Spinoza – Theologisch-Politiek traktaat.

Dat andere beroemde werk dus. En voor mij veel leesbaarder dan de Ethica, hoewel ook dit niet iets is om heel vlotjes door te nemen. Op het eerste gezicht is het een saai boek dat in grondige stappen eerst handelt over het wezen van het geloof; gehoorzaamheid die blijkt uit naastenliefde. God wordt niet met zoveel woorden gelijkgesteld aan de natuur, maar het zit er eigenlijk wel tegenaan. Dan gaat er vervolgens een deel over de bijbel en hoe die gelezen moet worden. Rationeel dus. Het lijkt net of Spinoza in dit boek niet het achterste van zijn tong laat zien waardoor ik als lezer soms op mijn verkeerde been terecht dreig te komen als hij spreekt over de profeten bijvoorbeeld.

Het spannende is eigenlijk dat Spinoza deze gortdroge verhandeling schreef in een tijd, de tweede helft van de 17e eeuw, waarin de samenleving aan alle kanten overliep van godsdienstigheid en bespiegelingen daarover. Het hebben van afwijkende meningen en het publiceren van die denkbeelden was ronduit gevaarlijk, zoals al bleek bij Jonathan Israël en Theun de Vries. Daarbij was de scheiding tussen de kerk en de overheid niet vastgelegd.

Dat is waar het laatste stukje van het boek over gaat. De overheid moet gezag hebben over de kerken, een punt dat voor Hugo de Groot en van Oldebarneveld ook al duidelijk was. Burgers hebben gezag overgedragen aan het hoogste gezag en dat hoogste gezag functioneert ten behoeve van die burgers en zo dus van de staat. Zo bedenkt Spinoza wel een soort democratie zonder het te hebben over stemmen en de vraag wie die burgers dan zijn. Overigens is Spinoza wel duidelijk in de behoefte aan orde. Bij hem geen proto-anarchistische neigingen.

Om even de smaak te pakken te krijgen de op één na laatste alinea van het boek: Daarom concluderen wij hier, evenals eerder in hoofdstuk 18, dat niets veiliger is voor de staat dan dat vroomheid en godsdienst uitsluitend opgaan in de betrachting van liefde en billijkheid en dat het recht van de hoogste overheden zowel betreffende godsdienstige als profane zaken slechts op daden betrekking heeft, en dat overigens het individu wordt toegestaan te denken wat hij wil en te zeggen wat hij denkt.

Ik heb hier de vertaling uit het Latijn door F. Akkerman, Wereldbibliotheek, 1997 (Amsterdam). Het boek begint met een fijne inleiding en dan volgt er nog een heel deel met samenvattingen. Dat helpt geweldig om de lijn van het betoog te kunnen terugvinden.

Een heel onbevredigend verslagje omdat ik hiermee dit doorwrochte werk van Spinoza aan alle kanten enorm te kort heb gedaan.

J.J. Voskuil – Binnen de huid

De roman die tussen ‘Bij nader inzien’, dat ik nog niet heb gelezen, en ‘Het Bureau’, waarvan ik deel 1 met plezier las, in zit, maar pas na de dood van de schrijver is uitgegeven (2009) terwijl het tussen 1964 en 1968 is geschreven.

Het is een eigenaardig boek en bovendien hoogst ergerlijk wat het ook wel een heel knappe roman maakt. Als iemand een roman van 427 pagina’s weet te maken die maakt dat je vanaf enkele pagina’s tot het einde je schoen wil opeten van ergernis, inhoudelijke ergernis, niet omdat het slecht is geschreven dus, dan is dat knap. En dat is hier dus aan de orde.

De roman is mij voorgelezen en dat heeft geruime tijd in beslag genomen. Niet door het aantal pagina’s, maar omdat we soms ook wel weer wat moed moesten verzamelen.

De roman gaat over Maarten – hier als ik- persoon en Nicolien die we kennen uit het bureau en over een ander stel, Paul en Rosalie, die misschien wel bekend zijn voor lezer van ‘Bij nader inzien’. Het zijn studievrienden. De studie zit er net op en beide stellen zijn getrouwd en logeren regelmatig bij elkaar. Paul is leraar geworden in Deventer waar ze net naartoe zijn verhuisd vanuit Amsterdam. Het boek begint met het eerste bezoek van Maarten en Nicolien aan de vrienden in Deventer.

Radicale bespiegelingen uit de studententijd spelen nog een rol. Zo vindt Maarten het aanvaarden van een baan als leraar verraad en wordt er het hele boek door geworsteld over de vraag wat een huwelijk eigenlijk is en of je trouw moet zijn of toch niet. Het is een roman over jonge mensen die nog heel erg de weg in het leven aan het zoeken zijn. Paul en Rosalie hebben al gekozen voor een meer burgerlijk en meer comfortabel bestaan. Maarten niet; hij doet wat vertaalwerk voor Henriëtte, een gemeenschappelijke vriendin waar ze allemaal wel een beetje jaloers op lijken te zijn. Zij heeft in ieder geval niet voor een burgerlijk leven gekozen. Ze is op haar ééntje naar Parijs gegaan.

Tot zover niets ergerlijks. Het ergerlijke zit ‘m in de relatie tussen deze vrienden die heel weinig laten merken dat ze vrienden zijn. Er wordt veel ruzie gemaakt of op zijn minst op een aanvallende toon gediscussieerd en steeds gaat het over levenskeuzen die niet vol te houden zijn, verwijten burgerlijk te zijn of niet consequent. Het wordt allemaal echt ergerlijk wanneer blijkt dat Maarten en Rosalie verliefd op elkaar zijn maar daar eigenlijk niets mee willen en niets mee kunnen. Rosalie gedraagt zich heel uitdagend waarbij je je ook geërgerd kan afvragen waarom Nicolien geen einde maakt aan deze vriendschap. Maarten blijkt en angstige weifelkont. Dan komt het ene stel naar Amsterdam en dan gaat het andere naar Deventer en steeds is het maar gedoe en komt het allemaal nauwelijks verder. Hou er mee op of doe wat!

Het wordt allemaal steeds beroerder en ingewikkelder, ongemakkelijker zeker wanneer blijkt dat Paul en Nicolien ook een verhouding hebben. Daar komen we pas laat achter omdat de roman heel consequent vanuit Maarten is geschreven en hij steeds minder aandacht heeft voor Nicolien. De verhouding tussen haar en Paul, mogelijk gefaciliteerd door Maarten en Rosalie, ontgaat hem volledig en van Nicolien en de andere zien we alleen het gedrag zoals Maarten dat ziet.

Bijna komt het zover dat Maarten en Nicolien uit elkaar gaan. Het boek eindigt fraai met de sneltrein waar Paul in zit die voorbij raast terwijl de stoptrein waar Nicolien in zit aankomt.

De rode achterlichten verdwenen schommelend in het donker. Het was opnieuw stil. De man met de bezem kwam langzaam dichterbij. Tegenover me kwamen mensen op het perron. De bomen gingen dicht. De koplampen van de trein kwamen de hoek om. Hij minderde vaart en reed het station binnen. Ik wachtte tot hij stilstond. toen draaide ik me om en liep langzaam om het gebouw heen naar de uitgang.

Over de titel dan. Iedere nederlaag was de keerzijde van zelfoverschatting en zelfbedrog. Over een dergelijke ontmaskering moest ik verheugd zijn. Bij de huid hield het op. Daarbinnen was ik onkwetsbaar (p.387). Als lezer twijfelde ik enorm over deze uitspraak. De titel gaat naar mijn idee ook over mij als lezer. Dit ergernisveroorzakende boek gaat zelf onder de huid zitten.

De stijl is, net als in het bureau, droog en met korte zinnen beschrijvend. Voskuil gebruikt veel dialoog vol vloeken en mieters.

En wat vond je er nu van? Het is een boek waarin vrijwel niets gebeurt. Dat is knap. Is het misschien te dik, had er meer gestreept moeten worden? Ik twijfel daarover. Ik ben bang dat de lengte en de traagheid wel bijdragen aan het effect. Ik ben bang dat ik dit toch ondanks of dankzij alle ergernis een knap boek moet vinden.

NL literatuur in de 17e eeuw…

Nederlandse Literatuur, een Geschiedenis, uitgegeven door Martinus Nijhof, Amsterdam (1993) is een wonderlijk boek waar ik eerder naar verwees. Zoals de voorkant zegt: Honderdvijftig evenementen en wat er literair aan vast zit. En dat dan bijeen geschreven door een keur aan specialisten. Het boek is misschien al wat gedateerd, maar dat leek mij niet zo’n ramp gezien het feit dat het mij nu om de 17e eeuw ging. Wat dit is wat ik heb gedaan, ik heb alle hoofdstukken over deze periode gelezen en dat leverde de volgende caleidoscoop op:

8 juli 1600; P.C. Hooft schrijft uit Florence een rijmbrief aan de Amsterdamse rederijkers door E.K. Grootes. Over de grande tour van Hooft en de invloed ervan op zijn werk

1613; De drukker Dirck Pietersz. Pers laat Vondel nieuwe bijschriften maken bij een reeks emblematische gravures door Hans Luijten. Een leuk artikel over het embleemboek dat razend populair was. Eigenlijk een plaatjesboek met leerzame begeleidende teksten.

24 september 1617; Inwijding van de Nederduytsche Academie door Mieke B. Smits- Veldt. Samuel Coster van de rederijkerskamer De Eglentier zette op de Keizersgracht een gebouw neer om cursussen te volgen en toneel te zien. Een soort volksuniversiteit. Eenderde van de opbrengst ging naar het Burgerweeshuis. Na de staatsgreep van Maurits was het gedaan met de colleges en in 1622 werd de boel gesloten.

9 april 1622 Cornelis Lodewijcksz. van der Plasse ontvangt een privilege van de Staten-Generaal voor het drukken van alle werken van Bredero (E.K. Grootes). Een artikel dus over het Groot lied-boek van Bredero dat ik hier in de uitgave van Tjeenk Willink/Noorduijn (Den Haag 1979) mét muzieknotatie van de al bekende deunen waar Bredero zijn liederen bij maakte.

7 en 8 november 1622; Opgraving van het lichaam van Jan van Ruusbroec (K. Porteman). Over de mystieke heropleving in de Zuidelijke Nederlanden.

6 augustus 1625; Vondel draagt De Amsterdamse Hecuba op aan Antonis de Hubert (A. van Strien). Een artikel over de worsteling om tot meer eenduidigheid te komen in het gebruik van de taal.

17 augustus 1630; Huygens stuurt Hooft twee vertalingen uit de gedichten van John Donne (A. van Strien). Over de poëzie uit die tijd en met name die van Huygens.

17 september 1637; De nieuwe bijbelvertaling wordt aangeboden aan de Staten-Generaal (H. Duits). Daar is-ie dan, de Statenvertaling als kakelnieuw resultaat van het besluit van de synode uit 1618.

3 januari 1638; De opening van de Amsterdamse Schouwburg (Lia van Gemert). Het plan was om de opening feestelijk op tweede Kerstdag 1637 te doen met het nieuwe toneelstuk van Vondel: Gysbrecht van Aemstel, het stuk dat op die dag speelt en gaat over de verwoesting van Amsterdam in 1304. Vondel gebruikte deze geschiedenis om over het meer recente verleden na de laten denken. In het stuk zaten Katholieke liederen en dat kon natuurlijk niet en zo vond de uitvoering en dus de opening pas plaats op 3 januari van het nieuwe jaar.

12 februari 1642; Huygens wijdt zijn nieuwe buitengoed Hofwijck in; poëzie van het buitenleven (Willemien B. de Vries).

16 januari 1643; Uit naam van Frederik Hendrik stuurt Huygens een zilveren kan en schotel aan Hooft als dank voor de Neerlandsche Historiën; de betekenis van de vaderlandse geschiedenis voor de literatuur (Marijke Meijer Drees). Hoofd deed mee met een trend om zich met de eigen recente geschiedenis bezig te houden om daarmee iets bij te dragen aan de identiteit van de als los zand aaneen hangende federatie. Het werd zijn levenswerk.

30 december 1645; De koningin van Polen bezoekt de Amsterdamse Schouwburg, waar te harer ere onder andere de klucht Lichte Klaarte zal worden opgevoerd. Klucht en blijspel (R. van Stipiaan). Over de ontwikkeling van de klucht naar een iets meer fatsoenlijke vorm onder invloed van het genootschap Nil volentibus arduum.

Najaar 1649; Jan Six van Chandelier overnacht in Toulouse; drie anti-idealistische dichters (M.A. Schenkeveld-van der Dussen). Over dichters die zich verzetten tegen het leerzame, verstandige en devote. Daar hoorden ook bij Matthijs van de Merwede van Clootwijk (1613-1664) en Willem Godschalk van Focquenbroch.

20 oktober 1653; Amsterdamse schilders eren Vondel met een lauwerkrans als het Hoofd der Poëten; de ontwikkeling van Vondels dichterschap (E.K. Grootes).

17 juni 1660; De zuster van de Engelse koning Karel II houdt een intocht in Amsterdam. Daarbij wekt een ‘tableau vivant’ van Jan Vos haar afschuw; over dichters als maatschappelijke en politieke commentatoren (Mieke B. Smits-veldt). Een artikel waarin vooral Jan Vos, hoofd van de Amsterdamse schouwburg en dichter, in het zonnetje wordt gezet. Hij was het die je erbij moest hebben bij feestelijke intochten en dit soort van ontvangsten.

22 februari 1667; Inwijding van de Hollandse Schouwburg in Stockhom, ofwel, De Nederlandse literatuur buiten de Lage Landen (Arie Jan Gelderblom). Een leuk artikel waarin wordt beschreven hoe men in het hele Hanze-gebied best wel wat Nederlands verstond. En zo kon het gebeuren dat helemaal in Stockholm een Nederlandse Schouwburg werd geopend. Een hoofdrol speelde Jan Baptist van Fornenbergh wiens levensverhaal een roman waard is die er misschien allang is.

26 november 1669; De optichtingsvergadering van Nil volentibus arduum, ofwel, het Frans-classisme verovert de schouwburg (Ton Harmsen). Het latijn staat voor ‘niets is moeilijk voor hen die willen‘ en de beweging stond voor een nieuwe kijk op het toneel.

Oudejaarsavond 1675; Cornelia van der Veer schaduwt Katharina Lescailje als deze van het huis van haar vriendin Sara de Canjoncle naar dat van haar zuster gaat, ofwel, het vrouwelijk aandeel (Marijke Spies). Een geheimzinnige titel voor een artikel over de vrouwen in de poëzie. De genoemde dames komen aan bod, maar ook bekendere vrouwen zoals Anna Roemers en Tesselschade.

1676; Wouter Schouten publiceert zijn Oost-Indische voyagie. Reisteksten (Marijke Barend van Haeften). Een nieuw genre, waarvan het bekendste werk is Journael ofte gedenckwaerdige beschrijvinghe van de Oost-Indische reys van Willem Ysbrandsz. Bontekoe van Hoorn.

Oktober 1678; Amsterdamse boekverkopers vragen om maatregelen tegen venters van ‘allerhande vuyle en schandaleuse Boeckjens’; over de verspreiding van populaire literatuur (P.J. Verkruijsse). Een artikel dus over de minder literaire genre zoals almanakken en pamfletten die aftrek vonden bij gewone burgers waarvan er opmerkelijk veel konden lezen, wat het gevolg was van beleid. Mensen moesten immers de bijbel kunnen lezen…

Maart – mei 1682; Joannes Vollenhove correspondeert met Geeraardt Brandt over diens Leven van Vondel. Het begin van de Nederlandse literatuurgeschiedschrijving (M.A. Schenkeveld- van der Dussen). Deze Brandt was de biograaf en vriend van Vondel en schreef ook over Hooft. Het artikel gaat ook in op de wisseling van de wacht, want met de dood van deze dichters werd er een tijdperk afgesloten.

Margaret Atwood – The Handmaid’s Tale

Daar kon ik niet meer omheen, zeker toen ik het boek (1985) in de Kringloop tegenkwam. Aanleiding voor alle publiciteit was de publicatie van het vervolg, The Testaments en afgelopen oktober, het gegons over het mogelijk toekennen van de literatuurNobelprijs aan Atwood.

Ik heb het boek dus gelezen en vond het prachtig. Het boek bestaat uit een enorme hoeveelheid redelijk korte brokjes waardoor langzaam een toekomstige religieuze dictatuur uit de doeken wordt gedaan. In het laatste hoofdstuk blijkt het eigenlijk een soort raamvertelling. De roman speelt in de nabije toekomst, maar het laatste hoofdstuk, Historical notes on The Handmaid’s Tale, nog eens anderhalve eeuw later, wanneer er een symposium wordt gehouden over het boek. De Tale blijkt ingesproken op cassettebandjes en tijdens het symposium gaat het over de historische betrouwbaarheid en zo.

Er is, zo blijkt, een religieus georiënteerde dictatuur onstaan, Gilead, op het moment dat samenlevingen mede door een sterk gedaald inwoneraantal in ontreddering waren. Het is een repressief regiem dat teert op terreur en strenge regels. Vrouwen die al eerder getrouwd waren of leven met mannen die eerder getrouwd waren zijn weggehaald van hun partner en kinderen om te beginnen heropgevoed in een soort bijbelse zin, hoewel dat bijbelse wel heeeel selectief is. Een belangrijke tekst is dat Bilha op de schoot van Jacob zou baren. Dat is precies wat er gebeuren moet. Vrouwen worden tijdens ceremonies zwanger gemaakt en moeten dan baren op schoot van de vrouw van de ‘commander’. Deze vrouwen, en dus ook de hoofdpersoon die de bandjes heeft ingesproken, leven in een kloosterachtige situatie zonder boeken, veelal zwijgend, zonder kranten of films.

Er worden nieuwe termen gebruikt die vaak deel uitmaken van het onderdrukkende systeem. Compucheck, compuphone, econowifes (34), unwoman, unbaby…

Er ontstaat een raar ongelijkwaardig contact met de commander en er blijkt verhuld verzet te zijn dat leidt tot de arrestatie van de handmaid of toch misschien haar bevrijding…

Een indrukwekkende roman wat mij betreft over een religieuze dictatuur en zo bracht iemand ter sprake, misschien ook wel over humaniteit.

Naomi Klein – De Shockdoctrine

Als je iemand door een cocktail aan marteling zijn orientatie op de eigen persoon afneemt kan je van alles met hem of haar beginnen. Dat was de ontdekking die in de jaren ’70 van de vorige eeuw verder werd onderbouwd.

Dit bleek ook van toepassing op staten. Organiseer een toestand van shock door een combinatie van geweld en economische verwarring en je kunt een programma van deregulering, privatisering en bezuiniging doorvoeren. Dit is wat er met steun van economen uit Chicago (volgelingen van Milton Friedman van de ‘Chicago school’) plaatsvond in Chili en Argentinië, maar later ook in het Rusland van Jeltsin.

Dit boek (2007) geeft een grondig verslag van hoe dit in deze landen in zijn werk ging en daarna in Indonesië en uiteindelijk in Irak. Daarnaast is er aandacht voor de momenten dat er een ramp was, zoals de Tsunami, 9-11 en Kathrina, en hoe overheden soms onder invloed van de Chicago boys zoals Cheyney en Rumsvelt van de situatie gebruik maakten door hun agenda door te drijven.

In Irak hebben de VS de agenda van de privatisering doorgevoerd. Op het leger was bezuinigd terwijl er bedrijven meekwamen voor logistiek en beveiliging. Bedrijven die vaak in handen waren van Cheyney- achtige lieden die hier schurftig rijk van zijn geworden. Iets dergelijks is ook in Israël gebeurd. Het land is specialist geworden in beveiligingssystemen en veel bedrijven hebben er belang bij dat er geen definitieve vrede komt met de palestijnen.

Ik vind dit een heftig, verhelderend en onthullend boek. Op de achterkant van de Nederlandse editite staat: ‘Het beste boek om de economische crisis te begrijpen’. Dat moet een ingeving van de uitgever zijn geweest Ik zou eerder zeggen: ‘Het boek om de wereld van 1970 tot 2007 te begrijpen.’ Dat dekt de lading natuurlijk ook niet, maar ja, ik ben geen flaptekstschrijver…

Babette Porcelijn – De Verborgen impact

Een boek over duurzaamheid, de verborgen impact die ons leven en consumeren heeft op de aarde, het milieu en de CO2 uitstoot. Veel was bekend maar veel ook niet. Zo had ik nooit verzonnen dat er zoveel verborgen co2 uitstoot zit in de spulletjes die we bij elkaar winkelen.

Wat het echt aardige is aan dit boek, is de vormgeving en de taal. Met geinige grafiekjes en dergelijke wordt veel op een nieuwe manier inzichtelijk gemaakt. Dat werkt goed. En dan is er de taal. ‘We hebben met een hoop dingen die we bouwen, verbouwen maken en vervoeren impact op de planeet. wist je al. We zien echter maar een klein stukje van die impact, want veel van ‘wat we daarvoor doen’ vindt plaats buiten ons zicht aan de andere kant van de wereld’. Helder, to the point, spreektaal en soms geinig.

Het boek wil impact van spullen, eten, transport, kortom, van heel het leven onderzoeken. De uiteindelijk tips zijn niet niet nieuw, maar hopelijk wel overtuigend door het verhaal wat ervoor zit, want natuurlijk zet het, als het om ieders persoonlijke keuzen gaat, pas echt zoden aan de dijk om niet te vliegen, geen auto te rijden en geen vlees te eten. Met een dak vol zonnecellen, een goede bank en een verstandige keuze in het stemhokje moet het dan goed komen.

Gisteren was Victor Lamme, hersenonderzoeker op de UVA op radio 1 te horen. Hij had het over de drie menselijke drijfveren: Hebzucht, angst en kuddegedrag. Zo op het eerste gezicht zie ik mogelijkheden en problemen als het gaat om de omslag naar een eco-positief of eco-neutraal leven…

Evan S. Connell – Mrs. Bridge

Een roman ( a classic American novel, volgens de voorkant) uit 1959 bestaande uit 117 korte hoofdstukjes. Flitsen. We volgen Mrs Bridge die trouwt met een goed verdienende man, kinderen krijgt, meedraait in de society van Kansas-City en langzaam aan tot verveling komt als de kinderen groot zijn geworden. Ondertussen is de oorlog uitgebroken, haar zoon in het leger, de oudste dochter uitgevlogen naar New York om te werken bij een uitgeverij en de andere dochter ongelukkig getrouwd. En dan is op zeker moment haar man plotseling overleden.

Het laatste hoofdstuk – Hello? – eindigt als een verhaal van Roald Dahl. Het vriest en Mrs. Bridge wil erop uit met haar ondertussen oude Lincoln. Terwijl ze de auto uit de garage rijdt houdt de motor er mee op.  Op de plek waar de auto tot stilstand is gekomen kan ze er niet uit. For a long time she sat there with her gloved hands folded in her lap, not knowing what to do. Once she looked at herself in the mirror. Finally she took the keys from the ignition and began tapping on the window, and she called to anyone who might be listening, “Hello? Hello out there?” But no one answered, unless it was the  falling snow.

Een bijzonder treurig en tijdloos verhaal over een vrouw die ouder wordt, van alles aanpakt en niets afmaakt, niet in staat is om helder over zichzelf en de eigen situatie te denken en zich aan te pakken. Een verhaal met veel open ruimte.

Tien jaar na verschijnen van dit boek lag Mr. Bridge in de winkel. Ongeveer dezelfde periode maar dan door de ogen van de echtgenoot die in Mrs. Bridge grotendeels buiten beeld blijft.