Theun de Vries – Nabetrachting

Het zit erop. Mijn toeven met Theun de Vries was heel erg de moeite waard. Het heeft me langs kunstenaars, boeren en verzetsstrijders geleid, door de tijd vanaf de klassieke grieken door de middeleeuwen en de 17e eeuw via de 19e eeuw tot in de 20e eeuw.
Ik ben mooie taal tegengekomen en strijdbaarheid. Strijd voor vrijheid van onderdrukking, uitbuiting en dogmatisme. Daarnaast was er vaak een pleidooi voor de sterke zelfstandige vrouw. Er was mededogen met armen en soms verzet tegen de oorzaak ervan. En dan waren er de kunstenaars die op de voet werden gevolgd. Rembrandt, van Gogh, Hercules Seghers, Torrentius, Haydn, Josquin, Guy de Maupassant, Moliere… Dat deed hij mooi, maar hier zat ook wel een beetje de zwakte. Door die levens in een romanvorm te volgen bleven sommige boeken als eerder gezegd een beetje plotloos en qua structuur wat saai. Een mooie uitzondering hierop was het boekje over Torrentius. Toch vond ik het project als geheel zeer de moeite waard en zo zal Theun de Vries een plekje blijven innemen. Ik ben lid geworden van het geheim genootschap: ‘Theun de Vries mag niet vergeten worden’.

Theun de Vries – Baron

De complete titel van dit boek uit 1987 luidt:’De wonderbaarlijke Michel Baron, zijn leermeester Molière en de praalzieke Zonnekoning.’

img_0369

Ja hoor, weer een soort kunstenaarsroman en weer zitten we in de 17e eeuw; nu echter in Frankrijk. Hoofdpersoon en ik-persoon is Michel Boyron, die Baron wordt genoemd. Zijn ouders waren acteurs en hij is al jong een toneeltalent en een bijzonder mooie jongen om te zien. Na de dood van zijn ouders komt hij terecht in een kindertoneelgezelschap. Hij wordt al jong een bewonderaar van Molière en kan deel gaan uitmaken van zijn gezelschap. Daar komt een eind aan na een ruzie met de vrouw van M. Hij verlaat het gezelschap en het toneel. Zijn oom sterft en hij erft het huis van de oom waar hij op zolder gaat wonen terwijl de rest via zijn voogd wordt verhuurd. Het boek speelt tot hier toe in en rond Parijs en zo komt er een mooi beeld van de stad naar voren; een stad die wel herkenbaar is maar deels natuurlijk helemaal niet.
Na allerlei verwikkelingen is het beter een tijd niet in de stad te zijn en zo gaat Baron mee met een rondreizend toneelgezelschap naar het zuiden…
Dan gebruikt Moliere de Koning om hem terug te roepen en raakt Baron weer in Parijs en allerlei verwikkeld en ondertussen maakt hij furore als acteur. Op de achtergrond speelt er van alles mee. Ketterjacht, het gedrag van Lully, de oorlog tegen de Nederlanden (1672), Charpentier komt nog om de hoek kijken en verder zo’n leger aan historische figuren dat de Vries er een lijst van heeft aangelegd achter in het boek.
In dit boek is er sprake van verschillende soorten strijd. Stijd tussen de toneelgezelschappen, strijd om het bestaan in een ruig Parijs en strijd tegen het systeem van de kerk en Louis XIV in wiens dienst het gezelschap van Moliere speelt en die hen op de gekste momenten laat opdraven voor een volgende uitvoering. Uiteindelijk is Moliere, die al jaren leed aan longklachten, in 1673 op; hij sterft zo ongeveer in het harnas. De Troupe du Roi moet dan alleen verder wat ze ook proberen maar het wordt al snel duidelijk dat dat wat Baron betreft niet gaat lukken. Hij breekt met de weduwe van Moliere, met wie hij al eerder een korte verhouding had gehad en staat aan het begin van een nieuw leven op het moment dat hij zijn diensten aanbiedt bij een van de andere gezelschappen van Parijs. Daarmee eindigt dan het boek.

Dit is een dikke roman van meer dan duizend pagina’s. Vanuit de ik-persoon ontrolt het verhaal zich chronologisch. Bekende thema’s als vrijheid en sterke zelfstandige vrouwen komen aan de orde. Andere zaken noemde ik al eerder. Het is geen rechtlijnige roman; het is eerder een roman met veel vertakkingen en verwikkelingen. Is het nu te dik? Misschien wel wat, maar ik heb in ieder geval niet de neiging gehad het boek maar weg te leggen.

Theun de Vries – De Bergreis

Een prachtige kunstenaarsroman waarmee er eind jaren 90 een cirkel rond komt. Theun de Vries was immers aan het begin van zijn romanschrijverij begonnen met ‘Rembrandt’, de roman waar heel wat kritiek op is geweest. Dit is een roman over de schilder Hercules Seghers, een voorganger van Rembrandt voor wie Rembrandt als enige van de vakbroeders een grote bewondering had.
Het boek bestaat uit drie delen. In het eerste deel is er een verteller die vanuit Seghers vertelt hoe hij een ongeluksvogel is. Hij woont op een armoedig zoldertje en heeft een soort relatie met een dienstmeisje van de verhuurder; ze raakt zwanger en dan wordt Hercules gedwongen of in ieder geval geprest om met een veel oudere rijke nicht te trouwen. Hij doet het en voelt zich schuldig en aan dat huwelijk beleeft niemand enig plezier.
Seghers wordt er letterlijk beroerd van en de chirurgijn die erbij is gehaald adviseert een reis en dat wordt de bergreis die tot de ardennen langs de maas voert.
Het tweede deel is in de ik-persoon geschreven en beschrijft terugkijkend de terugreis, niet zonder gevaar door de Zuidelijke Nederlanden waar sinds de afloop van het bestand de onrust is toegenomen, en de dood van Anneken, de vrouw van Hercules. Ze is van de trap gevallen, maar is ze wel van de trap gevallen; Seghers die dronken was thuisgekomen weet het niet meer en voelt zich opnieuw schuldig, maar ook opgelucht.
Het derde deel beschrijft hoe Seghers ondanks het fortuin dat hem in de schoot is gevallen aan lager wal raakt, hoewel hij ook nog wel heeft geschilderd. Dit deel is terugkijkend geschreven vanuit de persoon van een kunsthandelaar en beschrijft hoe het einde van Seghers leven in nevelen is gehuld.

Zoals Theun de Vries dat voorin het boek toelicht is hij begonnen dit boek te schrijven na het bezoek van een Seghers- tentoonstelling in het Rijksmuseum in 1954. Daarna heeft hij het boek weggelegd en een paar keer weer opgepakt om het uiteindelijk in 1998 af te ronden.

Op de website van het Rijksmuseum staan ook prachtige plaatjes van werk van Seghers… Hier niet een compleet overzicht wat weer leuk was aan de vorige link. Het gaat me hier om de prachtige presentatie.

M. Swaertreger – WA Man

img_0393

Van deze novelle van Theun de Vries heb ik een exemplaar waarvan achterin staat: WA- MAN, Novelle door M. Swaertreger, werd in 1944 in het verborgene gedrukt voor de Uitgeverij DE DOEZENDE DAR.
De nog degelijk aan elkaar zittende katernen zijn los gekomen van het kaftje, maar dat heeft me niet belet om het te lezen.
De novelle gaat over Frans Dijkgraaf, zoon van een armoedig kruideniersgezin aan de rand van de jordaan te Amsterdam. In de jaren voor de oorlog is hij scholier. Na een opstand in de jordaan krijgt hij een hekel aan joden en armen. Via via komt hij in contact met een soort NSB -ers en al snel groeit hij er in en gaat hij trainen om bij de WA te gaan. Het staat er bol van de fascistische retoriek. Door opmerkingen van een van de anderen gaat hij twijfelen zonder de beweging te verlaten.
Dan breekt de oorlog uit en moet hij mee om acties te ondernemen. Eigenlijk wil hij dat niet meer. Het boekje eindigt met dat hij weer terugkeert bij zijn ouders die ondertussen behoorlijk afstand van hem hadden genomen.

Dit is echt een prachtig boekje waarin niet heel veel spannends gebeurt; we volgen de zieleroerselen richting het nazisme en er vanaf.

Dan ruim vijf jaar later een toevoeging afkomstig uit de biografie van van Galen (Aspekt, 2011): ‘Toen die [Lubberhuizen] hem er op attent maakte dat er geen schrijversnaam op stond bedacht de Vries ter plekke de passende schuilnaam M. Swaertveger, een middeleeuwse benaming voor wapensmid...WA man verscheen die zomer als gevolg van een zetfout met de betekenisloze naam Swaertreger (473-474).’ En dan verderop op p.474: ‘Lubberhuizen heeft voor de uitgave van WA- man niet de uitgeversnaam De Bezige Bij gebruikt, maar de eenmalige variant De Doezende Dar‘. Lubberhuizen was in het uitgeverswerk gekomen door de publicatie van geschriften om geld in te zamelen voor de illigale opvang van Joodse kinderen en wilde na de oorlog De Bezige Bij als coöperatieve uitgevrij echt van start laten gaan.

Theun de Vries – De ontsnapping

‘De ontsnapping verscheen oorspronkelijk als laatste verhaal van de bundel kampverhalen doodskoppen en kaalkoppen (1966). De afzonderlijke uitgave, twintig jaar later, wordt hierbij opgedragen aan mijn oude kampvriend Gerard Th. Vlas, voor wie Bram Valentijn geen onbekende is. Theun de Vries.’
Dit citaat staat voorin het boekje uit 1987 uitgegeven door Uitgeverij Vriendenlust Nijmegen.
Het is een verhaal van 96 pagina’s over de nog jonge Bram Valentijn die tijdens de oorlog na al een keer als betrokkene bij een bonnenkraak te zijn gepakt opnieuw is gepakt en in kamp Amersfoort terechtkomt. Het verhaal beschrijft het kampleven en de voorbereiding en uitvoering van een ontsnapping. De oorlog loopt onderhand op z’n eind en de wraak en vergelding die zullen volgen hangen al in de lucht.
Het verhaal eindigt met de gedachten van de pas ontsnapte Bram; hij stelt zich voor hoe de Nederlander in dienst van de Waffen-SS die hem in Den Haag had verhoord en vernederd door hem wordt doodgeschoten.

Theun de Vries – De wilde vrouwen van Pella

In deze roman uit 1999 volgen we de ik-persoon, Euripides, de oude tragedieschrijver die tijdens de oorlog tussen Sparta en Athene uit Athene is vertrokken om zich op uitnodiging van de plaatselijke koning in het Macedonische Pella te vestigen.
Hij woont daar heel eenvoudig met een slavin die voor hem zorgt. Als de plaatselijke dionysus-feesten plaatsvinden wordt hij nieuwsgierig wat de vrouwen ver buiten de stad uitspoken. Hij besluit het te gaan bekijken. Dat wordt een barre tocht. Verscholen tussen de bramenstruiken ziet hij hoe twee groepen dolle halfnaakte vrouwen – waaronder de koningin – een hert vangen en verscheuren.
Hij komt meer dood dan levend thuis en besluit er een tragedie over te schrijven. Ondertussen is wel gebleken dat mannen bij deze gebeurtenissen ver uit de buurt dienen te blijven. Door zijn nieuwsgierigheid is hij uit de gratie van de koning gevallen.
Hij schrijft zijn tragedie en een vriend heeft bij de koning zonder dat E. dit wist laten doorschemeren (en ten onrechte) dat Euripides een stuk heeft gemaakt dat dient als een verzoening met Dionysus.
De zoon van Euripides, een gevierd toneelspeler die ook in Pella is beland, draagt delen uit de tragedie voor tijdens een feestelijk diner ter ere van de bekendgemaakte zwangerschap van de koningin. Euripides is er ook bij om weer in de gratie te worden hersteld.
Terwijl dus delen van de tragedie worden voorgelezen blijkt er geen sprake te zijn van verzoening maar van een wrede Dionysus cultus.
De sfeer verandert en er vallen klappen. Euripides overleeft het maar net…
Uiteindelijk slijt E. zijn dagen als een oude man. De tragedie ‘de bacchanten’ zal worden uitgevoerd. Verder komen er mensen langs en bespiegelingen over leven zonder godsdienst, over slavernij en de dood.

Opmerkelijk; Theun de Vries was een oude man toen hij dit schreef en het gaat ook over een oude man. Opnieuw gaat het over godsdienst en opnieuw klinkt er tussen de regels door een pleidooi voor het verlaten van deze weg van het volgen van de godsdienstige traditie met wat daarbij hoort. Op de laatste bladzijden klinkt er een atheïstisch pleidooi. Zo kennen we hem weer.

Het is leuk om op deze manier opnieuw (!) Euripides tegen te komen. En via de Vries voor het eerst in de klassieke tijd terecht te komen.
Opnieuw vind ik in deze roman minder vaart en spanning zitten dan in sommige andere boeken van Theun de Vries. Overigens, voor vaart en spanning moet men sowieso misschien elders zijn. Bij de Vries gaan de stappen langzaam om veel tijd te hebben voor de historische context, de sfeer, natuur en seizoenen en altijd weer de mooie taal.

Theun de Vries – Het hoofd van Haydn

Als 12 jaar na de dood van zijn hofcomponist Haydn vorst Esterhasy het lichaam van de componist in Eisenstadt wil herbegraven blijkt er wel een skelet te zijn maar geen hoofd. De rechergeur Gindely krijgt de opdracht te achterhalen wat er gebeurd is en komt een wonderlijk gezelschap van schedelonderzoekers op het spoor; Een soort übermensch-rascisten avant la lettre die opereren onder de dekmantel van een een muziekgenootschap.
Wanneer het Gindely gelukt lijkt om het mysterie te achterhalen en mensen te laten arresteren wordt de hele zaak in de doofpot gedaan. G. is enorm gefrustreerd waar hij overheen komt tijdens een concert waarbij 4 kwartetten uit Op.76 worden gespeeld.
Het boek sluit af met een brief van na 1954 waarin de ene musicoloog de andere vertelt hoe het nu verder is gegaan met dat hoofd van Haydn en dat het pas in 1954 is herenigd met de andere botten in Eisenstadt (Esterhasy dacht destijds het hoofd te hebben gekocht van een van de schedelspecialisten, maar was zonder dat hij dat ooit heeft geweten bedrogen).

Ik vond dit een mooi boek. Deels een detective met een heldere plot, maar toch ook weer meer dan dat. Belangrijke signalen:
1. Het gevaar van rascistische theoriën
2. De goede invloed die muziek kan hebben (zeker die van Haydn)

Vraag die blijft; wat is er nu allemaal waar van dit verhaal. Afgaande op andere romans van de Vries zou dat meer kunnen zijn dan op het eerste gezicht lijkt…

Zo kwam ik op de site van Radio2 dit verhaal tegen dat in grote lijnen lijkt op dat van Theun de Vries..:
Op 8 november 1820 heeft men het lichaam opgegraven van Joseph Haydn. De componist was gestorven in 1809, op het moment dat Wenen werd belegerd door Napoleon. Hij was toen raprap begraven. De Weense prins Esterhazy wou hem in een passend graf leggen, in de kerk van Maria Einsiedl in Eisenstadt. Tot hun grote verbazing ontdekten de grafdelvers dat het hoofd van Haydn ontbrak. Wat was er gebeurd? Aan het begin van de negentiende eeuw was men er vast van overtuigd dat je allerlei karaktereigenschappen kan aflezen uit de bouw van iemands hoofd. Frenologie heet die wetenschap. Een zekere Johann Peter, amateur frenoloog, heeft in 1809 de grafdelver omgekocht. In ruil voor geld kon die het hoofd van Haydn wel bezorgen. Johann Peter onderzocht de schedel en bezorgde hem vervolgens aan een zekere meneer Rosenbaum, secretaris van prins Esterazy. Die bewaarde de schedel in een zwarthouten koffertje gevoerd met witte zijde, naar verluidt onder zijn bed. In een andere versie van het verhaal zat de schedel in een glazen kistje en stelde mevrouw Rosenbaum het tentoon als ze vrienden ontving op huisconcertjes. Om maar te zeggen: een rocambolesk verhaal waarvan het moeilijk is de ware toedracht te vinden. Eén ding is zeker: tot diep in de twintigste eeuw heeft de dode Haydn het zonder hoofd moeten stellen. Pas in 1954 werd er een schedel in het graf gelegd. En zelfs nu is het nog niet helemaal zeker of het de juiste schedel is, want er wordt gefluisterd dat Rosenbaum, toen hij niet anders meer kon dan de schedel teruggeven, een ander hoofd heeft bezorgd. Dat lijkt onwaarschijnlijk, maar in amateurfrenologische kringen is het niet ongebruikelijk dat men verschillende mensenschedels in huis heeft..

Overigens is er in 1992 door Sylvia Liefrink voor de Tros een hoorspel van deze roman gemaakt.