichtbij brengt.

Piet Calis – Vondel, het verhaal van zijn leven (1587-1679)

Vondel werd niet in Amsterdam geboren, maar in Keulen. Dat was voor mij nieuw zoals heel veel in deze biografie. Zijn ouders kwamen uit de Zuidelijke Nederlanden en hadden als wederdopers de wijk genomen en zo zijn ze dus in Keulen terecht gekomen. Toen het leven daar moeilijker werd zijn ze naar Amsterdam verhuisd waar vader Joost aan de Warmoesstraat een handel in stoffen begon. De schrijver voegt steeds leuke details toe over het Amsterdam van de 17e eeuw wat heel aardig is. Vondel zou trouwens een heel trouw Amsterdammer worden; hij was echt begaan met de stad wat uit meerder gedichten blijkt.

Geraard Brandt is overigens de remontstrantse biograaf die toen Vondel al ouder was veel met hem heeft gesproken en de eerste biografie heeft geschreven – Het leven van Joost van den Vondel, wat natuurlijk ook voor Calis een belangrijke bron is geweest.

Vondel was een geëngageerde dichter (wist ik niet) en het boek begint met de bespreking van Palamedes, een toneelstuk over een Griekse held die eigenlijk hetzelfde lot had ondergaan als Oldebarneveld in 1619, waar Vondel niet over te spreken was. Het was een fijn middel om nog eens kritiek te leveren op de staatsgreep en dat was de reden dat het stuk pas veel later voor het eerst werd uitgevoerd.

Vondel is niet als classicus opgeleid, maar heeft zich een weg richting de klassieken gestudeerd en was een liefhebber an Seneca, Ovidius en Vergilius; hij heeft ook werk vertaald. De toneelstukken waren vaak geïnspireerd op bijbelse themas (Adam in ballingschap, Lucifer), op klassieke themas of soms op iets historisch of actuelers. Al deze toneelwerken worden kort door Calis beschreven. Daarbij blijkt meteen hoe lastig het was om een stuk te kunnen opvoeren. Burgemeesters moesten instemmen en altijd kon er een predikant opstaan met ernstige bezwaren.

De familie Vondel kwam dus als dopers gezin in Amsterdam te wonen en zo zochten ze ook aansluiting bij geloofsgenoten. Vondel zelf had in zijn latere leven ook wel affiniteit met de remonstranten, maar uiteindelijk heeft hij de stap gezet waar Hugo de Groot aan het einde van zijn leven ook toe neigde. Hij is katholiek geworden wat meteen flinke deining veroorzaakte.

Naast toneelwerk schreef vondel gelegenheidsgedichten waarin hij soms fel reageerde op de toestand in het land, soms ook op verhouding met Engeland. Het was immers de periode van de Engelse Zeeoorlogen. Na zijn overgang tot de grote moederkerk verscheen er ook een reeks Katholiek georiënteerde gedichten zoals de altaargeheimenissen en de leerdichten. Dit leverde tijdelijk wel een vermindering van populariteit op.

Vondel heeft nooit van zijn werk kunnen leven. Hij heeft de stoffenhandel van zijn vader overgenomen en op latere leeftijd heeft nog bij een soort bank gewerkt. Op hoge leeftijd is hij hiermee gestopt met behoud van salaris. Ondertussen waren er kinderen en kleinkinderen waarvan er velen zijn overleden. Het grote drama had te maken met zijn zoon, Joost, die de zaak had overgenomen en naar de filistijnen had geholpen. Het was een spender die in schulden kwam. Uiteindelijk is hij op een schip naar Indië gezet en onderweg overleden. Dat was nog eens stof geweest voor een toneelstuk. Dat heeft hij niet geschreven, maar het drama klinkt soms door in toneelstukken die ook gaan over vaders en zonen.

Een prima leesbare biografie. Fijne introductie tot leven en werk van Vondel en tot het historische Amsterdam.

Henk Nellen – Hugo de Groot

Een leven in strijd om de vrede, zo luidt de ondertitel van dit kloeke boek, uitgegeven door Balans in 2007 en zo matig gebonden (nou ja, geplakt…) dat de eerste pagina’s van mijn tweede hands verworven exemplaar ondertussen los liggen.

Maar dat mag de pret niet drukken, want naar mijn smaak is dit een prima biografie vooral ook omdat het zo prettig is geschreven. Wie zo kan schrijven moet vooral doorgaan. Wonderlijk dat ik nooit van deze Nellen had gehoord.

Wie in ieder geval aan de lopende band doorging met schrijven was natuurlijk Hugo de Groot die opgeleid als jurist natuurlijk juridische werken schreef over het natuurrecht, over oorlog en vrede – De iure belli ac pacis – en over de theologie. Daarnaast schreef hij gedichten, vaak voor gelegenheden, voor vrienden en bekenden. Bovendien kwam er toneelwerk uit zijn ganzenveer en een oeverloze stroom aan brieven.

Grotius, zo werd hij als geleerde vaak genoemd, net als zijn aanvankelijke vriend Heinsius, en overige collega’s Vossius,Barleus; al die lieden hadden gelatiniseerde namen. Het waren dan ook academici die heel veel in het Latijn publiceerden en Grotius was daar nog heel goed in ook, zo begrijp ik.

Als pensionaris van Rotterdam, een baan die hij in 1613 aanvaardde, had hij ook te maken met het landsbestuur en dus met landsadvocaat van Oldebarneveld, die naast Maurits de grote politicus was. Hij was naast politicus ook Arminiaan en dit ging een steeds grotere rol spelen in deze omgeving. De opstand tegen de Spanjaarden stond tijdens het bestand op een laag pitje, maar men spreekt wel van bestandstroebelen. Uit de Zuiderlijke Nederlanden waren veel fanatieke Calvinisten naar het Noorden gekomen en zij wilden eigenlijk de staat naar hun Calvinistische pijpen laten dansen. Arminianen waren toen in sommige steden in de meerderheid en Hugo de Groot was voorstander van een overheid die boven de kerken stond in plaats van een Calvinistische kerk die het laatste gezag wilde hebben. Calvinisten werden contraremonstranten en de sfeer werd grimmig. Overigens waren er ook meningsverschillen over de te volgen koers t.a.v. Spanje. Maurits stond meer en meer aan de kant van de contraremonstranten en pleegde in 1618 een soort staatsgreep door in de steden de arminiaanse bestuurders eruit te zetten. Hugo de Groot en van Oldebarneveld werden gevangengenomen. De laatste werd ter dood veroordeeld en in Den Haag onthoofd en Grotius werd in slot Loevenstein gevangengezet.

Na de ontsnapping uit het slot is hij naar het zuiden gevlucht om zich uiteindelijk in Parijs te vestigen. Op zeker moment kwamen vrouw en kinderen ook naar deze stad. Grotius ging gestaag door met publiceren en stond in contact met plaatselijk geleerden, maar bleef ook brieven schrijven aan zijn broer Willem, zijn zwager en vele anderen waaronder zijn vriend Wtenbogaert, die zou uitgroeien tot opperhoofd der Arminianen.

Een echte betrekking had hij niet en publiceren leverde nog niet echt veel geld op. Trouwens, wel werk. Soebatten met drukkers (Elsevier, Bleau, Parijse drukkers), drukproeven doornemen, manuscripten veilig in de Nederlanden zien te krijgen. Waar hij naast ander werk ook mee bezig was, was een verweerschrift met betrekking tot het proces van 1618, Verantwoordingh.

In 1635 werd Hugo de Groot Ambassadeur voor het Zweedse koninkrijk in Parijs en daarmee waren de grootste geldzorgen voorbij. Ondertussen bleef hij publiceren, maar groeide hij wel steeds verder weg van de Nederlanden, terwijl hij eerder wel pogingen had gedaan om terug te kunnen keren.

Als ambassadeur, een functie die hij bijna tot zijn dood heeft uitgeoefend, was hij aan de ene kant bekwaam, aan de andere kant wat onhandig in de omgang. Hij hechtte veel te veel belang aan dingen als protocol, omdat hij een overtreding ervan zag als een belediging van de Zweedse kroon. Het was een zware periode. De tegenslagen in zijn diplomatieke carrière, de verguizing door Hollandse autoriteiten, de gespannen verhouding met de Franse gastheren, de gebrekkige ondersteuning vanuit het thuisland Zweden, de moizame uitbetaling van zijn salaris, de kritiek op zijn unionistische geschriften, de aanvallen van de theologen op zijn integriteit en rechtzinnigheid, de ongezeglijkheid van zijn zoons – het waren enerverende problemen die Grotius’ zelfvertrouwen aanstastten en hem achterdochtig maakten (p. 577).

In de laatste fase van zijn leven was Grotius steeds meer bezig met het idee van de eenheid van de kerk. Hij stelde zich een verzoening voor tussen de kerk van de reformatie – waarbij hij dus niet meteen dacht aan de fanatieke Calvinisten – en de kerk van Rome. Door publicaties hierover vervreemdde hij steeds meer mensen van zich. Velen dachten dat hij maar een klein zetje nodig had om toe te treden tot de Roomse kerk en er werd ook wel aan hem getrokken vanuit deze kerk. Zover is het niet gekomen

In 1645 kwam er een einde aan het ambassadeurschap en reisde Grotius naar Zweden. De terugweg viel niet mee en in Rostock is hij overleden waarna hij in Delft is begraven.

Jonathan Israel – De Republiek 1477-1806

Reden om dit boek te lezen was om context te verwerven over de reformatie in de Nederlanden. Maar ja, en passant heb ik veel meer meegekregen, want dit is een geweldig boek dat de geschiedenis van deze streken heel prettig uit de doeken doet.

Samenvatten gaat natuurlijk niet lukken, maar ik noem wel zaken en namen die me opvielen. Zo is er aandacht voor het feit dat de Vlaamse steden in het begin van de 16e eeuw allemaal groter waren dan die in Noordelijker streken en steden als Dordrecht, Haarlem en Amsterdam pas daarna zijn gaan groeien. Opmerkelijk was toen al, en dat gold voor het hele gebied der Nederlanden, dat er zovéél steden zo dicht bij elkaar lagen. Zoals er aandacht is voor de steden, zo is er ook aandacht voor de economische ontwikkeling van die steden, en die was aanzienlijk en soms enorm. In het Zuiden was de textielindustrie van groot belang, in het Noorden was er landbouw, er werd haring gevangen en er werden bulkgoederen uit het Ooszee gebied gehaald.

En hoe zat het met de godsdienst? Wessel Gansfort en Rudolf Agricola worden genoemd als figuren tussen de Moderne Devotie en het bijbels humanisme in. De vroege reformatie in de jaren ’20 was een beweging van onderaf. Er was geen organisatie en vervolging kwam laat op gang.

En dan gaat de reformatie vaart krijgen en raakt deze onlosmakelijk verbonden met de opstand tegen het Spaanse gezag. Er was aversie tegen de Katholieke kerk, maar ook tegen nog meer belasting betalen. In 1566 ontstaat er een wanordelijke opstandige situatie waarbij vernielingen worden aangericht in en aan kerken. Beelden en wat maar doet denken aan de Katholieke eredienst moeten het ontgelden. Een beweging die in het Zuiden start en gaandeweg uitwaaiert naar het Noorden wanneer de opstand verder komt.

Willem van Oranje komt met andere notabelen zoals Hoorne en van Egmond in beeld. Zij vertegenwoordigen de Koning (immers, de Koning van Hispanje heb ik altijd geëerd…). Ze proberen het harde beleid van Spanje te temperen maar moeten het ontgelden of zich gedeisd houden. Willem had op dat moment nog niet zo duidelijk voor de Calvinisten, een kakelnieuwe, richting, gekozen en wilde zeker niet heel ferm tegen de Katholieken. kiezen.

Dat werd allemaal anders met de inname van Den Briel in 1672. Daarmee ging de opstand echt los, ook al was het geen helder doordacht gebeuren. Nu kreeg Willem als belangrijke edele meer invloed en koos hij de kant van de opstand. En dan gaat het hard. Steden worden veroverd op de Spanjaarden, en in 1579 de Unie van Utrecht waarmee de staatsvorming vaart krijgt en is gesteld dat de kerk van de reformatie daarbij hoort.

Rond 1590 is de aanwezigheid van Spanje even minder nadrukkelijk en dat leidde tot een keerpunt. De republiek-achtige staat in aanbouw kreeg meer zelfvertrouwen en boerde ook heel goed. De ontwikkeling van ‘Rijke handel’ ,handel in kostbare fabricaten in plaats van bulkgoederen als graan en hout kwam tot ontwikkeling en leidde tot een geweldige aanzwengeling van de economie. Spanje en Portugal stelden een embargo in voor spullen zoals zout en zo kwam men in de Nederlanden op het idee om dan zelf maar op pad te gaan om goederen in Indië te gaan halen. In 1602 werd de VOC opgericht. De Amersfoorter Pieter Both wordt de eerste Gouverneur van Indië.

Het is opmerkelijk dat de Opstand in het Zuiden anders verliep dan in het Noorden waar het primaat als snel bij Holland kwam te liggen. Volgens Israel kwam het doordat steden, maar ook de samenwerking tussen steden in de Noordelijke provincies beter was georganiseerd. Het was ook wel een enorme overlegtoestand met vroedschappen, burgermeesters, de provinciale statenvergaderingen en de Staten Generaal die nu niet in Brussel maar in Den Haag bijeen komt. In deze wereld van staatvorming en opstand komt van Oldebarneveld bovendrijven als zeer invoedrijke kracht.

Ondertussen gaat ongeveer 10% van de bevolking naar de nieuwe kerk. Dat is dus nog opmerkelijk weinig. Veel regenten zijn helemaal niet zo’n fan van Calvijn, ze verwijzen liever naar Erasmus. En dan is er Arminius, professor aan de nieuwe universiteit van Leiden, die niet meegaat in de leer van de uitverkiezing. Zijn directe tegenstrever is Gomarus en en volgeling van Arminius is Uyttenbogaert. De controverse wordt groot en groter. van Oldebarneveld heeft ook meer sympathie voor de denkbeelden van Arminius en dat geldt ook voor Hugo de Groot, die aanvankelijk niet wilde kiezen.

Door de inzet van van Oldebarneveld is er in 1609 een bestand gesloten met de Spanjaarden. Het lijkt wel of het land eindelijk de handen vrij had, niet alleen voor handel, maar ook voor controverse. Willem was al lang en breed vermoord (1574) en opgevolgd door Maurits die een klapje ambitieuzer lijkt. Hij was op weg geholpen door van Oldebarneveld, maar tijdens het bestand worden dit meer en meer politieke tegenstanders. Ondertussen hebben de Arminianen de remonstrantie uitgeroepen en wordt het land verdeeld tussen remonstranten en contra-remonstranten. Die remonstranten zijn verre van marginaal. Steden als Kampen (nb), Gouda, Alkmaar en Oudewater waren Remonstrands. Ondertussen wil Maurits een Nationale Synode om voor eens en altijd wat te doen aan de verdeeldheid. Steden en staten zijn tegen en er komt geen synode. Nou ja, in 1618 pleegt Maurits een soort staatsgreep waarbij grof gezegd de regenten eruit worden gezet en de edelen in het bestuur komen. van Oldebarneveld en Hugo de Groot worden gevangen gezet en de eerste wordt ter dood veroordeeld. Arminianen uit de stadsbesturen, contraremonstranten op belangrijke posities. Zo doe je dat. En toen kon er een Synode komen in Dordrecht 1618/19. Er werd niet alleen gekozen voor een Nieuwe Nederlandse vertaling van de bijbel (Statenvertaling), maar ook vóór de contra-remonstranten en dus tégen de remonstranten. De jaren erna waren jaren van zuivering. Arminianen moesten zich rustig houden of namen, zoals de Groot en Uyttenbogaert, de benen. En toen was niet alleen het bestand voorbij maar had Maurits ook invloed op de start van een heftige oorlog in Duitsland.

Het jaar 1629 was een kanteljaar. Frederik Hendrik was ondertussen stadhouder en legeraanvoerder en probeerde Den Bosch in te nemen. Als afleidingsmanoeuvre vielen de Spanjaarden het oosten van het land binnen waarbij Amersfoort tijdelijk voor twintig dagen onder Spaans kwam. Doordat Wezel op de Spanjaarden werd veroverd moesten ze de actie staken. Na een beleg van 5 maanden werd Den Bosch veroverd en dat was een enorme klapper. Ondertussen nam de invloed van de remonstranten in vooral de grote steden van Holland weer toe en ontstond er weer discussie over vrede. Het ging een beetje lijken op de situatie rond 1618.

De vrede van Münster was vooral profijtelijk voor Holland. De periferie ging er niet op vooruit onder andere omdat er lekker verdiend was met al die garnizoenen en forten vol met soldaten. Er ontstond zelfs een soort landbouwcrisis die in de tweede helft van de 17e leidde tot de introductie van een nieuw gewas: tabak.

Ondertussen hadden we hier te maken met Willem II, een soort voortzetting van Maurits, die in 1750 een soort staatsgreep pleegde door Amsterdam te bezetten. Even later werd hij ziek en stierf hij. Willem III was nog een kind en zo ontstond het eerste stadhouderloze tijdperk met Johan de Wit als bepalende politicus.

De tweede helft van de eeuw was een periode waarin staatsgezinden en orangisten tegenover elkaar stonden. In de internationale politiek stonden Engeland en de Republiek tegenover elkaar en werden er drie zee-oorlogen uitgevochten over handel en invloed. Op het kerkelijk erf werd de stijd tussen remonstranten en contraremonstranten vervangen door een strijd tussen Voetius en zijn aanhangers – de ware gereformeerden – en de Coccejanen, de aanhangers van Cocceüs. Maar er kwam een ander gevaar opzetten voor de kerk en de synagoge: Descartes, Spinoza, Koerbachg en nog een sleep aan denkers waarmee de vroege verlichting inzette. Los hiervan, maar natuurlijk ook in relatie met deze ontwikkelingen speelde het tolerantiedebat rond de vraag hoe tolerant men kon zijn ten aanzien van andersdenkenden.

In Frankrijk werd Lodewijk XIV steeds machtiger, aan de oostgrens roerden Münster en Keulen zich. Er ontstond een grote anti-Republiek coalitie die uiteindelijk in 1672 het land binnenviel. Ondertussen was de publieke opinie fel gekant tegen Johan de Wit en zijn broer en ze werden dus in Den Haag door het volk vermoord. Willem III, die ondertussen de 18 was gepasseerd werd legeraanvoerder en stadhouder en zo werd toch snel de strijd tegen de invallers gestart.

De oorlog heeft aanvankelijk een flinke economische terugval veroorzaakt, maar uiteindelijk viel het toch wel weer mee en kon de handel een paar jaar later toch weer toenemen. Willem trouwde een Engelse prinses, Mary Stuard, en zo kon hij heel vanzelfsprekend het land binnenvallen met een leger waarmee de Republiek flinke risico’s liep. The Glorious Revolution.

Het boek behandelt naast deze politieke verwikkelingen ook nog de ontwikkelingen in de cultuur, de enorme productie aan schilderwerken, de literatuur. Daarnaast gaat het over de ontwikkelingen binnen de VOC en de WIC, de bouw van forten en handelscentra, de strijd met Portugal om Brazilië, de start van een kolonie in Zuid-Afrika en in Indië, de deelname aan de slavenhandel en de start van de suikerplantages in Suriname en het gebruik van Curacao als handelsknooppunt, waar, net als in Suriname opmerkelijk veel Joden zich vestigden.

Enfin, dit is gewoon een geweldig boek.