M. Swaertreger – WA Man

img_0393

Van deze novelle van Theun de Vries heb ik een exemplaar waarvan achterin staat: WA- MAN, Novelle door M. Swaertreger, werd in 1944 in het verborgene gedrukt voor de Uitgeverij DE DOEZENDE DAR.
De nog degelijk aan elkaar zittende katernen zijn los gekomen van het kaftje, maar dat heeft me niet belet om het te lezen.
De novelle gaat over Frans Dijkgraaf, zoon van een armoedig kruideniersgezin aan de rand van de jordaan te Amsterdam. In de jaren voor de oorlog is hij scholier. Na een opstand in de jordaan krijgt hij een hekel aan joden en armen. Via via komt hij in contact met een soort NSB -ers en al snel groeit hij er in en gaat hij trainen om bij de WA te gaan. Het staat er bol van de fascistische retoriek. Door opmerkingen van een van de anderen gaat hij twijfelen zonder de beweging te verlaten.
Dan breekt de oorlog uit en moet hij mee om acties te ondernemen. Eigenlijk wil hij dat niet meer. Het boekje eindigt met dat hij weer terugkeert bij zijn ouders die ondertussen behoorlijk afstand van hem hadden genomen.

Dit is echt een prachtig boekje waarin niet heel veel spannends gebeurt; we volgen de zieleroerselen richting het nazisme en er vanaf.

Dan ruim vijf jaar later een toevoeging afkomstig uit de biografie van van Galen (Aspekt, 2011): ‘Toen die [Lubberhuizen] hem er op attent maakte dat er geen schrijversnaam op stond bedacht de Vries ter plekke de passende schuilnaam M. Swaertveger, een middeleeuwse benaming voor wapensmid...WA man verscheen die zomer als gevolg van een zetfout met de betekenisloze naam Swaertreger (473-474).’ En dan verderop op p.474: ‘Lubberhuizen heeft voor de uitgave van WA- man niet de uitgeversnaam De Bezige Bij gebruikt, maar de eenmalige variant De Doezende Dar‘. Lubberhuizen was in het uitgeverswerk gekomen door de publicatie van geschriften om geld in te zamelen voor de illigale opvang van Joodse kinderen en wilde na de oorlog De Bezige Bij als coöperatieve uitgevrij echt van start laten gaan.

Theun de Vries – De ontsnapping

‘De ontsnapping verscheen oorspronkelijk als laatste verhaal van de bundel kampverhalen doodskoppen en kaalkoppen (1966). De afzonderlijke uitgave, twintig jaar later, wordt hierbij opgedragen aan mijn oude kampvriend Gerard Th. Vlas, voor wie Bram Valentijn geen onbekende is. Theun de Vries.’
Dit citaat staat voorin het boekje uit 1987 uitgegeven door Uitgeverij Vriendenlust Nijmegen.
Het is een verhaal van 96 pagina’s over de nog jonge Bram Valentijn die tijdens de oorlog na al een keer als betrokkene bij een bonnenkraak te zijn gepakt opnieuw is gepakt en in kamp Amersfoort terechtkomt. Het verhaal beschrijft het kampleven en de voorbereiding en uitvoering van een ontsnapping. De oorlog loopt onderhand op z’n eind en de wraak en vergelding die zullen volgen hangen al in de lucht.
Het verhaal eindigt met de gedachten van de pas ontsnapte Bram; hij stelt zich voor hoe de Nederlander in dienst van de Waffen-SS die hem in Den Haag had verhoord en vernederd door hem wordt doodgeschoten.

Theun de Vries – De wilde vrouwen van Pella

In deze roman uit 1999 volgen we de ik-persoon, Euripides, de oude tragedieschrijver die tijdens de oorlog tussen Sparta en Athene uit Athene is vertrokken om zich op uitnodiging van de plaatselijke koning in het Macedonische Pella te vestigen.
Hij woont daar heel eenvoudig met een slavin die voor hem zorgt. Als de plaatselijke dionysus-feesten plaatsvinden wordt hij nieuwsgierig wat de vrouwen ver buiten de stad uitspoken. Hij besluit het te gaan bekijken. Dat wordt een barre tocht. Verscholen tussen de bramenstruiken ziet hij hoe twee groepen dolle halfnaakte vrouwen – waaronder de koningin – een hert vangen en verscheuren.
Hij komt meer dood dan levend thuis en besluit er een tragedie over te schrijven. Ondertussen is wel gebleken dat mannen bij deze gebeurtenissen ver uit de buurt dienen te blijven. Door zijn nieuwsgierigheid is hij uit de gratie van de koning gevallen.
Hij schrijft zijn tragedie en een vriend heeft bij de koning zonder dat E. dit wist laten doorschemeren (en ten onrechte) dat Euripides een stuk heeft gemaakt dat dient als een verzoening met Dionysus.
De zoon van Euripides, een gevierd toneelspeler die ook in Pella is beland, draagt delen uit de tragedie voor tijdens een feestelijk diner ter ere van de bekendgemaakte zwangerschap van de koningin. Euripides is er ook bij om weer in de gratie te worden hersteld.
Terwijl dus delen van de tragedie worden voorgelezen blijkt er geen sprake te zijn van verzoening maar van een wrede Dionysus cultus.
De sfeer verandert en er vallen klappen. Euripides overleeft het maar net…
Uiteindelijk slijt E. zijn dagen als een oude man. De tragedie ‘de bacchanten’ zal worden uitgevoerd. Verder komen er mensen langs en bespiegelingen over leven zonder godsdienst, over slavernij en de dood.

Opmerkelijk; Theun de Vries was een oude man toen hij dit schreef en het gaat ook over een oude man. Opnieuw gaat het over godsdienst en opnieuw klinkt er tussen de regels door een pleidooi voor het verlaten van deze weg van het volgen van de godsdienstige traditie met wat daarbij hoort. Op de laatste bladzijden klinkt er een atheïstisch pleidooi. Zo kennen we hem weer.

Het is leuk om op deze manier opnieuw (!) Euripides tegen te komen. En via de Vries voor het eerst in de klassieke tijd terecht te komen.
Opnieuw vind ik in deze roman minder vaart en spanning zitten dan in sommige andere boeken van Theun de Vries. Overigens, voor vaart en spanning moet men sowieso misschien elders zijn. Bij de Vries gaan de stappen langzaam om veel tijd te hebben voor de historische context, de sfeer, natuur en seizoenen en altijd weer de mooie taal.

Theun de Vries – Het hoofd van Haydn

Als 12 jaar na de dood van zijn hofcomponist Haydn vorst Esterhasy het lichaam van de componist in Eisenstadt wil herbegraven blijkt er wel een skelet te zijn maar geen hoofd. De rechergeur Gindely krijgt de opdracht te achterhalen wat er gebeurd is en komt een wonderlijk gezelschap van schedelonderzoekers op het spoor; Een soort übermensch-rascisten avant la lettre die opereren onder de dekmantel van een een muziekgenootschap.
Wanneer het Gindely gelukt lijkt om het mysterie te achterhalen en mensen te laten arresteren wordt de hele zaak in de doofpot gedaan. G. is enorm gefrustreerd waar hij overheen komt tijdens een concert waarbij 4 kwartetten uit Op.76 worden gespeeld.
Het boek sluit af met een brief van na 1954 waarin de ene musicoloog de andere vertelt hoe het nu verder is gegaan met dat hoofd van Haydn en dat het pas in 1954 is herenigd met de andere botten in Eisenstadt (Esterhasy dacht destijds het hoofd te hebben gekocht van een van de schedelspecialisten, maar was zonder dat hij dat ooit heeft geweten bedrogen).

Ik vond dit een mooi boek. Deels een detective met een heldere plot, maar toch ook weer meer dan dat. Belangrijke signalen:
1. Het gevaar van rascistische theoriën
2. De goede invloed die muziek kan hebben (zeker die van Haydn)

Vraag die blijft; wat is er nu allemaal waar van dit verhaal. Afgaande op andere romans van de Vries zou dat meer kunnen zijn dan op het eerste gezicht lijkt…

Zo kwam ik op de site van Radio2 dit verhaal tegen dat in grote lijnen lijkt op dat van Theun de Vries..:
Op 8 november 1820 heeft men het lichaam opgegraven van Joseph Haydn. De componist was gestorven in 1809, op het moment dat Wenen werd belegerd door Napoleon. Hij was toen raprap begraven. De Weense prins Esterhazy wou hem in een passend graf leggen, in de kerk van Maria Einsiedl in Eisenstadt. Tot hun grote verbazing ontdekten de grafdelvers dat het hoofd van Haydn ontbrak. Wat was er gebeurd? Aan het begin van de negentiende eeuw was men er vast van overtuigd dat je allerlei karaktereigenschappen kan aflezen uit de bouw van iemands hoofd. Frenologie heet die wetenschap. Een zekere Johann Peter, amateur frenoloog, heeft in 1809 de grafdelver omgekocht. In ruil voor geld kon die het hoofd van Haydn wel bezorgen. Johann Peter onderzocht de schedel en bezorgde hem vervolgens aan een zekere meneer Rosenbaum, secretaris van prins Esterazy. Die bewaarde de schedel in een zwarthouten koffertje gevoerd met witte zijde, naar verluidt onder zijn bed. In een andere versie van het verhaal zat de schedel in een glazen kistje en stelde mevrouw Rosenbaum het tentoon als ze vrienden ontving op huisconcertjes. Om maar te zeggen: een rocambolesk verhaal waarvan het moeilijk is de ware toedracht te vinden. Eén ding is zeker: tot diep in de twintigste eeuw heeft de dode Haydn het zonder hoofd moeten stellen. Pas in 1954 werd er een schedel in het graf gelegd. En zelfs nu is het nog niet helemaal zeker of het de juiste schedel is, want er wordt gefluisterd dat Rosenbaum, toen hij niet anders meer kon dan de schedel teruggeven, een ander hoofd heeft bezorgd. Dat lijkt onwaarschijnlijk, maar in amateurfrenologische kringen is het niet ongebruikelijk dat men verschillende mensenschedels in huis heeft..

Overigens is er in 1992 door Sylvia Liefrink voor de Tros een hoorspel van deze roman gemaakt.

Theun de Vries – De vrouweneter

De titel van dit boek uit 1976 verwijst naar Guy de Maupassant, de rokkenjager die een van de hoofdpersonen is van voornamelijk in Parijs spelend boek. De andere hoofdpersoon is de jonge Russische Marie Bashkirtseff, die met wat familie op weelderige wijze terend op Russisch geld in Parijs woont. Ze is intelligent en begaafd en viert wat succesjes als kunstschilderes.

Marie is een anonieme correspondentie begonnen met Guy. Wanneer bij hem de nieuwsgierigheid echt is gewekt houdt ze ermee op. Ze is ziek, hoesten en soms bloed ophoesten en koorts.

Boven het boek hangt de dreiging van de dood. Dat geld niet alleen voor Maria maar ook voor Jules Bastien-Lepage; een andere schilder. Ook Guy is ongerust; hij voelt een dreiging; het lijkt erop dat de krankzinnigheid in de familie heerst…

Het boek volgt afwisselend Marie en Guy. Daarnaast zijn er de genoemde brieven. Tot slot volgen we soms de dagboekaantekeningen van Marie.
Zoals uit de links blijkt heeft Theun de Vries zich opnieuw nadrukkelijke gebaseerd op de levens van bovenstaande kunstenaars en hun tijdgenoten.

Theun de Vries – Torrentius; het spel en de storm

Opnieuw een kunstenaarsroman; deze is 67 jaar na ‘Rembrandt’ geschreven. Torrentius, de mij onbekende schilder uit het begin van de 17e eeuw is de hoofdpersoon van deze roman. Hij is een vrolijke flierefluiter, schilder van zeer realistische stillevens en van porno-achtige schilderijen. Ik kan weinig reproducies vinden; misschien is er weinig over.
Dat laatste genre levert hem flink geld op; hij moet er wel behoedzaam mee omgaan. Torrentius is een ongelovige en dat levert ook nog wel eens problemen op…

Onverwacht steekt in het tweede deel van het boek de storm op. Het boek gaat hier verder in de ik-persoon. Torrentius wordt wegens ontucht en goddeloze uitingen opgepakt, gevangengezet, gemarteld en in een bizar proces tot 20 jaar veroordeeld.

Het boek eindigt met twee brieven van zijn advocaat aan iemand anders. T. blijkt dan na niet al te lange tijd naar het hof van de engelse koning te zijn gegaan. Na 12 jaar keert hij gebroken terug en sterft hij in Amsterdam.

In vergelijking met ‘Rembandt’ is dit een veel beter boek. Hier is eenheid en lijn en meer thema: een pleidooi voor verdraagzaamheid (in een wereld van godsdienstige strijd).

Theun de Vries – Rembrandt

Na wat dichtwerk vond Theun de Vries het tijd worden voor een heuse roman. Dat werd ‘Rembrandt’ ; het boek kwam uit in 1931 en ik heb de tweede druk uit 1932 gelezen.
De roman begint in 1650 wanneer Rembrandt al een beroemd kunstenaar is. In bloemrijke taal wordt het beeld geschilderd van Rembrand die zijn vrouw Saskia met de bevalling van Titus al was verloren. Hij woont met Titus, een aantal leerlingen en Hendrikje (voormalig huishoudster) in een huis aan de Breestraat. Wanneer hij failliet gaat moet hij daaruit en komt hij terecht aan de Rozengracht waar Titus met Hendrikje een kusthandel is begonnen.
De roman gaat gek genoeg beperkt over Rembrandt. Het gaat meer over Titus en soms over sommigen van de leerlingen. Daarbij is de taal zeker in de beschrijvingen mooi, maar verder soms ook neigend naar W.G. van der Hulst. Bovendien heeft de roman weinig kern, dat is jammer. Natuurlijk kan je in een biografie-achtige roman geen nieuwe heel spannende plots verzinnen; nu gaat het wel alle kanten op.
Leuk is wel dat er in de kantlijn allerlei bekendheden passeren: De leerlingen van Rembrandt (zo bekend waren die natuurlijk niet… ), maar ook Vondel, Spinoza en Swammerdam .

Het boek heeft geen goede kritieken gekregen en daar kan ik me wel wat bij voorstellen hoewel Menno ter Braak destijds wel ver ging. Toch heb ik laatst, ik denk in de OBA, een exemplaar zien staan dat op zijn vroegst in de jaren 80 moet zijn uitgegeven, misschien wel later. Het moet toch wel een beetje de moeite waard geweest zijn… Ik vond het boek ondanks alle bezwaren wel degelijk de moeite waard.

Theun de Vries – Het motet voor de kardinaal

De hoofdpersoon van dit boek uit 1960, die later Wolf gaat heten, wordt na een strijd gevonden en door een Hertog opgenomen in zijn huishouding als speelmaatje voor zijn dochter Richardis, op wie, jawel, deze Wolf jaren later verliefd wordt.
Hij strijdt mee in het legertje van de Hertog, verlaat de Hertog, zet een soort soldatenleven voort tot hij in Noord-Italië terecht komt. Wolf kon altijd al mooi zingen en als hij in Milaan in een kerk zit zingt er een koor het motet voor de kardinaal en Wolf is er helemaal van ondersteboven. Hij zoekt contact met de zangers die onder leiding blijken te staan van Josquin de Pres (1440-1521) en wordt opgenomen en opgeleid. Zo begint zijn muziekleven en band met Josquin. Uiteindelijk komen ze samen in Rome waar de decadentie onder leiding van Borgia’s en Medici hoogtij viert. In de zijlijn komen we ook da Vinci en Michelangelo tegen.
Na vijftien jaar in Rome te zijn geweest is het jubeljaar aanstaande. Van Josquin heeft hij dan al afscheid genomen; hij is uit Rome weggetrokken. Er komen duizenden pelgrims in de stad en dan ontmoet hij pelgrims uit de lage landen; in het bijzonder een meisje dat hem doet denken aan Richardis. Het blijkt haar dochter te zijn.
Ze ontwikkelen een korte en wonderlijke relatie die Wolf doet besluiten om terug te keren naar de lage landen.

Dit is een langzaam boek met veel beschrijvingen van sfeer en stad. Mooi hoe Josquin wordt geëerd. Door het boek heen speelt de vraag of je maar ten dienste van Jan en alleman kunstenaar kan zijn. Is kunst verbonden aan regimes, aan politiek en kerk. Wolf en ook de schrijver willen de kunst graag los zien van de grote macht van het geld, zo lijkt het…

Theun de Vries – Het zwaard, de zee en het valse hart

Het boekenweekgeschenk uit 1966; een boek dat ik heel vaak in handen heb gehad maar nooit heb gelezen. Eerlijk gezegd ken ik niemand die het gelezen heeft. Op het titelblad staat onder de titel: ‘een sage’. Het is een soort sage over Friezen, Jutten en anderen die in de 5e eeuw naar Engeland gingen om de plaatselijke koning Vortigern te helpen in zijn strijd tegen de Picten uit het noorden.
Het verhaal wordt geschreven vanuit een ik-persoon; Liafbarn, die in dienst is van de leidende hertogen Hengist en Horsa. De sage gaat over de wrede strijd en vestiging in het Brittenland. Daarnaast vindt er nog een andere strijd plaats. Reonix, de dochter van Hengist blijkt een mysterieus aantrekkelijke vrouw die op macht uit is en daartoe steeds maar mannen het hoofd op hol weet te jagen.
Het boek eindigt met de definitieve overwinning, het doodsteken van de verradelijke Reonix door de ik-persoon, die zelf ook verliefd was geweest op haar, maar oog had gekregen voor haar valse hart. Uiteindelijk keren Liafbarn en Hengist terug naar waar ze vandaan waren gekomen: Friesland. Eén van de laatste zinnen luidt: ‘Maar ik – wat heb ik gedaan met het leven dat elk mens maar één maal geschonken krijgt?’
Naar mijn smaak komt het boekje wat traag op gang; ik vond de stijl in het begin minder dan in de Wilt Tjaarda verhalen. Misschien heeft de Vries gezocht naar een stijl die bij zo’n vroeg-Middeleeuwse sage hoort. Als dat zo is dan is dat niet helemaal gelukt.

Toen ik het boek al bijna uit had ontdekte ik dat de Vries zich ook hier heeft gebaseerd op een bestaande geschiedenis.

In ‘A history of the english church and people’ van Bede (Penguin Classics uit 1977, vertaling door Leo Sherley-Price), een boek uit 731, kwam ik ze tegen: Koning Vortigern, Hengist en Horsa! Een citaat vanaf blz. 55: ‘In this time the Angels or Saxons came to Britain at the invitation of King Vortigern in three longships, and were granted lands in the eastern part of the island on conditions that they protected the country: nevertheless, their real intention was to subdue it.[…..] Their chieftains are said to have been the brothers Hengist and Horsa.’

In de Britannica van 1991 worden de broeders ook genoemd als ‘the leaders of the first Anglo-Saxon settlers in Britain’. Het artikel baseert zich op Bede.
De suggestie wordt gedaan dat Hengist dezelfde zou kunnen zijn als de Hengist die blijkbaar voorkomt in Beowulf.
In het artikeltje over Vortigern wordt niet naar Bede verwezen maar naar de Historia Brittonum.

Theun de Vries – De Friese Postkoets

Het exemplaar dat ik hier heb ik een beduimeld gebonden boekje uitgegeven door ‘De republiek der Letteren’ zonder dat er een druk of jaartal in staat. Pa toverde het van een plek te voorschijn waar nog wat boeken lagen waarvan ik de indruk kreeg dat ze niet waard werden gevonden om in de boekenkast te pronken. Ten onrechte, weet ik nu. Het boek is in 1948 voor het eerst uitgegeven onder deze titel en dit kan best een eerste druk zijn. Eerder kwamen deze verhalen (allemaal?) terug onder de titel: ‘De tegels in de haard’ (1941).

Waar slaat nu de titel op? Er zit geen verhaal bij dat zo heet. Het enige signaal komt uit de inhoudsopgave. Daar zijn niet de hoofdstukken maar de stations op een rijtje gezet.

Het is een bundel verhalen uit Friesland, geordend naar streek, waarvan de meesten uit de wouden komen. De verteller is Wilt Tjaarda.
Laat ik nu van de week in de biep een boek aantreffen van de Vries met de titel ‘Wilt Tjaarda’, vertelligen, in 2003 uitgegeven door Querido. In dit boek komt een aantal van de verhalen uit mijn Postkoets terug.
Het boek wordt enthousiast ingeleid door Geert Mak, ook afkomstig uit die omgeving. Hij legt een link met de Wiarda- verhalen en is heel enthousiast over deze boeken van Theun de Vries. Het zijn inderdaad mooie verhalen, de één natuurlijk boeiender dan de ander, maar mooi geschreven…

Overigens is er nog een andere bundel geweest. Voorin het boek uit 2003 staat namelijk:’De eerste dertien verhalen heeft Theun de Vries gekozen uit De vertellingen van Wilt Tjaarda (1982). Dat kunnen niet dezelfde zijn als die uit de Postkoets omdat het eerste verhaal hierin helemaal niets met Wilt Tjaarda te maken heeft.

De vetgedrukte hoofdstuktitels komen in zowel ‘De Friese Postkoets’ als in Wilt Tjaarda uit 2003 voor:

De Friese Postkoets:
Foxherne
Dorp in ’t verleden
Het Heksershuis
Familieportret
Dodenmaal
Een mislukking
Het feest van het kind
God en gebod
Jufferstate
Oud kabinet
De tegels van de haard
Vrijers om Fokje
Galgenaas
Amos, de boer
Water en aarde
De derde dood

Dan zijn dit de verhalen die in Wilt Tjaarda uit 2003 voorkomen, maar niet in de Postkoets:

Pijp
Snoek
Amerika
Negotie
Spijbelen
De vierde
De pronkkamer
De pronkkeamer

Blijft de vraag over of er in de bundel uit 1982 nog verhalen zitten die hier nog niet bij staan…

Om het nog doller te maken; er blijkt nog een bundel te bestaan gebaseerd op ‘de tegels…’: ‘De namen in de boom’ uit 1967.