Over Ida Gerhardt; Mieke Koenen – Dwars tegen de keer

Deze biografie over Ida Gerhardt die in 2014 uitkwam bij Atheneum Polak & van Gennep was ik uit mezelf niet zomaar gaan lezen. Mijn hersencellen staan nooit zo erg in de poëziestand. Het is een boeiend boek. Een aantal punten:

  • Ze had een psychisch zieke moeder waardoor haar jeugd erg moeilijk was. Haar vader was directeur van een Ambachtsschool in Rotterdam en zelf zat ze daar op het Erasmiaans gymnasium waar de dichter Leopold klassieke doceerde en is zijn navolger geworden: classica, docent en dichter.
  • Uiteindelijk heeft ze in Utrecht gestudeerd terwijl ze in Leiden was begonnen en ze kwam in een onderwijsbetrekking na een aantal volunteerbanen. Vrijwilligerswerk dus.
  • Tijdens de oorlog was ze docent in Kampen. Een eerste bundel gedichten was al verschenen.
  • Ze heeft een periode meegedaan op de Kees Boeke school, de Werkgemeenschap in Bilthoven.
  • Ida Gerhardt is tijdens de oorlog gepromoveerd op Lucretius en heeft een vertaling van de rerum natura gemaakt.
  • Het boek schenkt ruim aandacht aan de relatie met Marie van der Zeyde die zelf al eerder over Gerhardt publiceerde.
  • Het boek geeft een mooie kijk op een belangrijk deel van de vorige eeuw en is goed geschreven. Het is ook mooi gemaakt. Er worden veel gedichten besproken  en er komen er ook veel terug in de tekst.
  • Waardeering was er zeker, maar Ida Gerhardt was geen flamboyant middelpunt van de Nederlandse poëziewereld.
Advertenties

Even geen gedichten meer…

Vanaf september heb ik naast andere dingen vooral ook gedichten gelezen. Vier maanden ondergedompeld zijn in de poëzie, dat was het plan. Het heeft maar ten dele gewerkt. Ik had gehoopt dat de wondere wereld van de poëzie zich als door een mirakel voor mij zou ontsluiten. Zo is het dus niet gegaan.

Naast wat ik al eerder beschreef ben ik in de weer geweest met 500 gedichten die iedereen gelezen moet hebben; de canon van de europese poëzie (samengesteld door Ilja Leonard Pfeiffer en Gert jan de Vries; een Meulenhof-uitgave uit 2008, 2009) en Domweg gelukkig, in de Dapperstraat; de bekendste gedichten uit de Nederlandse literatuur (C.J. Aarts en M.C. van Etten; Bert Bakker 1997). Al lezend ben ik tot de volgende voorlopige conclusie gekomen:

– Voor mij moet een gedicht niet te hermetisch zijn terwijl het ook niet meteen plezierdicht hoeft te zijn. Soms vraagt een gedicht om een grote inzet om het te lezen, te herlezen en uiteindelijk te doorgronden. Gek genoeg schrik ik dus niet terug voor Orlando Furioso van ruim 1200 pagina’ s, of Oorlog en Vrede en vaak wel voor een gedicht van één of twee pagina’s waarin ik hopeloos kan verdwalen.

– Dat klinkt wel heel droevig, terwijl ik best gedichten ben tegengekomen die me deden glimlachen, dwongen tot contemplatie of een gevoelige snaar raakten. Gelukkig, ik ben niet helemaal ongevoelig voor het medium.

– Aan echt moderne koek ben ik niet toe gekomen en misschien ook niet toe. Daarom als afsluiter een grafdicht van Francisco de Quevedo (1580-1645):

Hier rust, bezijden Lidius, zijn vrouw
Helvidia. Zij ging als eerste heen,
en dat hij haar postuum voor zich alleen
zou krijgen was een lichtpunt in zijn rouw

Hij wou dat hier in marmer huizen zou
wie in het vlees zovaak uit huis verdween,
en dat haar hondje, als gehouwen steen,
een zinnebeeld zou blijven van haar trouw.

Fideel, zo heet de hond hier neergezet
als knipoog naar het losse huwelijksbed,
ironisch aan hun voeten neergevlijd;

hij blafte niet naar vrijers, wel naar dieven,
wat haar geriefde zonder hem te grieven;
maar trap niet op haar staart, passant: hij bijt.

vertaald door Erik Coenen

De volledige Villon

Wie kent ‘m niet, die Francois Villon, de schuinsmarscheerder en dief uit de vijftiende eeuw (1431- ?)? Natuurlijk waren er al wel uitgaven, maar pas in 1998 is er voor het eerst in het Nederlands een volledige vertaling uitgekomen van het werk van deze dichter. Die heb ik hier dus liggen, geleend van de Amersfoortse Biep. Het is een tweetalig boek met een inleiding, vertaald door Ernst van Altena, jawel, en uitgegeven door Aristos te Rotterdam.

IMG_0935

Nu heb ik niet alles gelezen. Wel genoeg om te kunnen melden dat dit een kostelijk boek is. De gedichten zijn niet simpel maar ook niet heel moeilijk en zeker niet hoogdravend. Het zijn menselijke gedichten met vaak een vrolijke ondertoon. ‘Het klagen van de schone helmenmakersvrouw’ eindigt als volgt:

En zo betreuren wij de tijd;
Wij zitten dat als oude teven
scheef als een sprokkeltakken-mijt,
vlak bij het strovuur nog te beven.
Een stróvuur ja, zo was ons leven:
Eéns heeft het ons veel schoons gegeven!
Acht… zo vergaat het menigeen.

De ‘Ballade van Fortuna’ heeft ook een aardig slot:

Daarom Francois zeg ik nogmaals: wees wijs,
was er geen Goed en ook geen Paradijs,
dan was er voor geen méns een batig slot,
dan gaf ‘k ze tienmaal meer aan ’t kwade prijs!
Wees wijs Villon en accepteer je lot!

Nu blijf ik nog met een vraag zitten. Hoort deze dichtende vrijbuiter bij de late Middeleeuwen zoals in het artikeltje van Wikipedia wordt gezegd, of toch bij de Renaissence?

Ludovico Ariosto – Orlando Furioso

Je hoort over Homerus, over de Aeneas, de Methamorphosen, Dante en Don Quichote, maar veel minder over Orlando Furioso van Ariosto (1474-1533). Zou het minder de moeite zijn misschien? Minder toegankelijk? Saai misschien? Ik heb het dus gelezen en vond het zeer de moeite (ruim 1200 pagina’s) waard, heel toegankelijk en volstrekt niet saai.
Orlando Furioso is een episch gedicht dat iets te maken heeft met Roeland en Karel de Grote. Dat was historisch gezien rond 800 en literair een paar eeuwen daarna. Rond 1500 heeft Ariosto het thema in navolging van een tijdgenoot weer opgepakt en ontstond er een bont ridderverhaal waarin de strijd tussen Karel en de Saracenen of Moren uit Noord-Afrika diende als een soort omlijsting. De strijd vond zoals in de oude Karellegenden niet plaats in het grensgebied tussen Spanje en Frankrijk maar rond Parijs.
Het is een verhaal met een overvloed aan verhaallijnen en personages. Het gaat dus niet de hele tijd over Orlando, wat de titel wel doet vermoeden. In het begin had ik de neiging om wat aantekeningen te maken om het zo allemaal beter te kunnen volgen. Daar ben ik mee gestopt; het werd te veel werk en hielp eigenlijk niet echt. Wat wel hielp was gewoon doorlezen en langzaam aan deze wondere wereld van Ariosto ingetrokken worden.
Het is een wonderlijk boek waarin op lichte toon veel gruwelijkheid voorkomt en waarin de hoofsheid hoog in het vaandel staat. Zeker ook de hoofse liefde. Het wonderlijke zit ‘m in een betoverde helm, een betoverd zwaard, een paard dat kan vliegen, dwarrelende bladeren die in schepen veranderen, helden die op hun ééntje enorme massa’s weten te overwinnen. Daarbij speelt het boek zich in vele uithoeken van Europa af en gaan de reizen door Europa wonderlijk snel. Opmerkelijk daarbij is dat Ariosto heel goed op de hoogte was van de topografie.
En dan de vrouwen. In dit boek zijn de vrouwen de ware helden. Ze zijn niet alleen mooi, maar vaak ook verstandig en sterk bovendien. Stoer. Met een aantal moet je als man geen ruzie krijgen want dat zou helemaal verkeerd af kunnen lopen.
Orlando is een boek van de Renaissence. Het staat bol van de verwijzingen naar Grieken en Romeinen, mythen en geschiedenissen. Tegelijkertijd wordt er af en toe iets gezegd over de eigen tijd in Italië door middel van een soort voorspelling. Het boek speelt immers in een riddertijd. De Christelijke cultuur van Europa wint het van de Islamitische. Dat Christelijke is zoals ik al zei vooral iets cultureels en niet iets dogmatisch. Het is daarbij overigens grappig om te constateren dat de eerste editie van het boek uitkwam toen in Duitsland de Reformatie zo’n beetje van start ging.
Het is een dik boek opgebouwd uit vijf en veertig canto’s. Daarin lijkt het dus op de Goddelijke Comedie, die ook uit canto’s bestaat. Dat is zo ongeveer de enige overeenkomst want Dante vond ik helemaal niet zo toegankelijk en af en toe zelf wel saai en taai. Daarvan is bij
Orlando geen sprake. Zoals bij Ovidiius’ Metarmofosen rol je als lezer van het ene in het volgende verhaal en daarbij komen alle mogelijke emoties aan de orde. Om toch nog wat rust in te bouwen worden de canto ´s netjes afgerond waarbij de schrijver het woord direct tot de lezer richt:

In ’t volgend canto zal ik u verhalen
waarheen hij ging en waarom hij dat deed.
Zodra u mij het sein geeft, als tevoren,
Dat u ’t vervolg van mijn verhaal wilt horen.

Zo eindigt dus canto 34 op blz. 888. Vaak begint een canto wat bespiegelend om vervolgens één van de vele draden van het verhaal weer op te pakken. Zou dit misschien een heel saai boek zijn dat knettergoed vertaald is in het Nederlands? Dat denk ik toch niet, maar het is wel geweldig vertaald. Hoe dichtbij de vertaler, Ike Cialona (Atheneum Polak & van Gennep; 2010), bij het origineel is gebleven kan ik natuurlijk niet nagaan. Wat ik wel kan constateren is dat dit werk met veel plezier en liefde voor de Nederlandse taal is vertaald en dat is ook al een reden om het te lezen.

Anna Achmatova

IMG_0875

De band met Shostakovitsj was niet intens, maar in het boek van Volkov dat ik ooit las werd Achmatova wel genoemd. Ik wist dus van het bestaan van deze dichteres en heb nu haar biografie gelezen: Anna Akhmatova; poet & Prophet door Roberta Reeder  (Allison & Busby, London 1994). Ik had nog nooit een gedicht van haar gelezen, maar was vooral nieuwsgierig omdat ze een tijdgenoot was van Shostakovitsj, Pasternak en Mandelstam. Die laatste twee komen uitgebreid aan bod net als Alexander Blok en Brodsky. Natuurlijk passeren er nog veel en veel meer schrijvers en kunstenaars.

Het is een prachtig boek dat natuurlijk ook een bijzondere kijk biedt op de russische geschiedenis van de afgelopen eeuw tot in de jaren ’60. Het boek begint vóór de eerste wereldoorlog en dus voor de revolutie. Akhmatova wordt beschreven als een mooie jonge vrouw van goede komaf. Als ze net een beetje aan het dichten is krijgt ze een relatie met de dichter Gulmilyov met wie zo ook trouwt. Eigenlijk is het een soort lat- relatie, en dat lijkt ook in haar latere leven de trend te worden.

Het boek gaat grondig in op haar ontwikkelingen op het dichterlijk vlak en de ontvangst van haar werk. Opmerkelijk is het hoe veel er werd voorgelezen en gememoriseerd. Opmerkelijk is ook hoe het leven van Achmatova bestond uit verhuizingen en omzwervingen. Waar heeft ze níet gewoond? Ze kwam uit het huidige Oekraïne, maar Leningrad was haar stad en daar heeft ze ook een deel van de oorlog meegemaakt tot het niet meer kon.

Natuurlijk gaat het boek ook over de Stalinistische terreur van voor en na de oorlog. In tegenstelling tot anderen heeft ze er altijd voor gekozen om in het land te blijven. Vlak na de oorlog is ze een periode uit de gratie geweest – haar zoon Lev is gevangen genomen en verbannen geweest. Na de dood van Stalin in 1953 en het partijcongres een paar jaar later toen Chroetsjov wat afstand nam van Stalin werd het allemaal iets makkelijker.

Op het einde van haar leven is ze aan alle kanten geëerd als een van de grote dichters van Rusland.  Eind goed al goed? Het boek geeft een kijk in de literaire- en artistieke wereld van de Sovjet-Unie en bespreekt ook nog de ontwikkeling van Achmatova als dichter. Het is prima leesbaar, wat zeg ik, het is een mooie studie.

Snikken & Grimlachjes – Piet Paaltjens

IMG_0876

Van de middelbare school herinner ik me iets met een trein. En ja hoor, dat was het:

Slechts ééńmaal heb ik u gezien. Gij waart
gezeten in een sneltrein, die den trein,
waar ik mee reed, passeerde in volle vaart
De kennismaking kon niet korter zijn

Dit is het eerste stukje van het gedicht ‘Aan Rika’ en dat was destijds dus mijn kennismaking met Piet Paaltjens. Daar is het wat betreft mijn kennismaking met Francois Haverschmidt toen bij gebleven. Nu heb ik de hele bundel doorgenomen wat niet meteen een helse klus was en eigenlijk ook heel prettig. Het plezier begint met de proza-inleiding, een soort verhandeling over ene Piet Paaltjens wiens leven in sluieren is gehuld. Dit kostelijke begin is ondertekend met F. H.

De gedichten drijven volgens de achterkant van mijn uitgave (Lijster uit 1998, Wolters Noordhof) de spot met de poëzie uit de 19e eeuw. Inderdaad en daarbij eindigt een heel ernstig poeem vaak met een verrassend slot. Toch lijkt het me meer te zijn dan wat spot. Hier klinkt een oprechte afkeer van de zeden van de tijd. Het is het levendig geschreven. Soms is de taal oubollig – ik denk dat hij er wat dat betreft vaak een extra schepje bovenop deed – en dan is het bijna recht-toe-recht-aan eigentijds. Leuk.

De kortste:

Als ik een bidder zie loopen
dan slaat mij ’t hart zoo blij
dan denk ik, hoe hij ook weldra
uit bidden zal gaan voor mij.

Reinaert de Vos

IMG_0797

Tijdens de periode dat ik allerlei leuke en interessante dingen uit de Middeleeuwen las ben ik nooit aan de vos Reinaerde toegekomen. Ik had een zeer onaantrekkelijk beduimeld exemplaar wat ook niet stimulerend was. Bovendien was het een editie in Middel Nederlands met verklarende noten. Dan wordt zoiets echt een exercitie. Vorige week kwam ik de hertaling door Ernst van Altena tegen die in 2014 bij Lalito is uitgegeven.

Reinaert is een episch gedicht, een Vlaamse variant op de Franse Renard. Geen vertaling dus maar een eigen opzet in de traditie van Renard. Eigenlijk zoals dat met de Arthurtraditie of de Kareltraditie ook gebeurde.

Het gaat over het koninkrijk van koning Nobel dat wordt geteisterd door de streken van de slimme vos en zo corrupt blijkt als wat. Voor geld en lekkernijen laat iedereen tot de koning aan toe zich vlijen en ompraten. Reinaert gaat vrijuit en lacht zich kapot. Op deze manier is het leuk om te lezen, het is geinig hertaald en de moeite waard om zo kennis te nemen van een verhaal waar zo vaak naar wordt verwezen.

Zo ’n episch gedicht is wel wezenlijk wat anders dan een sonnet. Het is meer een verhaal terwijl een sonnet of een ander kort gedicht vaak een samenballing is van een gedachte of een emotie. Dat maakt een gedicht naar mijn idee ook tot wezenlijk iets anders dan Reinaert of welk andere middeleeuws werk ook. Ik geloof dat ik vooralsnog meer een antenne heb voor dit werk dat meer lijkt op een roman dan voor de hard-core poëzie…