Alain de Botton – Hoe Proust je leven kan veranderen

Dit boek heb ik met horten en stoten gelezen terwijl ik bezig ben ‘al la recherge’ te lezen. Het gaat om bespiegelingen die misschien ook wel naar aanleiding van heel andere romans naar voren gebracht hadden kunnen worden. Het boek heeft een wat babbelend karakter, maar al babbelend kom ik toch leuke dingen aan de weet over Proust. Het is zeker ook een grappig boek. Zo citeert de schrijver de broer van Proust, Robert: Het vervelende is dat mensen heel erg ziek moeten zijn of een been moeten breken om tijd te hebben voor “De verloren tijd”. En zo is het maar net.

Wat ik het meest indrukwekkend vond is dat Botton erop wijst hoe zorgvuldig Proust formuleert. Dat had ik natuurlijk al ondervonden. Het gaat erom dat hij moeite doet om gebruikelijke zegswijzen te voorkomen. Bij Proust zal het nooit pijpenstelen regenen. Hij zal iets nieuws verzinnen om duidelijk te maken dat het heel hard regent. Dat vind ik nu inspirerend.

Advertenties

Proust – a la recherche du temps perdu

Ja heus, ik ben eindelijk aan Proust begonnen en zal daarvan, voor zover het de ‘recherche’ betreft, op deze plek verslag doen. Natuurlijk doe ik geen poging om deze megaroman in het Frans te lezen. Het vergde al heel wat concentratie om het eerste deel, de kant van Swann, in het Nederlands te lezen en bovendien; zo goed is mijn Frans niet.
De vertaling die ik heb gelezen is die uit 2002 uitgegeven door de Bezige Bij. Het eerste deel heet Combray en is vertaald door C.N. Lijsen. De familie van de jonge ik- persoon verblijft de zomer in Combray met een oma, een oud-tante, en zo nog meer mensen. In dit deel gaat het over een aantal van deze familieleden, de omgeving en zijdelings wordt de buurman, Swann, enkele malen genoemd.
Het tweede deel, Een liefde van Swann, speelt zich af in Parijs waar Swann wordt omschreven als iemand die graag achter vrouwen aanzit. Hij is slim en bemiddeld en verkeert in goede tot zeer gegoede kringen. Daar gaat het deel ook erg over. Zo leert hij Odette kennen, een prachtige vrouw, ze is misschien niet meer zo mooi als ze ooit was, en dan beschrijft Proust de moeizame relatie die hij met haar heeft en hoe hij gaande weg ontdekt dat ze met Jan en alleman verhoudingen heeft en heeft gehad. Minutieus wordt de ontwikkeling van het denken van Swann hierover beschreven. En dat is meteen het opmerkelijk van het boek tot nu toe. De zorgvuldigheid en aandacht waarmee de kleinste zaken en zielenroerselen worden beschreven. Dit deel is vertaald door M.E. Veenis-Pieters.
Het korte deel drie – plaatsnamen: de naam – beschrijft de ik-persoon – een kind nog – in Parijs terwijl hij verliefd is op de dochter van Swann en…jawel, Odette, Gilberte. Dit deel is vertaald door Thérèse Cornips.

En hiermee is alleen wat gezegd over de buitenkant van de roman. Niets bijzonders en weinig aantrekkelijks. het aardige zit aan de binnenkant, de bespiegelingen, de enorme zinnen vol bijzinnen, de referenties naar kunst, literatuur en muziek.

Het tweede deel van de roman heeft de titel In de schaduw van de bloeiende meisjes meegekregen. Daarmee is een belangrijk deel van de lading gedekt. De verteller is als jongeling wonend in Parijs verliefd op Gilberte, de dochter van Swann en Odette, die ondertussen lang en breed getrouwd blijken te zijn en dus een dochter hebben. Gaandeweg komt hij, de verteller dus, bij de Swanns thuis, maar van een echte relatie of bestendige vriendschap komt het niet.

En dan gaan we de zomer doorbrengen in Balbec, een plaats aan de kust. De verteller gaat er heen met grootmoeder en Francoise, een soort kamermeisje die al lang geen meisje meer is. Ze zijn gelogeerd in een hotel en de roman gaat verder over het leven daar, de ontmoetingen en vooral de contacten met een club vriendinnen, ook afkomstig uit Parijs, waarvan er ééntje in het bijzonder de aandacht trekt: Albertine. Als het seizoen voorbij is, is dit deel zo ’n beetje uit.

De roman is niet alleen boordevol nuances en subtiliteiten. Het barst ook van de bespiegelingen. Een voorbeeld: Een sterke gedachte brengt ook op degeen die een andere mening heeft, iets van haar kracht over. Daar zij een deel van de universele waarde van de geest is, voegt zij zich, ent zij zich, in de geest van degene die haar weerlegt, tussen aanverwante ideeën, met behulp waarvan hij die gedachte, door het goede in het argument van de tegenstander over te nemen, aanvult of verbetert, zodat de einduitspraak in zekere zin het werk van beide discutanten is (144).  Zo gaat het op blz. 162 over uitstellen, op 195 over de elastisch lijkende tijd, op 324 over eenzaam geluk, op 494 over de ouder wordende vrouw, en dan heb ik alleen genoemd wat me in het bijzonder opviel.

Overigens heb ik opnieuw een deel uit deze serie van de Bezige Bij gelezen waarvan  de delen een, Rondom Mme Swann en twee, Plaatsnamen: de plaats, zijn vertaald door Lijsen. Deel drie, Plaatsnamen: de plaats (vervolg) is vertaald door Thérèse Cornips.

Het hierop volgende boek heet ‘De kant van Guermantes’, een titel die verwijst naar de kanten die men in Comray op kon gaan. Het hele boek cirkelt rond de fascinatie van de verteller voor la Duchesse de Guermantes. Het boek begint met Het ochtendlijk vogelgekwetter klonk Francoise saai in de oren; van ieder geluid van de ‘meiden’ schrok ze op; gestoord door hun voetstappen, vroeg ze zich af wat ze uitvoerden; wij waren namelijk verhuisd.
Wat blijkt, ze zijn verhuisd naar een huis dat hoort bij het grote huis van de Guermantes in Parijs en zo zijn ze een soort van buren geworden. De verteller wil dolgraag in contact komen met Mmw de Guermantes en dat valt niet mee. Hij haalt contacten aan met zijn vriend uit Balbec, Robert Saint-Loup, die een neef blijkt te zijn van Guermantes. Zo verblijft hij in het stadje waar Robert in dienst is, maakt hij zijn maitresse mee en belandt hij uiteindelijk op een ontvanst bij M. en Mme de Guemantes. En dan gaat het eindeloos over nuances in adel, over geslachten en verbanden. Opnieuw en uiteraard heel zorgvuldig en precies verwoord.
Ook in dit deel is het boek doorspekt met herkenbare gedachten die met veel omhaal van woorden nauwkeurig worden uiteengezet. Zo is er de bespiegeling over de onkenbaarheid van de medemens die eindigt met En zo was zij degeen die me als eerste deed inzien dat, anders dan ik had gedacht, iemand niet duidelijk en bewegingloos met zijn kwaliteiten, zijn gebreken, zijn plannen en zijn bedoelingen jegens jouw persoon tegenover je staat (als een tuin waar je, met al zijn perken, door een hek naar kijkt), maar een schim is die je niet kunt doorgronden, waarover geen rechtstreekse kennis voorhanden is, waarvan je velerlei voor vaststaand aanneemt op grond van woorden en zelfs van daden, die je allemaal maar een onvolledige en trouwens tegenstrijdige informatie geven, een schim waarvan je je om beurten, met even grote waarschijnlijkheid, kunt verbeelden dat er haat en liefde van uitstralen.
Overigens speelt in dit deel van de roman de Dreyfuss-affaire op de achtergrond mee. Zo wordt er een beeld geschetst over hoe subtiel de mening hierover meespeelde in de samenleving.

Sodom en Gomorra heb ik weer gelezen in de vertaling van Thérèse Cornips. De roman gaat verder zoals de vorige delen vanuit het perspectief van de, wat ik maar noem de alwetende ik-persoon. De titel verwijst naar homosexuele betrekkingen, in de eerste plaats die van M. de Charlus. De verteller komt daar bij toeval achter. In het eerste gedeelte van het boek blijkt de verteller bij de Guermantes te komen, hij is onderhand een paar jaar ouder. M. de Charlus is familie en is daar ook vaak aanwezig.
Verderop in de roman gaat de verteller opnieuw met zijn moeder en huishouding naar Balbec, een omgeving waar de chic uit Parijs is neergestreken en waar alle bespiegelingen en gedoe dus worden voortgezet. Mme. Verdurin heeft er een buiten gehuurd en ontvangt op woensdagen en vaste kliek waar ze heel bezitterig over doet. Die club komt dan met een boemeltje en die reizen geven ook weer aanleiding tot vele ontmoetingen en overwegingen.

Onderhand heeft de verteller een soort relatie met Albertine; hij vertelt dat het zijn nichtje is en neemt haar mee naar ontvangsten. Tegelijkertijd wordt hij vreselijk jaloers tijdens een ontmoeting met een vriend. En te meer als hij gaat vermoeden dat ze lesbische voorkeuren heeft. Het levert grote verwarring op, hij besluit met haar te breken. Maar dan, in gesprek met zijn moeder volgt de laatste zin van het boek: ‘Ik moet en zal, en laten wij het meteen beslissen, want het is nu goed tot me doorgedrongen, ik kom er niet meer op terug, en ik zou anders niet kunnen leven, ik moet en zal trouwen met Albertine.’

Een meesterlijk pagina is 261 waarin een kluchtige observatie wordt gedaan die ik niet helemaal uit de doeken doe. Ik beperk met tot het volgende: ‘Een precies eendere tomaat diende zijn tweelingbroer tot hoofd. Voor de belangeloze toeschouwer zit er in de die volmaakte gelijkenis van een tweeling dit nogal mooie dat het is of de natuur, als was zij voor een moment aan het industrialiseren, eendere producten aflevert’. Dat is nu een typische Proustzin. Hij maakt een vergelijking die er nog niet was en dat gebeurt dus heel regelmatig en vaak op zo’n wijze dat er een andere wereld wordt geopend. Wie dit vervelend vindt gaat het niet redden tot en met deel 4, wie hier aardigheid in heeft gaat verder met het volgende deel: ‘De gevangene’.

De gevangene heb ik opnieuw gelezen in de vertaling van Thérèse Cornips. Het is een boek van 430 dicht bedrukte pagina ’s en dat is een hoop tekst voor weinig actie. De verteller woont terwijl zijn ouders in het buitenland zitten zoals tot nu toe gewoonlijk in hun appartement maar Albertine heeft er ook een kamer en zo hebben ze een soort relatie die van voor tot achter wordt besproken. Van de verteller uit gezien is de relatie doordesemd met gevoelens van angst en jaloezie waardoor je als lezer de haren uit je hoofd wil trekken van ergernis en moet terugdenken aan de relatie die Swann had met Odette. Op zeker moment, en dat had ook weer te maken met het jaloerse detectivegedrag van de verteller, is deze weer eens op de avond van de Verdurins waar het ook weer gaat over die M. de Charlus – op zijn manier ook jaloers – en de Verdurins zelf die alles bij elkaar liegen om M. de Charlus en zijn beschermeling in een kwaad daglicht te stellen en tegen elkaar uit te spelen. Het boek eindigt na al het gekonkel en gedoe heel strak: Op een ochtend besluit de verteller – overmand door het idee Venetië te bezoeken – Albertine dan eindelijk te verlaten. En wat blijkt? (Francoise:) Ze wou niet (wachten), ze heeft me deze brief voor Monsieur gegeven, en om negen uur is ze vertrokken. De titel is duidelijk. Albertine lijkt de gevangene van de verteller. Zelf is hij de gevangene van zijn jaloezie.

Het zesde deel van de roman heeft als titel ‘de voortvluchtige‘ meegekregen. Daar valt van alles bij te verzinnen. Ik denk dat het mogelijk wijst op het vluchten voor het verdriet. Het boek begint met het verdriet van Abertines’ vertrek, maar al gauw komt het bericht dat ze tijdens het paardrijden is gevallen en verongelukt. Een belangrijk deel van het boek beschrijft alle zielenroerselen van rouw en het herinneren neemt hierbij een grote plaats in. (84) Want, ook al zijn onze herinneringen dan van ons, ze zijn het op de manier van die landgoederen die verborgen poortjes hebben waar wijzelf vaak niet van weten en die iemand uit de buurt voor ons openmaakt, zodat wij van een kant althans waar het ons niet eerder was gebeurd blijken thuis te komen. Dat is de manier waarop Proust steeds weer tot verdiepende uitweidingen komt.

De verteller is ook nog lang bezig met het achterhalen van Abertine’s werkelijke bedoelingen en geaardheid. Hij kijkt terug op ontmoetingen, herinnert zich gesprekken,maar moet ook herzien. Opeens voelde ik in mijn brein een gegeven dat er als herinnering was opgeslagen zijn plaats ontruimen en afstaan aan een ander feit(258). Een opmerkelijk korte zin die weergeeft waar een deel van dit deel over gaat. Mensen moeten vaak meningen herzien, erkennen dat ze de ander niet goed door hadden.
De verteller gaat met zijn moeder naar Venetië en ontvangt daar een bericht van Albertine. Maar die was toch dood? Hij moet concluderen dat de telegrafist niet goed heeft gelezen. Het bericht kwam van Gilberte. Ze zou gaan trouwen met St. Loupe die belangstelling houdt voor mannen. Het boek eindigt met de goede band die Gilberte en de verteller opbouwen zonder dat er van een liefdesrelatie sprake is.

En nu is er iets geks gebeurd. Ik heb nu na deel vier deel zeven – De tijd hervonden – gelezen terwijl ik aanvankelijk dacht dat ik deel vijf las. Het bijzondere was bovendien dat ik het opmerkelijk laat doorkreeg. Ondertussen heb ik besloten dat dit deze leeservaring te meer uniek maakt.

Wat me al snel opviel is dat het nog maar weinig over Dreyfus gaat en veel meer over WOI, die op z’n einde loopt. Het dreyfusisme was nu in een serie respectabele en gebruikelijke zaken opgenomen. De vraag wat het op zichzelf te betekenen had kwam bij niemand op, net zo min om er nu mee in te stemmen als destijds om het te veroordelen.
(p.42). Albertine is ondertussen overleden en Saint-Loupe sneuvelt in dit deel. M. de Charlus onderhoudt een soort homohuis zodat hij zelf verzekerd kan zijn van zijn bevrediging. En dan is er opnieuw een ontvangst waar bijna de hele kliek van voor de oorlog present is. De verteller wordt in de bibliotheek ontvangen en een madelaine brengt zijn denken op hol; hij is gefascineerd door wat er ineens allemaal uit het geheugen kan opduiken. De hele ontvangst gaat voor hem over herinneren en verouderen. Zo keren flarden uit eerdere delen terug. Uiteindelijk besluit de verteller om uit al deze herinneringen te putten voor het schrijven van een boek. En verder is het bespiegelen, waarnemen, wegen…