Arthur Koestler – Nacht in de middag

Een Hongaarse schrijver die in het Duits schreef en later in het Engels. Deze roman gaat over Roebatsjov, één van de voormannen van de Russische revolutie, gemodelleerd naar Trotski en andere leiders van het eerste uur. Hij zit gevangen want we zitten niet meer in het eerste uur maar in de jaren van de grote terreur, eind jaren ’30. In zijn cel herinnert hij zich voorvallen waarbij mensen niet volgens de normen van de partij en de revolutie hadden gehandeld en mede door zijn verslag daarvan waren gedood.

In de gevangenis heeft Roebatsjov met twee ondervragers te maken. De eerste is een strijdmakker vanuit de eerste jaren. Hij is overtuigd van Roebatsjovs misdaden (landverraad e.d.) maar heeft ook een soort consideratie en een zelfde manier van denken. De tweede is van een latere generatie en is meedogenloos en hard. Roebatsjov tekent bekentenissen en wordt doodgschoten.

Het gaat in deze roman uit 1940 over die verhoren, de bespiegelingen en de herinneringen. De vraag is: Denken we vanuit het collectief, de partij,  of vanuit het individu?

Het boek zet aan het denken over eigen beslissingen ten nadele van het individu en ten gunste van de organisatie. Ga maar eens leiding geven, zei die eerste ondervrager, dan beslis je al heel gauw ten gunste van de organisatie en niet van het individu. En zo is dat ook.  Overigens kan ik het echte citaat niet geven, het boek is alweer terug naar de biep. Het is een zeer leesbaar boek uitgegeven door uitgeverij Schokland, in de serie Kritische Klassieken.

 

 

 

Isaak Babel – Odessa en Rode Ruiterij

De verhalen van Babel zijn in 2013 opnieuw door van Oorschot uitgegeven in de vertaling van Joke Slofstra. Een prachtig deel uit de Russische Bibliotheek. Ik heb dat boek geleend van de biep terwijl ik zelf de uitgave van Meulenhof heb, de vertaling van Charles Timmer en  Peter Zeeman.

Het is een universum op zich, die verhalen van Babel. In ‘Vehalen uit Odessa’ gaat het over de Joodse en vaak geweldadige zelfkant van de stad. Sommige personen komen terug. Er ontstaat een levendig beeld dat wordt opgeroepen door een bijzondere taal die soms werkt als een gedicht. Dat komt vooral door de vergelijkingen. Bij andere schrijvers kunnen die heel vergezocht over komen en soms zelfs afbreuk doen aan het geheel. Bij Babel helpen ze mee aan de betovering. ‘Aan het stuur van zijn auto zat hij kaarsrecht, hoe dreigend de omstandigheden ook waren, met de houten roerloosheid van een prediker op de kansel (Slofstra 124)’.

Het zijn verhalen met dikwijls wrede wendingen. In de verhalen uit Odessa komt die wreedheid uit een onderwereldachtige omgeving. In de ‘Rode Ruiterij’ zijn we in 1920 aan het westfront en maken we allerlei schokkends mee. Het zijn zorgvuldig geboetseerde verhalen waar je heel rustig doorheen moet. En dan kom je ook tal van verwijzingen naar de zon of de maan tegen. ‘ Oranje zon als een afgeslagen hoofd’, ‘de stervende zon blies zijn laatste roze adem de lucht in’, ‘De gloed van de zonsondergang spoelde over hem heen, frambozerood en onwerkelijk als de naderende dood’ en ‘Aan de hemel dooft de schele lantaarn van de provinciale zon…’ O ja, wat dacht je van de ‘Maan als een brutale splinter’. Vergelijkingen die de sfeer van de verhalen onderstrepen.

De verhalen zijn niet plotloos, maar zeker ook niet zo plotgedreven als die van Stephan Zweig, Babels Oostenrijkse tijdgenoot. Soms zijn het sfeertekeningen. En die sfeer is als gezegd vaak wreed, treurig, armoedig en Joods. Verhalen als die van Borges om je heel snel naar een zonderlinge wereld te verplaatsen. Ik noem Borges vooral omdat hij in sommige verhalen ook heel geweldadig kan overkomen.

 

 

 

 

Dan Brown – Inferno

Ja waarachtig, ik ben ondergedompeld geweest in de wereld van Dan Brown. Ik heb het boek niet gelezen, het is mee voorgelezen, in het Engels nog wel. Natuurlijk heb ik van Dan Brown gehoord, maar ik had er geen kennis mee gemaakt.

Eerlijk gezegd lees ik weinig spannende boeken, weinig pageturners. Ik ben eigenlijk een heel saaie lezer. Dit was dus heel andere koek. Een heel spannend boek vol cliffhangers. Maar is het ook een goed boek? Ik was geboeid, zeker, maar vond het toch een matig boek.

De wereldbevolking neemt toe en dat kan niet goed gaan. Malthus had dat al verzonnen maar in dit boek is er een briljante wetenschapper die hier ook van overtuigd is. Zobrist ontwikkelt op zijn eentje een virus dat zich heel snel kan verspreiden en niemand ziek maakt maar iedereen onvruchtbaar. Daar heb je na hondert pagina’s lezen (of luisteren) nog helemaa geen idee van, maar dit is wel waar het boek over gaat en je zou kunnen zeggen dat er daarmee een wezenlijk thema aan de orde wordt gesteld.

Het boek begint met Robert Langdon, specialist in Renaissance kunst,  die in een ziekenhuis ligt. We denken even later net als hij dat hij in zijn hoofd geschoten is en aan geheugenverlies lijdt. Dat van het schieten blijkt niet waar te zijn. Er blijkt van alles niet zo te zijn zoals het zich laat aanzien. In het ziekenhuis wordt hij bijna doodgeschoten door een indringster (zo lijkyt het) en vlucht hij met de arts Sienna.

Er blijken in de roman verschillende partijen te zijn. De genoemde Zobrist. Dan is er een organisatie die Zobrist in staat heeft gesteld om in alle rust te kunnen werken. Er is de WHO met haar directeur, een gedreven vrouw.

En dan de link met inferno, met Dante. Verpakt in onthullingen en verwijzingen naar Dantes Davina Comedia komt men er achter dat er iets verschrikkelijks staat te gebeuren. Met verschillende motieven gaat men op zoek in Florence (stad van Dante), Venetië en Istanbul. Als lezer krijgt je enorme exposé’s over  Dante, Botticelli, Venetië, gebouwen en kunstwerken. Daarmee worden er steeds meer mysteries opgelost en uiteindelijk wijst alles richting Istanbul waar  de fundamenten van de Haya Sophia in het water staan in een soort kelder. Dat is de plaats waar een hele week luisteraars bijeenkomen. De Dante-symphonie van List wordt er gespeeld. In dat water zal binnenkort het virus vrij komen. Wat blijkt, het virus is aan het begin van die week al vrijgekomen. Daarmee heeft het boek geen goede afloop terwijl het ergens ook weer wel wat zoet afloopt tussen Langdon en Sienna.

Een knap geschreven boek, spannend en onderhoudend. En toch flinterdun. Ook al wordt Dante erbij gehaald en ook al worden gebouwen en kunstschatten in het zonnetje gezet, ook al gaat het om een heel wezenlijk thema, ik krijg niet de indruk dat ik met literatuur te maken heb. Gek is dat.

 

 

 

 

 

 

Nathan Englander – The ministry of special cases

Englander was mij niet vreemd; ik had wel eens een paar korte verhalen van hem gelezen. Nu heb ik deze roman uit. Het is een redelijk recent boek (2007) en het is een onmiskenbaar Joods boek.

Het is bovendien een zonderling en soms aangrijpend boek. Het zonderlinge heeft vooral te maken met de hoofdpersoon, Kaddish. Inderdaad, een bijzondere naam en zeker voor iemand wiens moeder een prostituee was. Hij woont met zijn vrouw Lilian en hun studerende zoon Pato in een appartement in Buenos Aires. We bevinden ons in de jaren ’70 en er is sprake van een junta waardoor het leven lastiger wordt. Kaddish, een onhandige  dikkige man,  verdient wat geld door op de Joodse begraafplaats voor hoeren en misdadigers, die van de rest is afgescheiden door een muur, namen van grafstenen weg te beitelen. Hij doet dat onder anderen voor een soort vriend, een plastisch chirurg die geen geld blijkt te hebben maar aanbied om hun grote neuzen aan te pakken, wat ook gebeurt en bij Kaddish tot succes leidt, maar bij Lilian aanvankelijk tot een drama.

De relatie tussen Kaddish en Pato is niet gemakkelijk. Er ontstaat ruzie over het wegdoen van boeken  die voor het regime verdacht zouden kunnen zijn. Pato wordt eerst opgepakt en weer vrijgelaten en later thuis opgepakt. Vanaf dat punt zien we Kaddish en Lilian gaandeweg verschillend reageren. Lilian zet alles in het werk om Pato terug te krijgen. Kaddish komt er achter dat het zo zou kunnen zijn dat Pato net als veel anderen  vanuit een vliegtuig in de rivier is gegooid. Er raakt er meer en meer van overtuigd dat hij dood moet zijn. Ze groeien dus uit elkaar en Kaddish wordt zo’n beetje uit huis gezet en slaapt in de sjoel die bij de zelfkantbegraafplaats hoort. Ondertussen loopt Lilian de deur plat in ‘the ministry of special cases’.  Ik denk overigens dat de titel ook van toepassing is op het huishouden van Kaddish en Lilian.

Het boek eindigt vrij open nadat Kaddish een prachtige graf heeft geschonden en de resten van familie van een generaal heeft gestolen om er losgeld voor te krijgen. Dat had Lilian nodig om NB een priester te betalen voor inzet om Pato vrij te krijgen. Het was ook geld dat Kaddish nodig had om zo de relatie met Lilian te kunnen lijmen.

Het is een boek over het onderscheid, het verschil. Dat begint al op de begraafplaats. Het gaat niet alleen om Jood zijn of niet. Het gaat ook om meedoen met het regime of niet. Het boek gaat ook over het radicaal weghalen. Van namen, van neuzen, van mensen.

Soms kan ik alleen al door de stijl waarin een boek geschreven is helemaal enthousiast zijn. Daarvan was nu geen sprake. Ik vond het een boek met onverwachte wendingen. Iets over de helft van het boek stond het verhaal een beetje stil, maar tegen het einde kwam dat toch wel weer helemaal goed.

 

 

 

 

 

 

Esther Gerritse – Broer

Dat is nou het fijne van die boekenweekgeschenken. Je kunt kennismaken met een schrijver waar je nog niets van had gelezen (én een zondag gratis sporen, wat ik dit jaar voor het eerst deed zonder overigens het boekenweekgeschenk te lezen). Ik had dus nog nooit iets van Esther Gerritse gelezen en had haar in mijn brein in de hoek van Esther Verhoef opgeborgen, iets waarin ik niet de enige was. Dat is dus volstrekt onterecht. Ik vond dit een puik boekje.

Het gaat over Olivia, haar gezin én haar broer die altijd wat apart was terwijl zij het leven op de rails heeft. Slimme man, goede baan, mooi appartement en leuke tienerjongens. Haar broer, die de diabetes altijd wat liet versloffen, belt dan dat z’n been waarschijnlijk eraf moet. Aan het begin is zij de moderne intelligente ambitieuze vrouw die de zaken in de hand heeft.  Haar broer, altijd al het kneusje komt na de operatie tijdelijk in huis. Het draait erop uit dat niet hij maar zij het kneusje is.

Dat bereikt Gerritse door middel van een compacte stijl. Elke alinea geeft een wending. regelmatig gaan de ontwikkelingen per zin, soms kantelt een beeld in een bijzin. Op die manier heb je aan het bestek van een boekenweekgeschenk, zo’n 90 pagina’s,  meer dan genoeg. Ik vind dit een zeer geslaagd cadeau van de CPNB. Hulde.

 

 

Jan Keij – Kierkegaard anders gezien

Jaren terug heb ik eens een lezingencyclusje meegemaakt over Kierkegaard. Wat ik eraan overhield was de constatering dat het allemaal moeilijk is én dat Kierkegard christelijker was dan ik had gedacht.

Nu heb ik het boek van Jan Keij (Klement, Zoetermeer 2015) gelezen en is de Kierkegaardmaterie iets toegankelijker geworden. Keij is een docent en het boek is een vriendelijk college doorspekt met verwijzingen naar de literatuur. Ik vind dat een heel prettige en inspirerende aanpak omdat ik daardoor steeds op een ander niveau wordt aangesproken.

Het gaat bij Kirkegaard om ironie en vooral dialectiek. Dat was een uitvinding van Hegel in reactie op de logische Kant. Hegels dialectiek is een absuluut wetmatig these-antithese-synthese-systeem dat bijvoorbeeld is toegepast op de geschiedenis en dankbaar door Marx is omgebouwd tot historisch materialisme.

Bij Kirkegaard is het systeem weggesnoeid terwijl de dialectiek is behouden. Door het hele boek heen werkt Kleij met een schema waarin de dialectiek van Kirkegaard zichtbaar wordt.  Bovenaan staat de these, de mens als oneindigheid, als vrijheid als ziel. De antithese wordt gevormd door tijdelijkheid, lichamelijkheid, eindigheid en noodzaak. De synthese is dan een verhouding. Dit schema wordt gaandeweg verder opgetuigd en toegelicht. Het werkt als een kapstok die steeds terugkomt.

Dan is er de menselijke ontwikkeling. Er is sprake van stadia. Het esthetische gaat over genieten, smaak en plezier. Natuurlijk geen stadium om achter je te laten, maar het volgende biedt wel aanvulling. Dat is het ethische. Hier gaat het om andere mensen en het appel dat van hen kan uitgaan. Dit is een heel belangrijk punt omdat het appel oproept tot een keus. Kierkegaard erkent vervolgens het religieuze stadium dat door Kleij met hulp van Derrida is omgebouwd tot ethisch ++. Het appel kan religieus ervaren worden. Hier volgde een verhandeling over het appel van God aan Abraham om zijn zoon te offeren, iets waar Kierkegaard uitgebreid over heeft geschreven.

Het is een boek over menselijkheid, over ethiek en over handelen dat prima leesbaar is voor de niet-filosoof. Overigens stond er in de Trouw van 8 maart 2016 en recensie van Sören Kierkegaard; een biografie, een lijvig boek geschreven door Joakim Garff en in Nederland uitgegeven bij Ten Have.

 

 

Over Vestdijk…

Jaren geleden maakte ik onderstaande aantekeningen naar aanleiding van het Vestdijkproject dat ik toen deed. Aanleiding om ze op te zoeken is natuurlijk het feit dat ik opnieuw in Vestdijk zit. ‘Bevrijdingsfeest’ gelezen en nu bezig met de biografie van Wim Hazeu die ik maar met moeite kan wegleggen.

Simon Vestdijk 1898-1971

Het najaarssemester van 2007 ga ik me bezighouden met Simon Vestdijk. Als tiener heb ik ‘De koperen tuin’ gelezen, waar ik me weinig van herinner en iets later heb ik ‘Een alpenroman’ gelezen, waar ik me ook weinig, maar iets meer van herinner. Deze leeservaringen waren eigenlijk geen aanleiding om er een semester aan te wijden. Die aanleiding zit ‘m in de volgende combinatie: Van Vestdijk weet ik dat hij bekend heeft gestaan als een reus in de Nederlandse literatuur terwijl hij nu weinig wordt gelezen. Bovendien heb ik wel vernomen dat hij een zeer veelzijdig oeuvre bijeen heeft geschreven, een groot oeuvre ook. Dan vraag ik me af: Waarom werd hij vroeger als zo’n groot schrijver gezien, en, waarom laat iedereen hem nu links liggen. Intrigerend is dat. De afgelopen twintig jaar heb ik hem ook links laten liggen. Dat kwam eerlijk gezegd omdat er verder zoveel te lezen viel. Zou dat voor anderen ook de reden zijn geweest? Daar komt nog bij dat Vestdijk zich in essays ook manifesteerde als een soort amateur musicoloog. Daar wil ik ook meer van weten. Hoe ga ik het aanpakken?

Als startpunt heb ik gekozen het artikel van Tini Booij uit het Vestdijk-Jaarboek 1996 (uitgegeven door Nijgh & van Ditmar te Amsterdam): ‘Twee wegen van schuld’. Hierin wordt uiteengezet dat er een aantal boeken zijn waarbij men afgaande op de plot denkt te weten hoe het zat en hoe het zal aflopen en dan blijkt de lezer op het verkeerde been te zijn gezet en blijkt het toch heel anders te zitten ‘ Deze steeds op een andere manier terugkerende plot zou ik willen noemen: de twee wegen van schuld. Men denkt altijd dat er een andere verklaring is voor de beschreven gebeurtenissen dan de juiste. Het boek waarin het duidelijkst naar voren komt wat ik hier bedoel, is Ivoren Wachters; daarom kan ook van het type-Ivoren wachters gesproken worden. Dit boek bevat volgens mij de sleutel tot een beter begrip van al Vestdijks overige romans’ (blz. 112).

Tini Booij geeft aan dat dit fenomeen voor zo’n 13 van Vestdijks romans lijkt te gelden. Ik noem ze: Rumeiland, Ierse nachten, Puriteinen en piraten, De ziener, De filosoof en de sluipmoordenaar, Bericht uit het hiernamaals, Het spook en de schaduw, De hotelier doet niet mee, Pastorale 43, De leeuw en zijn huid, De filmheld en het gidsmeisje, Het schandaal der Blauwbaarden en  Ivoren wachters.

Dan geeft Tini Booij aan dat de andere romans van Vestdijk qua structuur anders zijn, maar ook in deze romans komt dit fenomeen voor dat je aanvankelijk op het verkeerde been bent gezet. Motieven van hoofdpersonen kunnen toch anders zijn dan het zich liet aanzien.

In eerste instantie ga ik een aantal boeken lezen van het type Ivoren wachters en zien of ik iets van dit verhaal herken. Daarna ga ik verder met een aantal romans uit de restgroep. Intussen lees ik aan secundaire literatuur wat me voor de voeten komt. Zo heb ik wat velletjes uit de ‘Lexicon van literaire werken’ uit april 1989 klaarliggen.

Ivoren wachters

Een boek dat in 1944 is geschreven. Het speelt in een niet nader benoemde stad. Hoofdpersoon is de gymnasiast Philip Corvage die komisch hoge dunk heeft van zichzelf, graag zijn spraak lardeert met Latijnse citaten en een ongelofelijk slecht gebit heeft. Hij woont bij zijn oom waar hij een gecompliceerde relatie mee heeft. Op school is hij door een beginnende leraar Nederlands, Frits Schotel de Bie, beledigd. Hij voelt dat eigenlijk niet zo maar gaat bij wijze van grap excuus vragen. De leraar krijgt hij die avond niet te spreken, wel zijn verloofde met wie hij een heel openhartig gesprek heeft wat beëindigd wordt met een zoen en wel een hele echte. Dat geeft hem moed. Thuis vindt hij zijn oom in boze staat omdat hij zonder dat te zeggen naar de tandarts was geweest. Hij vliegt de oom aan en deze lijkt een beroerte te krijgen. Hij wordt weggestuurd door het dienstmeisje, die vervolgens de oom definitief lijkt dood te slaan. Philip gaat later bij dit dienstmeisje en haar jaloerse man langs. Tegen middernacht zal hij P. naar huis brengen. Hij geeft ‘m een klap een gooit hem in de gracht. De volgende dag wordt bekend dat P. zelfmoord heeft gepleegd omdat hij door de docent was beledigd. Later gaat men onder de leraren wel een andere toedracht vermoeden…

Ik vond het een heel mooi geschreven boek. Philip is een prachtig personage, de plot is inderdaad verrassend, ook de overige personen sprekend en de taal is mooi, heel levendig hoewel soms ook wat gedateerd maar dan op een prettige manier wat mij betreft.

Naast een verwijzingen naar de Romeinen is er meermalen een verwijzing naar de ‘Orestes’ van Aeschylus.

Ierse Nachten (begin 1942, eerste druk in 1946)

Het boek was in principe af toen Vestdijk in mei 1942 door de Duitsers werd opgepakt en in St. Michelsgestel werd geïnterneerd. Er was toen al belangstelling bij een Duitse uitgever. De eerder in het Duits vertaalde romans en deze kunnen een rol gespeeld hebben bij zijn verzoek tot vrijlating. Op 23 februari 1943 werd hij vrijgelaten.

De verteller is de jongen en later tiener Robert Farfrae, zoon van een rentmeester van een kasteel (Billatinny Castle) plus land dat in bezit is van Sir Percey uit Londen die er nooit is. De roman bestaat uit vijf delen met jaartallen erbij van 1852 tot 1860. Als hii vertelt is hij volwassen en niet meer daar. Grof gesproken is er sprake van een armoedige omgeving met armoedige pachters. Er is veel bijgeloof met wonderlijke Ierse toestanden. Er wordt hartvochtige middleman vermoord door ene Ulick die dan vlucht en zoals later blijkt door de moeder van Robert is onderhouden in het lege kasteel. De Ulick wordt op een nacht dood gevonden. De vader-rentmeester heeft een harde reputatie terwijl niemand weet dat hij veel bijlapt wanneer pachters niet kunnen betalen. Dat zal later de reden zijn voor zijn ontslagaanzegging of de dreiging daarmee.  Dan wordt duidelijk dat de pacht gereorganiseerd gaat worden, dat velen van hun land gezet zullen worden. Dat levert onrust op en dan komt Sir Percey met moeder en tante langs. Die moeder is degene die de zaakjes regelt. Als de dames al weg zijn komt Sir Percey terug en ontdekt meer en meer wat een opstandige rommel het daar is. Hij besluit de rentmeester te ontslaan en gaan dan – het is al bijna nacht zoals steeds als er wat gebeurt in het boek – weg uit het gebied. Vader wordt dan doodgeschoten (of was het zelfmoord? het was niet meteen duidelijk) en wordt door moeder en Robert op haar initiatief op het bordes van het kasteel gelegd waarna een griezelig ritueel ontstaat, een soort bezwering waardoor Sir Percey zou moeten terugkeren. Dat gebeurt niet.

Ik vond het in het begin een moeilijke roman. Er komen veel lastige namen in voor en in het begin lijkt er niet al te veel te gebeuren. Gaandeweg neemt de spanning toe en werkt het aan op een grote climax.

Pastorale 43

Een boek dat aan het eind van de oorlog is geschreven en ik meen in 1947 is uitgekomen. Een mooi boek met ook hier weer de verwarring. De NSB-er Poerstamper wordt in een tweede poging door ondergrondse lieden waaronder de hoofdpersoon Schults, vermoord terwijl wij als lezers weten dat niet hij, maar een oud-onderduiker de verrader is van de overige onderduikers. Opmerkelijk is ook dat dit boek zo vlak na de oorlog niet zwart-wit spreekt over duitsers en Nederlanders. .. Als pendant wil ik nu aan de slag met:

De Donkere kamer van Damocles – Hermans

Dit is een boek dat ik tijdens de tienerjaren al eens las; ik weet er niets meer van behalve dat het ook in de oorlog speelt. Het gaat over de jonge sigarenhandelaar Osewoudt – in sigaren vanwege zijn moeder die al zijn vader heeft vermoord – die tijdens de oorlog illegale verzetsopdrachten krijgt van Dorbeck. Dorbeck lijkt wondelijk veel op O, maar heeft donker haar en een baard. De gelijkenis is aanleiding tot verwarring want na veel moorden, avonturen en gevangenschap wordt O. uiteindelijk door de geallieerden en de dan bevrijde Nederlanders verdacht van verraad en gevangengehouden. Uiteindelijk sterft hij nadat hij is neergeschoten als hij waanzinnig lijkt geworden nadat een bewijstuk, een filmpje, niet het bewijs blijkt te bevatten waar hij zo lang op had zitten wachten. Het is een spannend boek maar ook een boek waarin geen ruimte is voor overwegingen van goed-en-kwaad, overwegingen van zingeving. Het goede blijkt niet zo overtuigend goed te zijn en de kwaden blijken niet altijd zo kwaad. Het is net als de roman van Vestdijk, tien jaar na deze geschreven, geen zwart-wit verhaal.

De Kellner en de levenden

Dit was een opmerkelijke leeservaring want een totaal andere roman dan die ik eerder van Vestdijk had gelezen en sowieso; het deed me nog het meest denken aan sommige van die zeer wonderlijke verhalen van Borges. Twaalf flatbewoners worden met een soort bus opgehaald naar een soort bioscoop – het is nacht – en daar blijken heel veel mensen aan te komen. Later wordt duidelijk dat dit om opgestane doden gaat van na 1600 en zo ontstaat bij de lezer en bij het twaalftal het vermoeden dat we met het laatste oordeel te maken hebben. Na omzwervingen door een labyrintachtig (Borges!) gebouw komen ze op een station en in een wachtkamer waar wat kellners zijn en een oberkellner. De kellner (Christusfiguur) uit de titel papt aan met de groep. De oberkellner komen ze later tegen in iets wat op de hel lijkt. Hij wil de 12 God en het bestaan laten afzweren wat ze niet doen. Uiteindelijk keren ze terug in de bewoonde wereld waar het visioenachtige toch doorgaat. Bij de flat gekomen ontmoeten ze opnieuw de kellner die verklaart dat hij dit droomachtige gebeuren heeft opgezet om te zien of ze God en het bestaan zouden afzweren of niet. Dit is heel snel de actie. Ondertussen wordt er door de 12 over van alles en nog wat gedacht en gesproken. Dat maakt een belangrijk deel uit van het boek. Het gaat over dood, schuld, God, geloof en ongeloof… en veel meer. Opmerkelijk dat je weinig mensen over dit boek hoort praten…

Terug tot Ina Damman (1934)

Een van de zeer bekende titels van Vestdijk. Ik had een heel ander boek verwacht. Het gaat over Anton Wachter (deel 3 van de zo genoemde Anton Wachter Romans), die de eerste jaren van de middelbare school van Lahringen (Harlingen) doorloopt. Het is een jongen wiens vader dood is en die alleen met zijn moeder leeft. Hij stelt zich apart op, wordt geplaagd en besluit tegengas te geven door enorm goed te presteren. Tijdens de tweede klas wordt hij verliefd op Inna Damman. Dit is een stug meisje, in ieder geval naar hem. In alle onhandigheid probeert hij haar te ontmoeten en zo komt het dat hij haar dagelijks na school naar de trein brengt. Pas als na lange tijd blijkt dat zij hier helemaal niet van gediend is stopt hij ermee. Het volgende jaar gaat alles wat rustiger en normaler. Hij denkt verliefd te zijn op een andere (leuker?) meisje. Tot hij bij zichzelf ontdekt dat hij nog steeds verliefd wil zijn op Inna Damman. Vandaar de titel. Zo keert hij in zijn gedachten terug tot Inna Damman en daarmee eindigt het boek.

Het is een boek vol school- en tienerverwikkelingen waarin weinig gebeurt.

Even alle Anton Wachter-Romans op een rijtje:

1. Sint Sebastiaan

2. Surrogaten voor Murk Tuinstra

3. Terug tot Inna Damman

4. De andere school

5. De beker van de min

6. De vrije vogel en zijn kooien

7.

8. De laatste kans

Aan de basis van dit hele gebeuren schijnt te staan de roman ‘Kind tussen vier vrouwen’, zijn eerste werk dat in 1933 te lang werd bevonden en in 1972 alsnog is uitgebracht. Dat heb ik nu ook gelezen. Het is de dikste Vestdijk met heel veel herkenbaar materiaal als je net Inna Damman uit hebt. Ik moet nog even kijken in hoeverre passages letterlijk zijn overgenomen. Ik meen dat dat wel het geval is geweest.

In kind tussen vier vrouwen gaat het daarnaast ook over de nog veel jongere Anton Wachter. Het is een boek waarin de kinderlijke vragen en belevingen rond sexualiteit een rol spelen. Daarnaast speelt angst een grote rol. Net als in Inna Damman is er aan het begin van de middelbare school de angst dat jongens hem ‘vent’ noemen zoals zijn vader dat had gedaan. Eerder is er angst voor andere grotere kinderen; soms ook voor zijn vader en zijn grootvader in Amsterdam. Geinig is dit boek zijn de muziekfragmentjes die er uitgeschreven instaan. Ik las dat dat in het verzameld werk is weggelaten. Nu is het ook niet meer dan geinig en voegt het ook weer niet veel toe. Zeker niet op blz.111 waar de ritmische notatie in de maten 2 en 6 gewoon niet klopt.

De vier vrouwen waar de titel over spreekt zijn zijn moeder, Janke de meid toen hij nog klein was, Inna Damman en Marie van den Boogaart. Volgens de achterflap, in een van Vestdijk overgenomen opmerking, komen hier vier stadia van liefde voorbij. Nou, dat vond ik eerlijk gezegd helemaal niet zo duidelijk.

Het boek is een langzaam verlopend boek wat eigenlijk ook langzamer gelezen moet worden dan ik heb gedaan. Net als in Inna Damman gebeurt er niet veel. Er wordt veel gedacht, getobd, indrukken verwerkt, beschreven, enz.

Juffrouw Lot

Dit boek, voor het eerst uitgegeven in 1964 is eigenlijk een drieluik

In het eerste deel volgen we juffrouw Lot als ikfiguur. Ze is de gedienstige van een in armoede geraakt gezin waarvan de vader is overleden. Ze heeft met de zoon een wonderlijk soort relatie terwijl ze verloofd is met Sjors, een techneut die in Amsterdam woont. In dit eerste deel bezoeken Fret en Lot Amsterdam waar ze verschillende ontmoetingen hebben. Er lijkt bovendien iets te spelen waar we als lezer nog niets van weten. Terug in het dorp wordt Lot door Fred zonder veel reden afgetuigd waarna ze die avond voor het eerste sinds lange tijd vrijen.

In deel twee staat Fred centraal maar niet als Ikfiguur. Het is de volgende dag en hij gaat opnieuw naar Amsterdam om zaken recht te zetten. Ergens die dag komt hij ook Lotje weer tegen. Wat er speelde weten we nog niet. Wel dat het iets te maken moet hebben met een gekooide aap. Tijdens het derde deel wordt het duidelijker. Het deel heet: ‘ Apen in knchtschap’ Zo had het boek ook best genoemd kunnen worden. Dit deel wordt niet geschreven vanuit Sjors, wat ik eerst had verwacht, maar vanuit de historicus Gerard Starke. Hij blijkt voorzitter te zijn van een geheim studentengenootschap waar je, eenmaal lid, als student niet onderuit kan. Fred was lid en dacht daaronderuit te komen door zijn studentenkaart te verscheuren. Dat wilde hij nadat hij een opdracht had uitgevoerd. Hij had een aap in knechtschap aan een actrice moeten aanbieden. Hij is opnieuw bij haar langs geweest om excuus aan te bieden en heeft zich versproken over het genootschap. De climax vindt plaats als Fred en Lotje Gerard hebben ontmoet en met hem op bezoek zijn bij een kunstschilder. Daar wordt bij het weggaan Lotje door Fred beledigd zodat ze hem boos de trap afduwt waardoor hij sterft. Het is een boek dat moeilijk is na te vertellen. Er gebeurt veel in de verhoudingen. Misschien is het wel een boek over knechtschap. Knechtschap in relaties. Moeder-Fred, Gerard-Fred, Sjors-Lot, Lot -Fred, Moeder-Lot, Genootschap-Fred, Genootschap-Gerard.

Menno ter Braak en Du Perron

Vestdijk was een tijdgenoot van Menno ter Braak en Du Perron. Van de eerste heb ik een bundel essays als onderdeel van het in 1949 door van Oorschot in Amsterdam uitgegeven verzameld werk. Hieruit heb ik ‘ Geschiedenis ener intelligentie’ gelezen wat een onderdeel is van ‘ Politicus zonder partij’. Menno ter Braak schrijft prachtig en scherp. Naar mijn smaak schrijft hij soepeler en sierlijker dan Vestdijk. Nu heb ik van Vestdijk nog geen essays gelezen dus helemaal eerlijk is de vergelijking niet. Van Du Perron kijk ik wat in: ‘Het land van herkomst’, in 1935 uitgegeven door van Oorschot.

Gestalten tegenover mij (Den Haag 1961, Bert Bakker/Daamen)

Een aantal schetsen van tijdgenoten plus nog wat stukjes. De volgende lieden komen voorbij: Slauerhoff, du Perron, ter Braak, Marsman, Nijhof, Willem Pijper, Gerrit Achterberg, Roland Holst.

Een vlucht regenwulpen – Maarten ‘t Hart

Volgens Pieter Steinz ligt er een link tussen ‘Terug tot Ina Damman’ en ‘Een vlucht regenwulpen’ van Maarten ’t Hart (1978). Dat heb ik heel lang geleden wel gelezen, ik denk een paar jaar nadat het is uitgekomen. Met de leesclub lezen we volgende maand ‘Het psalmenoproer’ dus zo snijdt het mes aan te kanten.

De Koperen tuin

Een boek dat ik als scholier al las en waarvan me behalve de titel klaarblijkelijk niets van is bijgebleven. Het gaat over de jeugd van Nol, zoon van een rechter. In de koperen tuin hoort hij als klein kind een blaasorkest. Hij danst er met een meisje, Trix, op de muziek. Later ontmoet hij dit meisje nog een aantal maal en zo ontdekt hij gaandeweg dat hij verliefd is op dit woeste kind. Ze is de dochter van de drankzuchtige heer. Cuperus van wie Nol later jaren pianoles krijgt en die in W. ook operavoorstellingen opvoert wat tot triomfen en nederlagen leidt. Vooral de Carmenopvoering wordt een drama. Trix wordt door verschillende heren, die het ook op de moeder van Nog hadden gemunt, verleidt en ‘ge of misbruikt’, zoals later blijkt. Dan zegt ze toch altijd van Nol te hebben gehouden. Het is een ingewikkelde persoon die, nadat ze alles heeft besproken met Nol – onderhand medisch student – en heeft toegezegd een dag later verder te praten over het aanzoek dat Nol haar heeft gedaan, zelfmoord blijkt te hebben gepleegd wanneer Nol de volgende dag inderdaad weer terugkomt.

Mooi. Heel verrassend dat de stijl me hier voor het eerst deed denken aan die van Vigoleis Thelen en dat moet gelden als een compliment voor Vestdijk. Er wordt veel verwezen naar de wereld van de muziek wat het boek ook een extra dimensie geeft. Natuurlijk speelt de liefde een grote rol in dit boek. Je vraagt je steeds af: ‘ Wat ziet die Nol in die Trix?’ Inderdaad, ze wordt in vrijwel geen enkel opzicht aantrekkelijk voorgesteld. Lichamelijk niet en qua persoon niet. Dan ga je je afvragen wat er met die Nol aan de hand is dat hij persisteert in deze liefde. Er ligt wel de uitspraak van zijn moeder dat een kinderliefde erg sterk kan blijven…

Op afbetaling 1952

Een boek over overspel en wraak? Volgens Brand Cortius zeker ook een boek over angst. Het gaat in ieder geval over de advocaat Grond die op een dag vroeger thuis is dan anders en ziet hoe zijn compagnon op de divan op zijn vrouw ligt. Dit resulteert in een aantal handelingen waaronder een verhouding met een hoer en de moord op deze compagnon, een ongeluk waardoor zijn vrouw mank raakt. Daardoorheen loopt nog een afpersingszaak waar zijn beste vriend bij betrokken is die zelfmoord pleegt. Een aantal motieven en gebeurtenissen blijven onduidelijk en ik was blij dat Cortius zijn artikel afsloot met: ‘ Niet alles in een roman hoeft de lezer te begrijpen, maar hier verstoort mijn totale onbegrip wat er nu eigenlijk met advocaat Grond aande hand is mijn leesplezier. Misschien begrijpt u het wel (Uit: ‘Het gerbergte’ H. Br. Corstius en M. ’t Hart, Nijhg en van Ditmar/Bezige Bij, Amsterdam 1996).

De kinderjaren van Simon Vestdijk – Hans Visser

Het begin van de Vestdijkbiografie die het niet geworden is door geharrewar wat ik me slechts vaag uit de media kan herinneren. Het is een dun boekje over de kinderjaren met foto’s wat wel een aantal linken met de meer biografisch getinte boeken duidelijk maakt.

Bericht uit het hiernamaas 1967 (Hoewel afgerond in de winter van 62/63)

Een science fiction fantasy-achtig boek over een gemeenschap van reeds dode zielen van na 1820 waarvan G.H. Hildevoort aan het woord is in een soort telepathisch doorgeseinde boodschap aan de lichamelijk levende mensheid over het leven na de dood. Daarin komen kostelijke beschrijvingen voor en ook toestanden. Het lijkt erop dat het leven als geesten/zielen eindigt in een soort catastrofe. Het laatste deel van het boek bestaat uit een verhandeling van een geleerde heer die nadat velen op aarde de berichten van Hildevoort hadden opgevangen een eerste verhandeling over dit zonderlinge fenomeen het licht doet zien. Een heel wonderlijk boek; hoe kom je erop. Heel veel gebeurt er overigens niet en dat maakt het boek ook wel weer een beetje taai…

De Schandalen (1953)

Een roman die ongeveer speelt in de tijd waarin hij is geschreven. Hoofdpersonen zijn een kunstschilder Wegener, Huuske, de kunstcriticus en Emy, de dochter van de zonderlinge geleerde Crammacher die nogal wat mannen het hoofd op hol brengt wat in ieder geval geldt voor Wegener. Het boek speelt in elitaire kringen waarbij de dreiging van een nieuwe oorlog op de achtergrond een rol speelt. Gaandeweg het boek blijkt er een soort syndicaatachtige ‘kring’ te zijn met een onduidelijke manipulatieve invloed in de samenleving. Wegener wordt door die kring te gronde gericht als gevolg van praatjes maar uiteindelijk als gevolg van zichzelf. Als zijn vrouw is overleden als gevolg van een akelige ziekte en hij uiteindelijk eenzaam achterblijft ontstaat er een korte zonderlinge verhouding met een meisje van verderop die dramatisch eindigt in een belaagd huis – waar hij zoals aangezegd door de huisbaas uitmoest – op zolder terwijl hij het huis in brand heeft gestoken…

Het boek schijnt destijds voor nogal wat beroering te hebben gezorgd en ik kan niet zo goed bedenken waarom. Waren er toespelingen op mensen in de samenleving. Was het verhaal te ruig? Overigens vond ik het geen duidelijke roman. Waar gaat het om? De liefde voor Emy die niet echt wordt beantwoord? De elite? De blik op de vorige en de toekomende oorlog?

Else Böhler, een Duits dienstmeisje (1935)

Een boek dat speelt in de tijd waarin het geschreven is; in de jaren voor WOII en iets van duitse dreiging zit er wel in ook al gaat het daar niet om. De ik-figuur zit bij aanvang van het boek gevangen in een duitse gevangenis en is in afwachting van zijn executie. Zoals pas op het eind van het boek duidelijk wordt heeft hij tijdens een S.A. – feestje een duitse S.A.- man doodgeschoten omdat deze een niet heel heldere betrekking had tot Else Böhler, het dienstmeisje waar het boek naar genoemd is. Zij was in Nederland komen werken en wel een paar straten verderop. De ik-figuur was verliefd op haar geworden en er ontstaat een relatie die bestaat uit stiekum wandelen en halfzacht zoenen. Het is niet overtuigend en Else is ook helemaal niet typisch een meisje om verliefd op te worden. Als ze na gedoe met de dames bij wie ze werkte en woonde terug is naar Duitsland gaat de ik-persoon uiteindelijk naar haar op zoek. Hij kan niet anders ook al is zijn verliefdheid wel een heel vreemde. Via S.A.- huisgenoten komt hij op het genoemde feest waar zij notabene meedoet in een soort satirische landenpresentatie die de inferioriteit van de omliggende landen moet onderstrepen. Else speelt een Markermeisje. Naderhand ziet hij de genoemde man en verneemt hij het woord dat hij van haar in relatie tot hem al eens had gehoord en hij schiet hem dood. Dit vond ik een van de meest geslaagde boeken van Vestdijk die ik tot nu toe heb gelezen. De structuur en plot zijn helder en toch is het geen simpel boek.

De Symfoniën van Bruckner en andere essays over muziek (1966)

Tijdens mijn tienertijd heb ik het boek al eens in huis gehad en ben ik niet verder gekomen dat de eerste bladzijde. Ik zou me kunnen voorstellen dat ik daarin niet de enige ben geweest. Toch wilde ik nu doorzetten niet alleen voor mijn belangstelling voor de essayistische kant van Vestdijk, maar zeker ook vanwege mijn al oude liefde voor Bruckner en zijn symfoniën. Het Bruckner-deel begint hoogst onaangenaam met een verhandeling over hoe enkele Brucknerspecialisten zijn muziek benaderden. Het gaat dan onder anderen over de golftheorie. Dan volgen er nog een aantal discussies over zaken die met vorm en structuur te maken hebben. Het essay wordt besloten met vier hoofdstukken waarin Vestdijk de verschillende delen van de symfonie – openingsdeel, langzaam deel, scherzo en finale – behandelt.

Het taalgebruik vind ik erg omslachtig en formeel. Hier komt Vestdijk naar mijn smaak veel meer dan in de romans erg gedateerd over. Dat zijn essays niet veel meer gelezen worden lijkt me dan ook volstrekt begrijpelijk terwijl ik het volstrekt onbegrijpelijk vind dat zijn romans naar het schijnt zo weinig nog gelezen worden.

De bruine vriend (1964)

Dit is het eerste verhaal uit een bundel van vier (naast Het veer, Barioni en Peter en Pijepn). In de inleiding tot ‘De Nederlandse en Vlaamse literatuur vanaf 1880 in 250 verhalen’, samengesteld door Joost Zwagerman (2005, Amsterdam, Prometheus) legt Zwagerman, in navolding van de Amerikanen, de grens voor het korte verhaal bij 10.000 woorden. Daarbij noemt hij een aantal verhalen neigend naar de novelle, die te lang zijn en dus niet in de bloemlezing voorkomen. In dit verband heeft hij het over het beroemde verhaal van Vestdijk: ‘ De bruine vriend’ (blz. 13). Ik had er nog nooit van gehoord, maar het is wel een mooi verhaal en een mooie afsluiter van dit project. De sfeer doet wat denken aan ‘Todt in Venedig’ van Thomas Mann.

Het gaat over een ik-figuur (Henk) die aan het begin van het schooljaar helemaal onder de indruk is van een manke oudere nieuwkomer zoals er elk jaar instromers zijn vanwege de goede reputatie van de school. Zijn oudere zus is onderhand verliefd op deze Hugo Verweij. De kooravond bij haar thuis gaat pots niet door omdat ze samen wandelend met deze Hugo is gespot. Ze doet of ze ernstig ziek is en Henk moet Hugo zover krijgen dat hij deze vermeende schande rechtzet. Hugo doet dat niet en Henk moet zijn zus wreken. Op een avond achtervolgt hij Hugo die uiteindelijk naar de zee loopt en naar een grintplaat roeit. Henk achtervolgt hem en gaat met beide boten terug. Hugo blijkt het te hebben overleefd tijdens de vloed maar verdwijnt. Onderhand weten we dat de zus ook jong zou sterven. Een mooi geheimzinnig verhaal met een dreigende sfeer.

Afronding

In een klein half jaar valt er best wat te doen aan Vestdijk. Aan de andere kant heb ik niet het idee dat het nu klaar is. Van de romans heb ik er zo’n 12 van de 52 gelezen. Daaronder zitten dan wel een aantal van de bekendere, maar dat is toch schamel. Van de essays heb ik er één uit en van de korte verhalen ook. ‘Gestalten tegenover mij’ heb ik niet uit en van de gedichten heb ik er nog geen gelezen. Dan is er nog de biografie van Hazeu die ik nog niet gelezen heb…

Deze eerste kennismaking heeft geleid tot een soort haat-liefde verhouding. Soms vind ik het allemaal te ingewikkeld en te schemerig om er van te kunnen genieten (Ierse nachten). Zodra dit iets minder het geval is vindt ik deze romans wel mooi. Het verhaal geeft zich niet gemakkelijk prijs; vaak blijf ik achter met het idee dat ik nog niet alles gesnapt heb. Van de stijl is wel gezegd dat deze weerbarstig is. Soms vond ik het erg mooi, heel soms deed de stijl me aan die van Vigoleis Thelen denken en dat is wat mij betreft dicht bij de top. In het essay over de symfoniën van Bruckner had ik wel veel moeite met de stijl. Erg omslachtig allemaal.

Voor nu stop ik met Vestdijk, maar mogelijk plak ik er nog een keer een half jaar aanvast om zo nog een stap verder te komen….