Michael Wood – In de sporen van Shakespeare

Een boek uit 2003, oorspronkelijk gepubliceerd door de BBC. Een lekker leesbare biografie van Shakespeare. Het aardige is dat het boek net als die van Bryson en Shapiro de tijd tot leven brengt. Een tijd waarin Engeland definitief protestans werd, een tijd van terugkerende pestepidemiën en een tijd waarin Londen een geweldige groei meemaakte net als het toneel.

Terwijl de in de Lage Landen de opstand tegen de Spanjaarden gaande was schreef Shakespeare het ene na het andere toneelstuk. Er moest gewoon productie geleverd worden voor het eigen gezelschap waar hij v.aak ook in meespeelde. Shakespeare liet zich inspireren door de Engelse geschiedenis (Monmoth), maar ook door vertalingen van Ovidius, Plutarchus, en Vergilius. Daarnaast las hij ook Cervantes en Montaigne en natuurlijk de Bijbel die in zijn tijd een waardige Engelse vertaling kreeg, de King James Version. Naast deze bronnen was hij rondhangend in herbergen en pubs heel gevoelig voor wat er speelde in de samenleving.

Het boek voorziet de belangrijkste stukken van een context. Het effect: Ik krijg zin om meer stukken te lezen of te zien en om meer te lezen over die context. Natuurlijk wil ik ook weer gaan kijken naar die andere klassieke schrijvers. Het moet natuurlijk leuk zijn om die met een Shakespeare-bril te lezen….

Advertenties

Erasmus – Lof der Zotheid

De zotheid is aan het woord en toont aan hoeveel er niet tot stand komt op deze wereld door haar inbreng. Dat gebeurt op een vrolijke toon en met aanhalingen naar tal van klassieken. Gaandeweg wordt de toon wat minder jolig en worden tal van mensen (geleerden, filosofen, theologen, monniken) op de hak genomen evenals de bijbehorende instituten. Een pleidooi voor zotheid dus, maar aan de andere kant en gevoed door een goede dosis ironie ook een aanklacht tegen de dwaasheid van deze lieden en instellingen. Erasmus hoorde overigens tot al de genoemde categorieën en had er geen moeite mee om ook met zichzelf de spot te drijven. Overigens wordt de toon in het laatste deel wat meer theologisch  en zou dat voor sommigen een reden kunnen zijn om daar dan maar af te haken. Dat lijkt me helemaal geen probleem want ben je eenmaal daar beland, en zo’n klus is dat niet, dan heb je al ten volle kunnen genieten van de geestigheid en eruditie van deze man.

Voor ons is dit nu de bekendste titel van Erasmus. Ook toegankelijk zijn de brieven die worden uitgegeven door Ad Donker (12 delen!) en de colloquiums waarvan ik alleen de Engelstalige versie van Thompson heb. Dit zijn dialogen, kleine toneelstukjes geschreven voor het onderricht in het latijn. Daarnaast zijn het koddige en soms scherpe dialogen waar niet iedereen blij mee was. Hij is er steeds aan blijven werken en zo is het geheel flink uitgedijd. Je zou bijna vergeten dat Erasmus toch gewoon een soort theoloog was.

Overigens las ik de vertaling van Harm-Jan van Dam, uitgegeven door Atheneum – Polak & van Gennep uit 2001

Johan Huizinga – Erasmus (1469-1536)

IMG_1261

De editie die ik gelezen heb was de tweede druk uit 1925 uitgegeven door Tjeenk Willink te Haarlem. De laatste twee pagina’s van het register zijn nooit  opengesneden. Zo’n boek dus met uiteraard de bijbehorende spelling. En toch vond ik het een prachtig en goed leesbaar boek.

Een biografie dus over Erasmus. Over zijn opgroeien in de regio Rotterdam-Gouda, schoolgang in Deventer en Den Bosch en de intrede in het klooster van Steyn waarnaar het parkje genoemd is dat eind jaren ’80 is aangelegd aan de Oostkant van de nieuwbouw van Gouda: Het Steynse Groen. Dat moet er even in omdat ik het parkje heb zien opgroeien. Ik heb er illegaal een berk aan toegevoegd, maar dat allemaal terzijde.

Erasmus had helemaal geen zin in dat kloostergedoe; hij wilde studeren en schrijven. Zo kreeg hij toestemming om naar Parijs te gaan maar was hij nog jaren lang formeel verbonden aan Steyn en afhankelijk van beschermheren en vrouwen; mecenassen. Die laatste term bestond misschien nog niet in deze context, maar het moet Erasmus deugd hebben gedaan dat-ie in het Nederlands is ingeburgerd. Erasmus was enorm fan van het Latijn, publiceerde in die taal en ging zich gaandeweg ook in het Grieks verdiepen. Een echte man van ‘ad fontes’, zou je kunnen zeggen en iemand die gebruik maakte van moderne technieken. Gaandeweg was hij kind aan huis bij een heel aantal drukkerijen, uiteindelijk het meest bij Froben in Bazal.

Het was een veelbelovende tijd vond Erasmus aan het begin van de 16e eeuw, maar het bleek een moeilijke tijd te worden. Erasmus was fel tegen de kerk waar het ging om macht en pracht. Hij was bezig met Hiëronymus (Jeromius) en een nieuwe Griekse editie van het NT. Stond hij daarmee aan de kant van de Reformatie die vanaf 1517 onder stoom kwam? Van alle kanten werd er druk op hem uitgeoefend om te kiezen, maar hij wilde en kon niet kiezen. Erasmus wilde studerend en schrijvend zijn bijdrage leveren en vooral verder met rust gelaten worden.

Ondertussen was Erasmus een rondtrekkende beroemdheid geworden. In Engeland, waar hij een aantal keer verbleef was hij bevriend met Colet en Thomas More, in Duitsland werd hij  met alle egards ontvangen. Hij is in Italië geweest maar vond dat niet zo aantrekkelijk. Verder was hij vaak in Parijs en Leuven. De laatste stad werd hem te conservatief en zo kwam hij naar Bazel waar dus ook die drukkerij van Froben gevestigd was. Maar ja, tegen het einde van zijn leven kwam de onrust van de reformatie ook naar Bazel en is hij naar Freiburg vertrokken. Overigens hadden de verplaatsingen niet alleen te maken met zijn werk maar ook met de angst voor de pest.

Erasmus heeft als een malle gepubliceerd. Theologische werken, het genoemde NT, de Adagia (spreekwoorden met meestal op de klassieke oudheid gebaseerd commentaar), de Colloquiums (Conversaties met als doel Latijn te leren, maar eigenlijk korte scenes met grappige of kritische observaties), een enorme collectie brieven waar Huizinga rijkelijk uit heeft geput (de uitgaven van P.S. Allen) en natuurlijk de ‘Lof der Zotheid’. De meerderheid van deze werken was werk in uitvoering. Er werden steeds nieuwe en uitgebreidere edities uitgebracht, soms buiten zijn weten om. Ondertussen is het zo dat het minder serieuze en misschien wel persoonlijker werk nog gelezen wordt en leuk is voor ons nu: Adagia, Colloquiums, Lof en misschien ook de brieven. De rest is misschien heel fijn voor de ware Erasmusvorsers maar niet per-se voor normale burgers.

Erasmus was ergens een tragische figuur. Hij heeft enorm moeten werken en leuren voor hij een beetje financieel zelfstandig was. En dan riep zijn tijd om een stellingname voor of tegen de reformatie wat hij niet wilde. Dat hing samen met zijn aanpak en kijk. Altijd was er wel een nuance te vinden, altijd kon je iets ook nog van een andere kant zien. Erasmus wilde tolerantie, begrip, vrede en vooral ook rust, rust  om te kunnen studeren. Je kunt hem laf noemen, maar het valt ook wel weer te prijzen dat hij heeft vastgehouden aan deze keus.

Ondertussen valt er in het Nederlands heel wat te lezen van Erasmus. Bij Atheneum- Polak& van Gennep is er het verzameld werk uitgekomen (al klaar?) en Ad. Donker heeft zich op de brieven gestort, een enorm project. Overigens zie ik nu dat bij deze zelfde uitgever het boek van Huizinga in 2001 de 10e druk heeft beleefd. Met recht.

Karl Mittermaier – Niccolò Machiavelli; denker en cynicus

Inderdaad, een biografie. Het leven van Machiavelli was nauw verweven met het politieke leven in Florence en Italië als groter gebied en zo komen de politieke ontwikkelingen vanaf het einde van de 15e eeuw tot 1527, het sterfjaar van Machiavelli, grondig aan de orde. Dat maakt het boek er niet makkelijker op want het was een ingewikkeld gebeuren destijds. Je had een aantal stadstaatjes zoals Florence, Pisa, Venetië en Milaan. Dan had je de Paus, in die tijd vaak meer wereldlijk vorst dan iets anders, en vervolgens had je Frankrijk aan de ene kant en Duitsland/Spanje aan de andere. En waren daar nog de Borgia’s en de De Medici’s.

Tijdens de eerste helft van zijn werkzame leven had Machiavelli een functie als diplomaat en raadgever. Dat bood hem de gelegenheid om overal zijn ogen de kost te geven en zich een idee te vormen over de politiek, het uitoefenen van macht, de organisatie van legers en zo meer. Daarnaast zat hij graag met zijn neus in de boeken om in de klassieke oudheid voorbeelden te vinden van verstandige politieke besluiten.

Toen de politieke constellatie in Florence veranderden was Machiavelli zijn baan kwijt en trok hij zich noodgedwongen terug op het landgoed van de familie. Nu had hij alle tijd om wat op papier te zetten. Il Principe is het bekendst gebleven, maar als ik Mittermaier moet geloven zijn de Dioscuri, een werk over de republiek, minstens zo interessant. In opdracht schreef hij ook nog een geschiedenis van Florence en daarnaast blijspelen, gedichten  en natuurlijk heel veel brieven. Machiavelli is dus meer dan Il Principe. Hij was sowieso een vernieuwer in de zin dat hij het politieke denken los maakte van de kerk. Waar in de middeleeuwen het vertrouwen de basis was voor de samenleving ging hij eerder uit van de tot slechtheid geneigde mens en het streven om voor de staat – in zijn geval natuurlijk Florence – het beste te bereiken. En inderdaad, om dat doel te bereiken kon de heerser – als het niet anders kon – gebruik maken van alle denkbare methoden. Overigens was het de goede heerser die dat gepast wist te doen zonder bekend te staan als wrede dictator want daar moest hij ook weer niets van hebben. Tijdens zijn sterfjaar hebben de Duitsers geweldig huisgehouden in Italië, Rome is voor het eerst sinds de teloorgang van het Romeinse rijk weer radicaal geschonden; het moet een wreed gebeuren zijn geweest. Opnieuw veranderde de politieke omstandigheden en Machiavelli keerde terug naar de stad om er dus te sterven op 21 juni 1527.

Mittelmaier presenteert Machiavelli als een politiek denker, misschien wel de uitvinder van het politieke denken, die zich baseert op Aristoteles, geschiedenissen uit de klassieke tijd en de zeer recente geschiedenis. De vertaling van dit boek (Tirion 1992, Baarn) door C.W. van de Wal vond ik niet altijd meevallen. Is dit een Vlaming? Ik kwam Vlaams aandoende constructies tegen maar niet de Vlaamse soepelheid in de taal die juist zo aangenaam kan zijn.

Machiavelli – De Vorst (Il Principe)

Misschien we de eerste moderne  verhandeling over politiek, over de vraag hoe je de zaken als heerser nou het beste kan aanpakken. Het werkje is overigens gericht aan Lorenzo de Medici zoals blijkt uit inleiding en nawoord.

Machiavelli gaat een hele reeks onderwerpen af die hem belangrijk leken voor het verkrijgen en vooral handhaven van de staatsmacht. Is het handig gebruik te maken van hulp- of huurtroepen (niet doen, daar komt ellende van)? Hoe bezet je een ander land (Eiigen mensen er laten wonen)? Zo komt er een hele lijst aan betrekkelijk praktische onderwerpen voorbij die soms nog behoorlijk actueel lijken. Bij Machiavelli denken we al gauw aan een nietsontzienende wreedheid. Dat lijkt me niet terecht. Ik krijg wel de indruk dat hier een realist, overtuigd van de slechtheid van mensen, aan het woord is die op zijn doel afgaat. Is het van belang om het volk te vriend te houden? Dan moet je dat vooral doen. Dient het een hoger belang om mensen uit de weg te ruimen? Dan moet je dat vooral doen. Per onderwerp geeft Machiavelli niet alleen zijn adviezen maar staaft hij die met voorbeelden uit de klassieke oudheid en de recente geschiedenis (15e, begin 16e eeuw) van de Italiaanse koninkrijkjes. Dat maakt het interessant en ergens ook overtuigender. Verder kijkend door de geschiedenis heen zou hij nog heel veel voorbeelden van zijn gelijk kunnen vinden. Ik vind dat eigenlijk wel schokkend.

Overigens  las ik de vertaling van J.F. Otten die er ook een ruime inleiding bij deed. Die vertaling is naar mijn idee niet perfect maar prima leesbaar. Dat zit ‘m denk ik niet per sé in de vertaling maar in het feit dat Machiavelli in zijn tijd al leesbaar heeft geschreven. Het is uitgegeven door J.H. Bussy te Amsterdam (1983).

Giovanni Boccaccio – Decamerone

Een monument in de literatuur van de 14e eeuw, zo doet men mij geloven. Het vergt even inlevingsvermogen om dit meteen na te kunnen zeggen. Ik bedoel, als lezer moet ik ook naar die tijd van ontluikend humanisme. Petrarca en Dante hadden hun werk al afgeleverd, maar als je verder terug kijkt kom je middeleeuwse verhalen tegen. Chrétien de Troyes of het Nibelungenlied. Als ik die Middeleeuwse avonturen vergelijk met de Decamerone dan is duidelijk dat dit heel wat anders is.

De Decamerone is een raamvertelling. Tijdens de pestepedemie van rond 1348 vlucht een jong gezelschap de stad Florence uit om overigens voorzien van alle gemak te wachten tot de ergste ellende over is. Het gezelschap bestaat uit zeven vrouwen en drie mannen, de bloem van de Florence jeugd zou je kunnen zeggen. Om te tijd wat te verdrijven ontstaat het plan om elke dag ieman koning of koningin te maken. Deze persoon bepaalt het programma én het thema van wat ze dus elke dag doen: elkaar verhalen vertellen. Het boek bestaat dus uit tien keer tien verhalen, goed voor tien dagen. Het doet dus denken aan de Metarmophosen en aan Duizend-en-één-nacht. Het doet ook denken aan de Canterbury tales, maar die bestonden toen nog niet. Dat scheelde overigens niet veel en ik geloof zelfs dat Chaucer de eerste Decamerone vertaler naar het (oud) Engels was. Overigens vond ik Chaucer meer geslaagd.

Ik begrijp dus dat Boccaccio iets nieuws deed, een project voltooide dat er nog niet was, maar als lezer uit de 21e eeuw wordt het soms toch wat veel van hetzelfde. De verhalen zijn speels en levendig, ze getuigen erg van mensenkennis. Eigenlijk gaan ze in grote meerderheid over mannen die verliefd worden op vrouwen, andersom, gewenst of ongewenst en wat dat allemaal te weeg brengt. Boccaccio heeft zijn fantasie op dit vlak alle ruimte gegeven en zo kom je als lezer in de meest zonderlinge verwikkelingen terecht. Soms zjn die situaties zo raar dat een hoofdpersoon ook aan het twijfelen slaat en dat beschrijft Boccaccio wel heel fraai. Als je de verhalen achter elkaar doorleest dan wordt het niet meteen echt saai maar ik krijg wel het gevoel dat de verhalen wat door elkaar gaan lopen en er is minder afwisseling dan bij Chaucer die misschien wel door Boccaccio op het idee van zo’n verhalenvertellende raamconstructie was gekomen. Overigens ben ik na de proloog gewoon achter elkaar gaan doorlezen. Wat misschien ook een aardige aanpak zou kunnen zijn is om per dag een of een paar verhalen te lezen en het zo wat rustiger aan te pakken.

Marsilio Ficino – Brieven

IMG_0967

Dit boek heb ik ooit verworven op min of meer irrationele gronden. Het is een mooi uitgegeven boek en ik had nooit van Ficino gehoord. Het is een vertaling van een selectie uit een Engelse vertaling. De uitgave is in 1993 uitgegeven door de Rozekruispers; het copyright is van Stichting Ars Floreat uit Amsterdam.

Het gaat dus om brieven van deze Renaissanceman uit de 15e eeuw die kind aan huis was bij de Medici en bekend stond om zijn Plato- en neoplatoonse kennis. De brieven gaan vaak over Plato- onderwerpen zoals de onsterfelijkheid van de ziel en het belang van de ziel boven het lichaam. Vaak gaat het ook om iets praktischer adviezen als het zorgvulidig omgaan met tijd en vriendschappen. Soms klinkt de tegenwoordige esoterie- mode mee: Leef in het nu!

Mij ging het niet om de esoterie of de neoplatoonse bespiegelingen maar om een kennismaking met een man die in zijn tijd invloedrijk geweest is in Florence en later ook daarbuiten. Het zijn goed leesbare brieven geschreven door een man die graag elke gelegenheid aangrijpt om wat verstandigs te zeggen en daarvoor dus graag teruggrijpt naar Plato en andere grote namen uit de klassieke tijd.